Tweeëntwintig jaar na de dood van Robert Walser brengt een uitgever zijn verzameld werk op de markt in een forse oplage en voor een zeer lage prijs: een wrange ironie die Walser, had hij dit voorzien, zeker een glimlach en misschien een aardig feuilleton ontlokt zou hebben. Bij leven heeft hij moeten aanzien hoe zijn werk, ondanks de waardering van enige spraakmakende critici, voor een deel werd verramsjd, voor een deel verstofte in uitgeversmagazijnen en voor het overige deel niet eens meer werd uitgegeven, maar alleen nog in kranten en tijdschriften kon verschijnen. En aan het eind van zijn carrière, Walser was toen al tegen de vijftig, werden ook deze manuscripten steeds vaker geretourneerd.

Pas toen Walser al niet meer schreef, na zijn opname in de inrichting Herisau, waar hij de laatste decennia van zijn leven doorbracht, begon erdoor het onvermoeibaar ijveren van Carl Seelig een kentering op te treden: herdrukken verschenen, artikelen, en later zelfs studies en proefschriften. Met gepaste onverschilligheid heeft Walser steeds geweigerd kennis te nemen van deze late belangstelling.

De hier gepresenteerde keuze van twaalf teksten wil enigszins duidelijk proberen te maken waarom men in de tijd van verschijnen, ruwweg tussen 1900 en 1930, vaak lichtelijk bevreemd en hulpeloos naar dit werk gekeken heeft. Tevens wil zij een belangrijk, maar hier nog zo goed als onbekend schrijver voorstellen aan een Nederlands publiek. Het was uiteraard niet doenlijk uit enige duizenden pagina’s tekst er vijftien of twintig te kiezen die volledig representatief zijn voor het geheel. Getracht is daarom die bladzijden zo te kiezen, dat men er stukken in kan terugvinden van enkele lijnen die door het hele oeuvre lopen.

De duidelijkst zichtbare lijn, die al begint in het vroege werk, is Walsers taalgebruik. In de beste van zijn honderden feuilletons is dit een – iedere vertaler tot vertwijfeling brengende – mengeling van nonchalante omgangstaal, neutrale schrijftaal, stijfboordige stadhuistaal en gemaniëreerde kunsttaal, een en ander aangelengd met neologismen en typisch Zwitsers idioom.

Deze heterogene stijlelementen creëren als het ware een toestand van gewichtloosheid, waarin allerhande overgeleverde waarden aan het zweven gaan. En alle mededeelzaamheid en schijnbare babbelzucht ten spijt, kan men er alleen maar naar raden wat de goochelaar zelf denkt. Als Walser bijvoorbeeld ergens in naam van de brave burgermaatschappij een lui individu berispt, dan gebeurt dit op een toon die de lezer het aangenaam/ onaangename gevoel geeft er tussen genomen te worden. Er staat niet wat er staat. Maar evenmin is het uitgesloten dat Walser wel degelijk bedoelt wat hij zegt, dat er dus wél staat wat er staat, zij het in wat ongewone bewoordingen. Men kan dus niet volstaan met het omdraaien van dergelijke uitspraken om zo Walsers eigen meningen te vinden. Juist ook aan die onzekerheid, aan die soms vermoede maar zelden bewijsbare discrepantie tussen vorm en inhoud, ontleent Walsers proza een belangrijk deel van haar spanning.

Zoals elke bewuste stijl de uitdrukking is vaneen individueel gedachten- en gevoelsritme, zo is ook deze stijl kenmerkend voor bepaalde attitudes van Walser. Hij slaagt erin een geraffineerd kinderlijk perspectief op te roepen, dat in veel van zijn werk aanwezig is. In zijn eerste prozabundel, Fritz Kocher’s Aufsätze, is dit perspectief ook structureel duidelijk zichtbaar: een schooljongen reflecteert in een aantal verplichte opstellen over verschillende aspecten van de wereld (’de mens’, ‘de vriendschap’, ‘de armoede’, ‘de school’, etc.). Ook hier vindt men al die vreemdsoortige combinatie van conformisme (‘de meester heeft gelijk’) en eigenwijzigheid, die al zijn werk kenmerkt.

Het is niet verwonderlijk dat critici Walser meer dan eens een groot kind hebben genoemd. Maar daarbij hadden ze er zelden oog voor, dat die kinderlijkheid ten dele alleen maar vermomming is: een kind mag onverantwoordelijk zijn en er dingen uitflappen die een volwassene hoogstens waagt te denken. Door Walsers reputatie van verdroomd kind kon de lezer aanvankelijk ook regelrechte satires als het hier opgenomen ‘Basta’ over het hoofd zien, en evenmin had men in de gaten dat vele van de lieflijke idyllen die Walser lijkt op te roepen in werkelijkheid ‘anti-idyllen’ zijn, zoals de germa nist Jens Tismar ze in een verhelderend boek bestempeld heeft.¹ In sommige van zijn stukken prikt Walser bestaande pseudo-romantische cliché’s door (een bepaald genre liefdesverhalen bijvoorbeeld), maar in andere lijkt hij zelf weer van die idyllen op te bouwen. Plaatst men zo’n ‘idylle’ echter in het kader van het hele werk, en heeft men oog voor het bijna monomane waarmee dat idyllische steeds opnieuw wordt gesuggereerd, dan blijkt Walser minder een ervaren dan wel een gewenste werkelijkheid op te roepen. Achter de schijnbare harmonie gaat een wereld van weerloosheid, eenzaamheid, vertwijfeling schuil; alle orde, rust en vredigheid verkeert in een symbool van het tegendeel.

Veel van die idyllen worden opgeroepen tijdens wandelingen. Legio zijn de feuilletons waarin Walser feitelijk niets méér doet dan het impressionistisch beschrijven van een wandelroute; ‘Zondagmorgen’ is hier één voorbeeld uit vele. Met die wandelingen, veelal in de natuur, plaatst Walser zich letterlijk en figuurlijk buiten de gevestigde maatschappij: in de eerste plaats doordat hij letterlijk het stadsgewoel verlaat, richting platteland, en in de tweede plaats doordat men signaleert (verbaasde blikken, gefluister) dat hij wandelt, terwijl ieder ander werkt. (Wat voor Walser aanleiding is in o.a. ‘Der Spaziergang’ schuldbewust uit te leggen dat zijn wandelen eigenlijk werken is.) Deze wandelwoede, die bepaald geen literair bedenksel was, kan men opvatten als symbolisch voor Walsers positie ten opzichte van de burgermaatschappij: die van de buitenstaander. ‘Zo heb ik mijn eigen leven geleid, aan de periferie van het burgerlijk bestaan…’, merkt hij in juli 1941 op – hij zit dan al twaalf jaar in een inrichting – tegenover Carl Seelig, alweer tijdens een wandeling.

Op de meeste van zijn wandelingen gebeurt er niets, alleen de tijd verstrijkt en indrukken dienen zich aan; een boom, een passant, een huisje, een struik, een lucht. Later is het alsof Walser zich langzaam verliest in dergelijke waarnemingen: de observaties lijken gaandeweg steeds meer het subject te overspoelen, dat uiteindelijk alleen nog een enkele grillige kanttekening weet te plaatsen. Vooral in het proza van de jaren ’20, dat nog steeds onderwerp van discussie is (wél of niet pathologisch), wordt dit onmiskenbaar. Er treedt zoiets op als ideeënvlucht; er is geen bindend subject meer dat alle waarnemingen bijeenhoudt en de omringende wereld op ‘normale’ wijze structureert. (Men leze bijvoorbeeld ‘De eenzame’.)

Het is vermoedelijk geen toeval dat een zelfde tendens van zelfverlies in Walsers werk zich ontwikkelt uit het al genoemde kindperspectief. In het latere werk vindt men steeds duidelijker, soms zelfs pijnlijk duidelijk, aanwijzingen voor de sterk masochistische inslag van Walser. Het verlangen als page een vrouw te dienen, liefst een serveerster of dienstmaagd, het vragen om klappen en straf, en een ongebruikelijke belangstelling voor lederen dameslaarsjes, dit alles speciaal in het pas na Walsers dood gepubliceerde werk, wijzen onmiskenbaar in die richting. De levenshouding van de masochist is gebaseerd op de wens zijn eigen Ik ondergeschikt te maken aan dat van een ander en daarmee afstand te doen van iedere verantwoordelijkheid voor zichzelf. Zelfverloochening dus.

Deze twee lijnen van zelfverlies en zelfverloochening resulteren in Walsers verblijf in een tweetal inrichtingen, gedurende de laatste zevenentwintig jaar van zijn leven. Met kennelijk welbehagen schikte hij zich daar in de reglementen, schrobde vloeren, en wenste geen enkel voorrecht te genieten, ofschoon men hem die van harte gunde. Tegelijkertijd bleef hij een verbazend lucide indruk maken (daarvan getuigen ook Seeligs gesprekken met Walser, Wanderungen mit Robert Walser), wat wel speculaties in de hand heeft gewerkt als zou Walser zich welbewust uit de wereld hebben teruggetrokken; een keuze voor een (milde) vorm van ‘gekte’. Opmerkingen als: ‘Ik ben ervan overtuigd dat Hölderlin de laatste dertig jaar van zijn leven helemaal niet zo ongelukkig was als de literatuur-professoren het wel afschilderen. In een bescheiden hoekje voor je uit kunnen dromen, zonder voortdurend aan eisen te moeten voldoen, dat is bepaald geen marteling,’ – gemaakt in zijn inrichtingsperiode, geven inderdaad het nodige te denken.

Walsers opname moet voor hemzelf bijna als een bevrijding zijn gekomen. Een bevrijding van het gevecht om het dagelijks brood (Walser heeft nooit anders dan op de rand van de armoede geleefd); van het gevecht dat het schrijven voor hem was geworden (de laatste jaren leed hij in toenemende mate aan ‘schrijfkramp’); en ten slotte van de verwachtingen die het publiek van de literatuur had (‘ofwel je schrijft als Hesse, ofwel je bent een mislukkeling’). Van de verwachtingen die het publiek speciaal jegens hem, de altijd maar dromerige Walser, koesterde, had hij zich al proberen los te maken in stukjes als ‘Nou dan!’, die door hun ontregelend en vervreemdend karakter een eind vooruitwijzen in de literatuurgeschiedenis. Maar het publiek wenste niet ontregeld of vervreemd te worden; de kranten waarin Walser schreef kregen brieven van verontruste abonnees, en zo zag hij zijn publicatiemogelijkheden met de week teruglopen. Altijd al een eenzelvig mens, vereenzaamde hij steeds verder. Waldau lokte.

Voorgoed van zichzelf en de wereld bevrijd werd Walser pas zevenentwintig jaar later. Een laatste ironie: op 25 december. Tijdens een wandeling.

Beknopte chronologie
1878 Robert Otto Walser op 15 april geboren te Biel (Zwitserland).
1881-1892 Bezoekt de lagere school en enige klassen middelbare school.
1892-1895 Inde leer als bank bediende.
1895 Doet in Duitsland pogingen acteur te worden.
1898 Eerste publicatie: gedichten in een Berner zondagsblad.
1904 Eerste boek publicatie: Frits Kocher’s Aufsätze.
1905 Verhuist, na eerdere korte bezoeken, naar Berlijn.
1905-1913 Publiceert drie romans en enkele bundels korter proza, dat meestal eerst in kranten en tijdschriften verschijnt.
1913 Terugkeer naar Zwitserland. Woont op een zolderkamer in een hotel in zijn geboorteplaats, waar hij zevenjaar zal blijven.
1914-1920 Diverse prozabundels. Militaire dienst. Voltooit een roman die zoekraakt.
1921 Verhuist naar Bern. Als vele malen eerder verhuurt hij zich weer enkele maanden als kantoorbediende, c.q. adressenschrijver. Ditmaal als archiefbediende.
1925 Die Rose verschijnt, Walsers laatste boek.
1929 Laat zich na voorafgaande symptomen van psychische stoornissen opnemen in de ‘Heilanstalt’ Waldau, Bern.
1933 Overgeplaatst naar de inrichting Herisam, waar hij tot zijn dood zal blijven. Schrijft niets meer.
1933-1956 De Zwitserse criticus en latere voogd van Walser, Carl Seelig, weet herdrukken te bewerkstelligen van een aantal van Walsers werken, die dan al zo goed als vergeten zijn.
1956 Robert Walser overlijdt op 25 december tijdens een eenzame wandeling.

Bibliografische aantekening:
Robert Walser: Das Gesamtwerk. Herausgegeben von Jochen Greven. 12 dln. Suhrkamp Verlag, Zurich und Frankfurt am Main, 1978.
Carl Seelig: Wanderungen mit Robert Walser, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1977. (Eerste druk: 1957.)
Robert Mächler: Das Leben Robert Walsers. Eine dokumentarische Biographie. Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main. 1976. (Eerste druk: 1966.)
Katharina Kerr: Über Robert Walser. Herausgegeben von Katharina Kerr. 2 dln. Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1978. (Dit laatste boek bevat een nagenoeg volledige bibliografie.)

_____________________________________________

¹1Jens Tismar: Gestörte Idyllen. Eine Studie zur Problematik der idyllischen Wunschvorstellungen am Beispiel von Jean Paul. Adalbert Stifter, Robert Walser und Thomas Bernhard. Hanser Verlag, München 1973.