Toon Kort deed zijn naam eer aan, hij stak meer dan twintig centimeter boven zijn medestudenten uit. Vanuit die positie sloeg hij het leven op de academie voor beeldende kunst, waar hij zojuist was toegelaten, met stijgende verbazing gade.
Voor zijn toelating had hij zich proberen voor te stellen hoe het er op zo’n academie zou toegaan. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zou hij staan tekenen en schilderen. Stillevens, Griekse beelden, levende modellen, misschien wel naakt. Dat laatste had hij trouwens al meer gedaan. Kootje, zijn buurmeisje – gedrongen, pikzwart haar, cilindervormige benen en een schallende stem – was bereid voor hem te poseren als haar ouders tenminste niet thuis waren. Als tegenprestatie verlangde zij grammofoonplaten met klassieke muziek, want ze wilde later violiste worden. Toen hij die naaktstudies en wat schetsen van hondsdraf en jonge berenklauw op het toelatingsexamen aan een docent liet zien, had de man gelachen. Je kunt tekenen, had hij op vaderlijke toon gezegd, maar hier zul je toch uit een ander vaatje moeten tappen. Toon had ijverig geknikt. Daarvoor kwam hij tenslotte. Hij wilde alles leren wat er maar te leren viel op schilder- en tekengebied. Etsen leek hem ook schitterend. Urenlang kon hij in een boek met etsen van Rembrandt zitten bladeren. Al die fijne lijntjes waarmee de beweging van een moment in de tijd werd ingesponnen; mooi was dat.

De eerste dag op de academie zou hij niet licht vergeten. De directeur van de school had de nieuwe leerlingen toegesproken. Hij had erop gewezen dat dit geen academie in de klassieke zin van het woord was, maar een ‘werkplaats’. Van de leerlingen werd verwacht dat zij binnen het gebouw hun eigen weg zouden vinden en alles zouden aangrijpen dat kon bijdragen tot hun ontplooiing als beeldend kunstenaar.
Toon had nog nooit over zichzelf als beeldend kunstenaar nagedacht. Nu ja, stiekem wel eens, maar dat was meer iets voor later, als hij het vak eenmaal onder de knie zou hebben.
De man die schilderles gaf was een grove kerel met een puntneus en een zilveren ringetje in zijn linkeroor. ‘Het gaat erom jezelf vrij te maken,’ zei hij. ‘Vergeet alles wat je tot nu toe gedaan hebt en probeer gewoon de impuls van je hand te volgen.’
Dat had Toon geprobeerd. Hij was daarbij uitgegaan van een botensteiger niet ver van zijn ouderlijk huis. De verticale en horizontale lijnen van de steiger had hij met langzijdige driehoeken doorsneden. Zo leek het alsof zeilen zich uit de steiger losmaakten. Schoors, de docent, schudde meewarig zijn hoofd. Je zit nog volkomen vast aan de realiteit Toon, zei hij. Het lijkt nergens naar.
In de weken die volgden had Toon vergeefs uitgekeken naar gipsen beelden, stillevens of naaktmodellen. De andere leerlingen leken zich intussen wel te vermaken, als ze op kwamen dagen tenminste, want bij mooi weer waren er van zijn klas nooit meer dan een paar aanwezig. Zij volgden trouw de bewegingen van hun hand, sloegen conservenblikjes in elkaar, die ze vervolgens met een snijbrander onherkenbaar verminkten, of legden patronen van dode takken of kapotte paraplu’s in een hoek van het lokaal. Toon had er niet van terug. Toen Lagerwerf, de tekendocent, hem vroeg waarom hij toch steeds iets herkenbaars tekende, had Toon gezegd: zo zie ik het. Lagerwerf had zijn hoofd geschud en gezegd: ‘Misschien ben je wel iets voor Drijver.’
Drijver was ook een docent. Toon had hem nooit gezien. Dat kon kloppen, zei Lagerwerf, want Drijver zat in een dépendance, een paar gebouwen verderop.
Drijver gaf tekenen naar de waarneming in wat een oude garage leek te zijn geweest. Het rook er naar benzine en de wanden zaten vol zwarte olievegen. Her en der stonden wat tekenborden. Voor in de garage had Drijver een geïmproviseerd podium gebouwd waar de ene week een naaktmodel opstond, de andere week een tafel met voorwerpen, fruit of bloemen. Drijver zei nooit veel. Het leek een sombere man die over de rest van de academie sprak als ‘die daar’. Omdat Toon en een mager meisje met lange rode vlechten zijn enige leerlingen waren, ontstond er tussen Elena, Toon en Drijver een lichte vriendschapsband. Drijver liet zelfs een keer een paar tekeningen van zichzelf zien: nauwkeurig getekende lichamen die zich tussen de bakstenen van een muur naar buiten probeerden te worstelen. – Drijver vertelde dat hij twee jaar geleden als leraar kunstgeschiedenis op de academie was aangenomen maar dat dat vak bij gebrek aan belangstelling door de directie was geschrapt. De leerlingen hadden bij de directeur geklaagd dat de kennis van het verleden hen bij hun zelfontplooiing in de weg zat. Maar Drijver kon het doceren niet laten. Hij nam boeken voor hen mee, – samen bezochten ze tentoonstellingen of gingen ze naar de nabij gelegen dierentuin om er te tekenen. En zo had Toon toch nog het gevoel iets te leren. Hij droomde wel eens van de etsen van Piranesi, een kunstenaar die Drijver boven alles en iedereen bewonderde.
Voor zijn overgang knutselde Toon braaf met de rest van de groep mee. Zo maakte hij een Afrikaans masker met een stofzuigerslang die uit de mond hing, een streng haar in een plasje olie en een pop met verbrand stro beplakt. Moeiteloos haalde hij zo na vier jaar zijn diploma.
In de laatste week voor hij de school zou verlaten kregen ze een aantal lessen van een gastdocent, Jos Knoop, die hen wegwijs maakte in de presentatie van hun werk en het verkrijgen van de nodige subsidies.
De presentatie van je eigen werk was volgens Knoop van het grootste belang. Slordig ingelijst of beduimeld werk maakte bij geen galerie een kans. En daar ging het om, zo gauw mogelijk een tentoonstelling bij een galerie te krijgen want pas na drie tentoonstellingen kwam je in aanmerking voor een startsubsidie of een stipendium.
Twee maanden lang zat Toon thuis naar zijn handen te kijken. Op zijn kamer hoorde hij de zagen in zijn vaders meubelmakerij achter het huis gillen. Wat nu jongen, had zijn vader, ruikend naar hars en zaagsel, gevraagd. Ik ben kunstenaar, had Toon geantwoord. We zien wel. Soms dacht hij aan Kootje die naar Amsterdam vertrokken was om er viool te studeren aan het conservatorium. Eigenlijk was Kootje een lelijk meisje. Dat vonden de mensen van het stadje, maar voor Toon was ze een bron van geheimzinnigheid. Hij droomde van de plooi in de binnenkant van haar elleboog; hoe die in schaduwen vergleed als ze haar arm bewoog; hoe aan de uiteinden van haar wenkbrauwen een paar zwarte haartjes vergeefs de kop op probeerden te steken; haar lippen, hoe die van inspanning rimpelden als ze de strijkstok op de kam van haar viool zette. Hij begon Kootje brieven te sturen; lange openhartige brieven waarin hij haar schreef dat de onderwerpen in hem zaten opgesloten, als bollen in de grond. Ik heb een eigen ruimte nodig, schreef hij. Thuis word ik tureluurs van die gillende zagen van mijn vader en mijn moeders bonkende voetstappen. En Kootje schreef terug. Je moet naar Amsterdam komen. Hier gebeurt het allemaal. Ze zou op zoek gaan naar een atelier, schreef ze. Ze kende een paar schilders. Ze maakte een grapje over zijn lengte en de maten van zijn toekomstige atelier. Kootje maakte makkelijk kontakt met mensen. Na anderhalve maand schreef ze dat ze een atelier voor hem gevonden had, tien meter hoog. Een oud klaslokaal, voor weinig geld. Ze had ook al met een galeriehouder gesproken, die wel geïnteresseerd leek. Misschien kun je die naakttekeningen exposeren. Toon glimlachte. Kootje moest maar viool blijven spelen, vond hij.

Het atelier bevond zich in een oud schoolgebouw, niet ver van het Centraal Station. Aan weerskanten van Toons atelier werkten ook kunstenaars, maar Toon zag ze zelden. Hij hing wat werk uit zijn academietijd aan de witgesausde muren, zette zijn ezel op en spande een doek. Ergens binnenin hem gistte het. Het gaat om het gebaar, had Schoors gezegd, de spontaniteit van de eerste, ongecontroleerde beweging. Toon doopte zijn penseel in een potje ultramarijn, keek een ogenblik door zijn oogharen naar het maagdelijke doek en zette er toen een fikse haak op. De verf droop in dunne sliertjes over het doek naar beneden. Lange, ultramarijne beentjes leken het, aarzelend op zoek naar houvast. Hij liet ze uitdruipen en voorzag de beentjes van oranje schoenen. De haak liep nu. Hij begon de achtergrond in te schilderen, een duinlandschap met aan de horizon een vuurtorentje in rood en wit.
Zo leerde Toon te vertrouwen op zijn intuïtie, de snelle, onberekenbare veeg, die de weg effende naar taferelen die hij niet herkende, maar die toch uit hem waren ontsproten. Een smeltend flatgebouw, een kuil volgestapeld met melkemmers, een naakt meisje dat een automatiek binnenzweefde. Hij had het gevoel dat de bollen de grond uitkwamen, dat deze schilderijen de eerste bloemen van zijn verbeelding waren.
Op een middag belde hij het nummer van de galerie die Kootje hem had opgegeven, Galerie De Toorts. Meneer Zwart is op het ogenblik niet aanwezig. Ik zal u zijn nummer thuis geven, zei een meisjesstem.

Zwart had een donkere lok in zijn verder blonde haar laten verven. Hij keek zonder veel belangstelling naar de uitgerolde doeken, knikte en pakte zijn agenda. Over vier weken, zei hij. Je boft. Er is net een kunstenaar uitgevallen. Een maand exposeren kost duizend gulden. Daar komt nog eens vijfhonderd gulden voor de uitnodigingen en de receptie bij. Als er wat verkocht wordt, reken ik veertig procent. En oja, je zorgt natuurlijk zelf voor iemand die overdag op de winkel kan passen want daar heb ik het te druk voor. Dan zou ik nu alvast een borg van driehonderd gulden willen ontvangen, zei Zwart en klapte zijn agenda dicht. Toon schreef een cheque uit. Hij had geen idee hoe hij aan de rest van het geld moest komen. Sinds hij in Amsterdam woonde leefde hij van een uitkering.
Vraag toch aan je vader, zei Kootje, wier vader huisarts in ruste was. Toon aarzelde. Kootje hield aan. Ze hielp hem met het opstellen van een brief. Tot Toon’s verbazing stond het geld tien dagen later op zijn giro. Samen met Kootje maakte hij een lijst van mensen die voor de vernissage moesten worden uitgenodigd. Naast zijn familieleden stonden er veel vrienden en vriendinnen van Kootje op, die had aangeboden die maand in de galerij te komen zitten. Of ik nu thuis studeer of daar, had ze gezegd.

De vernissage werd druk bezocht. Toon kende de meeste mensen niet. Een tante van hem kocht een schilderij. Zwart plakte er meteen een rode stip naast. Gefeliciteerd, riep hij en sloeg Toon op zijn schouder. Maar daar bleef het bij. Kootje studeerde een maand lang études zonder dat er ook maar iets werd verkocht. Op de laatste dag van de expositie kreeg hij nog tweehonderd gulden van Zwart van het schilderij dat zijn tante zo mooi vond. Even aarzelde hij, toen vroeg hij Kootje mee uit eten.
In het restaurant legde Kootje haar delicate vingertjes op zijn hand. ‘Die Zwart is een profiteur,’ zei ze. ‘Hij heeft dat pand indertijd gekocht om er zijn studerende kinderen in te zetten. Van het leegstaande winkelpand eronder heeft hij een galerie gemaakt. Hij weet dat er legio mensen zoals jij rondlopen die te springen zitten om een expositie. Nou, die verkoopt hij je. Kompleet met alles erop en eraan.’
Toon keek Kootje aan. ‘Hoe weet jij dat,’ vroeg hij.
‘Een schilder die daar ook geëxposeerd heeft, heeft me dat op een middag verteld,’ zei Kootje. ‘Die Zwart heeft gewoon een gat in de markt ontdekt, zei die jongen. WVC eist drie exposities voordat je voor een stipendium in aanmerking komt. Nou dat heeft die man goed begrepen. Handige Amsterdammer.’
‘Je moet lid van Arti worden,’ zei ze ferm toen de tiramisu werd gebracht. Arti? Kootje beschreef de kunstenaarssociëteit aan het Rokin in geuren en kleuren. Zelf was ze er geen lid van, maar veel van haar schildersvriendjes wel. ‘Daar ontmoet je mensen uit de kunstwereld. Ik zal wel zorgen dat ze je voordragen.’
Een paar maanden later kreeg Toon bericht dat hij als lid van Arti was aangenomen. Ook dat kostte weer driehonderdvijftig gulden, die hij zolang van Kootje leende.
Arti was een plechtige ruimte waarin stokoude mannen met hun eten zaten te knoeien of pogingen deden hun moyenne op het biljart te verbeteren. De jongere mensen die er kwamen keurden hem geen blik waardig en Toon was te verlegen om kontakt te zoeken. Vaak ging hij aan een tafeltje zitten van waar hij zicht had op een groot doek van Breitner.
Op een middag kwam een man met rood haar naast hem zitten en keek met hem mee naar het schilderij. Uit het vestzakje van zijn lichtgrijze colbert stak een satijnen pochet. ‘Tja, die tijd is voorbij,’ zei de man, op het schilderij wijzend. ‘Moet je tegenwoordig op de Looiersgracht komen.’
Toon nam een slok van zijn pils om niet direct te hoeven antwoorden. Breitner was een soort goedheid voor hem. Daar zag je het, vrijheid en compositie ineen. Hoe die man die logge olieverf naar zijn hand had weten te zetten. Zoals die gebogen kop van het paard was geschilderd. Je voelde de kracht van dat paardelijf.
‘Zeker ook schilder?’
Toon knikte nog steeds zonder de man aan te kijken. Opeens lag er een visitekaartje voor zijn neus. L.J. de Goor – Art Unlimited stond erop. Rokin 72. Hij keek van het kaartje naar het gladgeschoren gezicht van de man, die zijn hand uitstak. ‘Zeg maar Leo,’ zei hij. Toon stelde zich voor. De man vroeg naar zijn werk, waar hij zijn atelier had.
‘Kan ik een keer op atelierbezoek komen? Ik kan niks beloven, maar als ik er iets in zie hang je binnenkort aan de overkant.’ De man wees met een ruim gebaar naar buiten.

Toon had de schilderijen van de afgelopen maanden en wat oud werk aan de muren van zijn atelier gehangen. Het hing er niet fraai, maar iemand die verstand van kunst had zou daar wel doorheen kijken.
De Goor was in het gezelschap van een jongedame in een half doorschijnende pauwblauwe japon. Leo stelde haar voor als Marion, zijn secretaresse. Toon wilde koffie zetten, maar de Goor wimpelde dat voorstel luchthartig weg. ‘We gaan straks wel even ergens lunchen,’ zei hij, stak een sigaret op en humde goedkeurend terwijl hij van het ene schilderij naar het andere liep. ‘Heel bijzonder,’ hoorde Toon hem tegen Marion zeggen, die beurtelings van haar nagels naar de schilderijen keek. Ze bleven lang staan voor een groot schilderij van een koe omringd door kleine schilderijtjes van weidelandschappen. Hoe heet dat doek, wilde Leo weten.
‘De kunstenaar is een koe,’ zei Toon. ‘Vrij naar Achterberg.’
Leo zweeg. Marion fluisterde iets in zijn oor. ‘O, de dichter,’ zei Leo toen en trapte zijn peuk op de grond uit. ‘Heel goed. Heel goed zeg.’
Tijdens de lunch in een Italiaans restaurant in de buurt haalde Leo een planmaster tevoorschijn. Marion fixeerde Leo met haar lichtblauwe ogen. Hij werd er een beetje draaierig van. ‘Wat denk je van half augustus?’ Toon knikte. ‘Marion komt volgende week wel langs om de schilderijen op te halen.’
Toon informeerde voorzichtig naar de kosten.
‘Kosten?’ Daar moesten Marion en de galerie-eigenaar hartelijk om lachen. Kosten! Nee, die was goed zeg.
‘Art Unlimited verzorgt alles,’ zei Marion en ze glimlachte zo lief dat Toon knikte alsof dat vanzelfsprekend was.
‘Wat we verkopen gaat voor 50% naar ons en voor 50% naar jou,’ zei Marion.
Leo knikte. ‘Dat lijkt veel, maar als je bedenkt dat wij echt de boer op gaan met je werk. Wij weten precies waar de potentiële kopers zitten. Bankiers, notarissen, tandartsen, dat soort volk.’
‘We hebben een enorm bestand,’ zei Marion. Ook zij haalde nu een agenda uit haar tas.
‘Moet mijn werk dan nu al de deur uit,’ zei Toon. ‘Het is pas begin juli.’
‘Je denkt toch niet dat we tot de opening wachten met de verkoop. Als er op de opening al het een en ander verkocht is, trekt dat juist nieuwe kopers aan. Mensen zijn altijd bang de boot te missen.’
Marion knikte.

Amsterdam in juli was een heel andere stad dan toen Toon er in januari was komen wonen. De Amsterdammers waren vertrokken en toeristen hadden hun plaats ingenomen. Voortdurend werd Toon aangeklampt door mensen die de weg wilden weten naar het Anne Frankhuis of het Fen Koch museum. Het was warm, drukkend weer. – ’s Avonds onweerde het zo nu en dan. De meeste tijd bracht Toon in zijn nu lege atelier door. Zijn kollega’s in de lokalen naast het zijne waren ook vertrokken.
Hij keek naar de lege muren en naar zijn lege ezel, maar kon maar niet tot werken komen. Soms staarde hij even naar de ouderwetse, zwarte telefoon. Kootje was met een vriendin naar de Pyreneeën. Zo nu en dan belde hij Art Unlimited, maar daar nam niemand op of hij kreeg een antwoordapparaat waardoor Marion meldde dat er momenteel niemand aanwezig was. Nooit liet hij een boodschap achter. Hij had eigenlijk ook niets te vertellen.
Zo nu en dan bladerde hij door de paar kunstboeken die hij bezat. Hij bewonderde de blijmoedigheid van Matisse, de vlinderlichte interieurs van Bonnard, de ijle potjes en vazen van Morandi, die onder je blik in het licht leken op te lossen. De schilderkunst staat in dienst van het licht. Dat had hij eens ergens gelezen. Het gaat om het schilderen van een innerlijk beeld. Dat had de Amerikaanse schilder Edward Hopper gezegd.
Maar het licht in zijn atelier leek Toon zwaar en verzadigd en hoe hij ook bij zichzelf naar binnen keek, een innerlijk beeld kon hij er niet ontwaren.
Op een ochtend, nadat hij per ongeluk zout in plaats van suiker in zijn koffie had gedaan, smeet hij een doek vol verf. – Met een plamuurmes trok hij brede banen over het doek. Aan tafel in een hoek van zijn atelier keek hij naar het resultaat. Was dit het ultieme gebaar, de volstrekte spontaniteit, niet gehinderd door enige intentie? Hij schudde zijn hoofd, stond op en sneed het doek aan stukken. Abstrakte kunst, dat was kapitulatie voor het toeval, anoniem en verwisselbaar. Nee het ging erom het toeval naar je hand te zetten, zoals Francis Bacon ergens in een boek met interviews had gezegd. Soms dacht hij met heimwee aan zijn academietijd toen niemand eisen aan hem had gesteld en ieder ideetje met gejuich werd begroet door docenten die zelf niet konden tekenen of schilderen.
Toon knipte een plattegrond van Amsterdam in stukken, plakte ze op een doek en schilderde er een naakte vrouwenfiguur overheen. Het was wel geen innerlijk beeld, maar zo voelde hij zich wel.
Toen Kootje opbelde dat ze terugwas en vroeg of hij goed had gewerkte, keek hij een ogenblik naar de witte muren en zei toen: ‘Ik ben bevroren.’ Ze begreep niet wat hij bedoelde. Toen ze de volgende dag op zijn atelier kwam en de lege muren zag streelde ze even met een bruin handje over zijn magere arm.
‘Dat heeft iedere kunstenaar wel eens,’ zei ze. ‘Je zult zien, na je tentoonstelling.’ Over twaalf dagen. Had hij de uitnodiging al binnen? Hij schudde zijn hoofd. Art Unlimited was nooit te bereiken. Maar die uitnodigingen moeten vandaag de deur uit hoor, zei Kootje. Kom, we gaan erheen. Nu? Nu!

Het gebouw aan het Rokin was een statig kantoorpand uit de tijd van de Amsterdamse School. Op de vierde etage was ‘Art Unlimited’ gevestigd. Ze namen de lift en stonden even later voor een matglazen deur. Kootje klopte. Toen er niet werd opengedaan, drukte Kootje de kruk kordaat naar beneden. Ze betraden een groot licht vertrek met een aantal lege tafels en buro’s. Achter een buro voor het raam zat Marion voor een computerscherm. Ze draaide zich om en glimlachte toen ze Toon achter Kootje zag oprijzen. ‘Ik had jullie niet gehoord,’ zei ze. ‘Sorry.’
Kootje kwam meteen terzake. Zo was ze nu eenmaal. Het beviel de mooie Marion niet, dat kon je zien. ‘Wie ben jij eigenlijk,’ vroeg ze. ‘Ik ben Kootje,’ zei Kootje harder dan nodig. ‘Ik vertegenwoordig de kunstenaar. Nou, zijn die uitnodigingen nu de deur uit of niet?’
Marion zweeg en streek een lok van haar blonde haar van haar voorhoofd. ‘De tentoonstelling is uitgesteld,’ zei ze. ‘Ik dacht dat Toon wel met vakantie zou zijn, vandaar dus.’
‘Vandaar,’ zei Toon. ‘Waar zijn mijn schilderijen?’
‘Die staan uit,’ zei Marion, liep naar de computer en drukte wat toetsen in. ‘Hier, kom maar kijken. Alle schilderijen zijn op zicht bij cliënten van ons.’
Ja, daar stonden ze op het scherm, de titels die hij op een middag met een fels wijn achter de kiezen aan zijn doeken gegeven had.
Een liter is een liter. Veel is het niet. Na wanhoop de SRV-man. Laat eens wat van je horen. De kunstenaar is een koe. Vrijaf (Snipperdag).
‘Aan het eind van de maand benaderen we onze cliënten opnieuw. Ik schat dat we dan zo’n vijf, zes doeken zullen hebben verkocht. De rest hangen we dan in september hier beneden in de galerie.’
Toon keek eens om zich heen. Een chic kantoor. Dat moest gezegd. Een Corneille en een Appel aan de muur. Dure archiefkasten. Een veldboeket op een van de tafels en in een wandmeubel een collectie dure drankflessen. Misschien had Marion gelijk en moest hij wat meer geduld oefenen. Ook Kootje leek te aarzelen. ‘We houden kontakt,’ zei ze.
Waar Toon de brutaliteit vandaan haalde begreep hij achteraf zelf ook niet, maar hij vroeg Marion opeens om een voorschot van vijfhonderd gulden. Zelfs Kootje keek verbaasd. De enige die het heel gewoon leek te vinden was Marion. Ze verdween in een kantoortje achter het vertrek en kwam even later met vijf briefjes van honderd terug. Spiksplinternieuwe. Al in de lift betaalde hij Kootje het geleende bedrag terug.

Augustus verstreek, september kwam. Van Art Unlimited geen woord. De telefoon werd niet opgenomen en als Toon langs het kantoor ging was het gesloten. Ook in Arti kwam hij Leo de Goor niet tegen. De barman schudde zijn hoofd. Nee, meneer de Goor had hij al maanden niet meer gezien.
Toon realiseerde zich dat hij twintig schilderijen uit handen had gegeven zonder te weten waar ze naar toe gegaan waren. Wie waren die cliënten van Art Unlimited eigenlijk?
In de hal van het kantoorgebouw aan het Rokin was het bordje van Art Unlimited verwijderd. Ook nu weer nam Kootje het initiatief. Ze stapte naar een advocaat, een vriend van haar vader. Na veertien dagen kreeg ze een uitgebreide brief van de advocaat. Art Unlimited bestond niet op het aangegeven adres. Ook bij de Kamer van Koophandel was de galerie niet ingeschreven. Leo de Goor en Marion leken van de aardbodem verdwenen. ‘Ik ben bang dat ik weinig voor uw cliënt kan doen,’ besloot de advocaat zijn brief, ‘aangezien uw cliënt geen enkel bewijsstuk van de overdracht van zijn schilderijen kan overleggen.’ Het speet hem. Dat wel.

Toon leek ontroostbaar. Kootje had werkelijk medelijden met hem. Eerst overdacht ze met hem naar bed te gaan om hem uit zijn depressie te halen, maar toen bedacht ze iets beters.
‘Ik ga weer voor je poseren,’ zei ze en ze voegde de daad bij het woord.
Toon zat aan de tafel in zijn atelier en keek naar haar gedrongen gestalte met het pikzwarte oksel- en schaamhaar. Hij stond op.
‘Ga daar maar zitten, op dat kistje. Je handen om je knieën.’
Met houtskool begon hij haar lichaam op te zetten. Daarna vroeg hij haar wijdbeens op een stoel te gaan zitten. Hij keek naar haar openstaande roze schaamlippen. Grint, dacht hij, grint moet eruit komen. Haar huid vol steentjes, kippeveren. Gevaarlijke naakten moeten het worden.
In een paar dagen maakte hij zo de opzetten voor tien doeken waarin Kootje in steeds agressievere poses stond afgebeeld. De invulling kwam later wel zei hij. Kootje zag er moe en afgemat uit.
Na een week zei hij dat ze niet meer hoefde te komen, niet om te poseren dan. ‘Ik weet nu wat ik wil,’ zei hij. ‘Is de bol de grond uit,’ vroeg ze. Hij knikte.
De volgende dag nam hij de trein naar Zandvoort en verzamelde twee grote plastic zakken vol schelpgruis, zand en kleine steentjes. Kootjes lichaam zette hij in aardkleuren op. Dijen, ellebogen, de schaamstreek en de voeten streek hij daarna met tweecomponenten-lijm in en strooide er toen schelpgruis en zand overheen.
De lichamen zagen er nu uit alsof ze net opgegraven waren. Lelijke, afstotende schilderijen waren het. En hoe lelijker en afstotender ze werden, des te meer plezier leek Toon in zijn werk te krijgen. Terwijl hij de donkere vormen van haar lichaam, dat zich over leek te geven aan kolieken en spastische aanvallen, opvulde met gruis en grint draaide hij op volle sterkte het ‘Requiem’ van Mozart en de ‘Negende’ van Mahler, die hij van Kootje cadeau had gekregen.
De volgende dag klopte er iemand op de deur. Hij deed open en keek neer op een Italiaans uitziende jongen in een t-shirt en spijkerbroek. Hij herkende hem, het was de kunstenaar die naast hem woonde. Muis heette hij. Adolf Muis, of eigenlijk: Mues. Hij was Zwitser van origine en sprak Nederlands met een zwaar accent. Muis vroeg of de muziek wat zachter kon, ook hij was tenslotte bezig, en liep toen zonder iets te vragen langs hem heen het atelier binnen. Aan de muren hingen de veenbruine naakten.
‘Gotferdomme,’ mompelde Muis en stak zijn handen in zijn zakken. ‘Dat is zeer gheil Toon, zeer geheil.’
Toon stond er zwijgend bij. Hij had geen idee wat hij nou precies geschilderd had. Tijdens het schilderen had hij geen ogenblik nagedacht over spontaniteit, het eerste gebaar of over een innerlijk beeld; hij had ze gewoon gemaakt, in een mengsel van woede en opwinding. Het zand kraakte onder Muis’ gevlochten leren schoenen.
‘Heb je al een galerie,’ vroeg Muis nadat hij zich eigenhandig een glas wijn had ingeschonken. Toon begon schamper te lachen, maar besloot het verhaal over Art Unlimited toch maar voor zich te houden. Hij schudde zijn hoofd.
‘Ik weet wel zeker dat mijn galerie seehr geïnteresseerd zou zijn. Jak. Ken je galerie Jak?’
Toon knikte. Die naam was hij wel eens in de krant tegengekomen. ‘Zitten die niet in de Spuistraat?’
Muis bood aan hem te introduceren bij Nico Schaap, de eigenaar. Nico was vroeger persfotograaf geweest, dus die had een scherp oog voor het actuele, zei Muis. Hij zou hier vast helemaal kaputt van zijn.

Twee dagen later kwam Nico Schaap op bezoek met Muis in zijn kielzog. Muis had niet overdreven. Nico raakte binnen een kwartier in totale vervoering, daarbij aangemoedigd door Muis, die zijn uiterste best deed zijn galeriehouder van het vernieuwende van Toons werk te overtuigen. ‘Bedeutender als Beusch,’ hoorde Toon hem tegen Schaap zeggen. ‘Mit der intimität van Kitaj’s late naakten. Dat is also een deal?’
‘Uiteraard,’ zei Nico en overhandigde Muis zijn portemonnee.
‘Ik ga even whisky halen,’ riep de kleine Zwitser en verliet met de portemonnee schielijk het atelier.
Nico Schaap ging tegenover Toon aan tafel zitten. Hij vroeg of Toon wel eens eerder had geëxposeerd. Eigenlijk niet, zei Toon. Mijn eerste expositie heb ik zelf betaald en de tweede is nooit doorgegaan.
‘Dan wordt dit je doorbraak jongen,’ zei Nico, met iets van ontroering in zijn stem. ‘15 oktober. Ik moet er een paar andere tentoonstellingen voor opschuiven, maar dit werk is zo sensationeel, dit gaat voor.’
Schaap scheen werkelijk onder de indruk te zijn. ‘Je kunt echt goed tekenen,’ zei hij, ‘dat die je tegenwoordig niet vaak meer.’
‘Ik heb les gehad van Drijver,’ zei Toon. ‘Die moest niks van dat moderne gedoe hebben, maar tekenen kon hij wel.’

Toon had Kootje meteen met het goede nieuws gebeld. Ze klonk blij en gereserveerd tegelijk. ‘Ze lijken toch niet te erg,’ vroeg ze bezorgd.
‘Welnee,’ zei Toon, ‘het zijn innerlijke beelden, geen plaatjes van jouw lichaam.’
Een paar dagen later kwam Nico de schilderijen fotograferen voor de katalogus. Hij had een kontrakt bij zich waarin Toon alle schilderijen moest beschrijven met titel en formaten. Titels? Daar had hij niet over nagedacht.
Moet dat dan, vroeg Toon. Liever noemde hij de schilderijen gewoon schilderij. Of desnoods compositie. Taal, dat hoorde niet bij een schilderij. Of hoogstens in zijn meest directe, descriptieve vorm, zodat de beschrijving en het beeld direct naar elkaar verwezen. Man in stal. Vrouw in bad. Zoiets. Maar Nico was het daar niet mee eens.
‘Titels verkopen,’ zei hij op kennerstoon. ‘Wat dacht je van ‘Grintnaakt, Zandnaakt, Veennaakt, Geschuurd naakt?’
Toon vond het best en keek ondertussen naar zijn schilderijen. Ja, het waren lelijke schilderijen. Daar kon geen twijfel over bestaan. Maar ze hadden de aantrekkelijke weerbarstigheid ban iets dat zich niet gewonnen wilde geven. Op de een of andere manier school er een visueel onneembare restwaarde in de doeken die de vrouwenlichamen onaanraakbaar maakte, trots. Ze mochten dan niet mooi zijn, ze waren wel van hem, van Toon Kort, of T.K. zoals hij rechts onder elk doek had gesigneerd.

Pas op de opening zag Toon dat zijn doeken vijftienduizend gulden per stuk moesten opbrengen. Was dat niet een beetje veel? Nico schudde zijn hoofd, legde zijn vinger op zijn lippen en wees op de mannen en vrouwen die zich voor de opening in de galerie verzameld hadden, een glas witte wijn of spa in de hand. Ze droegen sportieve, dure kleren. Over de arm van enkele vrouwen bungelde nonchalant een vosje.
Nico stelde hem aan een aantal van zijn ‘cliënten’, zoals hij ze noemde, voor. De vrouwen keken hem vanachter het masker van hun make-up besluiteloos aan, de mannen pompten aan zijn hand alsof die er na het zien van deze schilderijen maar het beste afgerukt kon worden.
Toon keek een beetje ongelukkig om zich heen. Hij kende niemand. En waar was Kootje? Zou ze toch bang zijn dat de mensen haar zouden herkennen, zoals ze daar modderig en vol zand in bizarre poses aan de muur hing? Toon nam nog maar een glas van de wrange witte wijn.
En waar was trouwens de katalogus?
Daar zei hij zowat. Helaas, helaas. De drukker had het zo uitdrukkelijk beloofd. Maar er was een machine kapotgegaan. Volgende week zou hij er zeker zijn. Nico beloofde dat hij zijn beste cliënten er alsnog een zou doen toekomen.
Achter in de galerie stond een door Corneille hoogstpersoonlijk beschilderde vleugel. Corneille had een vast contract met galerie Jak, had Nico hem eerder en niet zonder trots verteld. Iedere opening kwam er wel iemand op hem af die die vleugel wilde kopen, maar Nico verkocht haar niet. Ze hoorde bij de galerie; als een soort handelsmerk, zei hij.
Een oudere dame met o-benen en een gebreide tas betrad het pand. ‘Ah, daar is Marie,’ zei Nico en stapte op de bebrilde dame af. ‘Fijn dat je er bent.’
De dame knikte kort en beende meteen door naar de vleugel. Ze trok haar donkerblauwe regenmantel uit en drapeerde hem over het instrument. Uit haar tas haalde ze een dik muziekalbum. Sonates van Mozart zag Toon. Nico pakte hem bij zijn hand en stelde hem aan de dame voor. ‘Dit is de kunstenaar, Marie,’ zei de galeriehouder. Marie knikte en zette het muziekalbum op de standaard. ‘Ik heb bijpassende kousen aangetrokken,’ zei ze tegen Nico. Nu zag Toon het ook. De vrouw droeg Corneille kousen om haar spillige benen, waarmee ze een paar keer fors op de vloer trapte alvorens enkele tempi te laat een Mozartsonate in te zetten. Kakelbonte vogels en tropisch gebladerte schoven ritmisch over Marie’s rimpelige dijen op en neer.

Veel mensen wierpen slechts een vluchtige blik op de tentoongestelde schilderijen waarna ze met een flauw handgebaar in Nico’s richting de galerie weer verlieten. Toon keek op zijn horloge. Half vier. Moest hij hier echt tot zes uur blijven? En waar bleef Kootje? Nico wenkte hem.
‘Kom even mee naar het kantoor,’ zei hij. Zou er misschien iets verkocht zijn? Nico deed de deur van het kantoortje naast de galerieruimte voorzichtig achter zich dicht. ‘Luister Toon,’ zei hij. ‘Ik vind het fantastisch werk wat je maakt, maar het slaat niet aan. Er is niets verkocht.’
‘Maar de tentoonstelling is pas anderhalf uur open,’ zei Toon.
‘Als ik het eerste uur niets verkoop is dat een teken aan de wand,’ zei de galeriehouder en stak een sigaret op. ‘Neem dat maar van mij aan. Ik ken mijn pappenheimers. Ik geef je nog een week.’
Toon begreep hem niet.
‘Dan hang ik wat litho’s van Corneille op,’ zei Nico. ‘Die verkopen altijd.’
‘Misschien zou er iets van de prijs af moeten,’ zei Toon voorzichtig. ‘Ik vind ze zelf ook nogal duur.’
‘Ben je gek,’ zei Nico. ‘Die dingen hebben precies de prijs die ze hebben moeten.’
Toen Toon het kantoortje uitkwam zag hij Muis staan, in geanimeerd gesprek met een vrouw met geblondeerd opgestoken haar. Ze legde net haar arm in een vertrouwelijk gebaar om Muis’ schouder. Dat zou bij mij niet gaan, dacht Toon en stak zijn hand groetend omhoog.
‘Hangt mooi,’ zei Muis en stelde hem aan de dame voor. ‘Ik ben Mieke Straat,’ zei de vrouw, ‘echtgenote van meester Jippe Straat. Mijn man kon helaas niet komen. Nico heeft altijd zulke interessante schilders. Laatst nog. Ook zo’n jonge jongen. Kom, hoe heette die nou ook alweer?’
Omdat Toon niet naar haar luisterde, pakte ze zijn hand.
‘Ik vind uw schilderijen heel imposant,’ zei ze, ‘maar ons huis hangt al helemaal vol. Daar heeft Nico wel voor gezorgd. Die kan verkopen hoor.’ Ze lachte schel.
Nu pas merkte Toon dat de vrouw een beetje dronken was. Achter hem voltrok Marie het vonnis over Mozart. ‘Heb je geen pils,’ klonk een sonore stem. ‘Ha Buizerd,’ hoorde hij Nico roepen. Toon draaide zich om. Een bebaarde man met toefjes haar die als mos uit zijn oren groeiden hief zijn grove handen boven zijn hoofd en schudde zijn langgerekte schedel. ‘En jij bent Toon Kort,’ riep hij met stentorstem. ‘Ja meneer Buizerd,’ zei Toon.
Buizerd trok hem mee naar een hoek van de galerie die nu steeds leger werd.
‘Marie, zachter,’ riep Buizerd die hier kennelijk kind aan huis was. Daarna wendde hij zich tot Toon. ‘Jongen,’ zei hij, ‘laat ik je als oude rot in het vak een paar dingen zeggen. Dit is allemaal heel aardig, maar aan een kut vol zand hebben de mensen geen boodschap. Die hebben ze zelf al.’ Buizerd hinnikte en pakte ondertussen een pils van Nico Schaap aan, die achter Buizerds rug naar Toon gebaarde dat hij de uitspraken van de oude schilder maar niet al te serieus moest nemen.
‘Die lui die hier kopen,’ zette Buizerd zijn betoog voort, ‘zijn net aan Cobra toe. Een beetje leuke wilde beesten voor boven de bank. Neem het nou van mij aan, je moet het volgende keer een beetje decoratiever aanpakken. Dan kan je nog veel aan Jak hebben.’

Er waren nu bijna geen bezoekers meer in de galerie. Kootje hing daar verlaten en bloot aan de witte wanden. Toon kreeg bijna medelijden met zijn eigen schilderijen. In plaats van een maand zouden ze hier maar een week hangen.
‘Ik ga alvast naar het café op de hoek,’ zei hij tegen Nico die net Marie vijfentwintig gulden in de hand stopte. ‘Ik kom zo,’ zei Nico.
Toon aarzelde even. Toen zei hij: ‘Jammer van die katalogus.’
Nico haalde zijn schouders op. ‘We hebben nog een volle week,’ zei hij, ‘wie weet wat er nog allemaal gebeurt.’
Toon ging het café ‘Het Knipperlicht’ binnen en keek er met een paar verspreide bezoekers aan de bar naar een basketballwedstrijd. De spelers hadden allemaal zijn lengte. Vol bewondering keek hij naar het gemak waarmee ze de bal voortdurend in het net deponeerden. Toen hij op zijn horloge keek was het zeven uur. Hij was dronken. Nico was niet komen opdagen. In het café belde hij Kootje.
Hij vertelde haar over de opening. Ze reageerde minder verontwaardigd dan hij gehoopt had. Nee, ze had inderdaad niet durven komen. Niet vanwege de angst om herkend te worden, maar omdat ze het akelige schilderijen vond. ‘Dat jij me zo ziet,’ zei ze. ‘Maar dat ben jij helemaal niet,’ had Toon geantwoord. ‘Ik wilde alleen maar lichamen maken die zwaarte hebben, substantie. Maar kennelijk ziet niemand dat. Nico niet, en ook zijn klanten niet.’

De week daarop ging hij nog een keer bij galerie Jak langs. De katalogus was inmiddels gearriveerd. Hij zag er mooi verzorgd uit, al leken de schilderijen gereproduceerd ontdaan van hun geheimzinnige, beschermende laag. Het waren licht obscene plaatjes geworden. Naast één schilderij in de galerie hing een rode stip.
‘Verkocht,’ vroeg Toon.
‘Nouja, verkocht,’ zei Nico. ‘Dat schilderij is voor de drukker van de katalogus. Niets gaat tenslotte voor niets. Maar jij hebt er een mooie katalogus aan overgehouden. Dat is straks voor je presentatie van goot belang.’
Toon knikte. Ja, daar had die man op de academie het ook over gehad. Het belang van je presentatie.
Hij had nu drie tentoonstellingen achter de rug. Binnen een jaar. Nu kon hij een stipendium aanvragen. Nog diezelfde dag belde hij het Kunstenfonds en vroeg of ze hem een stipendium konden geven. ‘Dat gaat zo maar niet,’ zei een juffrouw aan de andere kant van de lijn gepikeerd. ‘Ik zal u een formulier doen toekomen.’
Toon vulde het formulier in. Drie galerieën. De Toorts, Art Unlimited en Jak. Woont en werkt in Amsterdam schreef hij, ondertekende het papier en stopte het samen met een katalogus in een envelop. Binnen een maand zou hij antwoord krijgen van de commissie.

Op de laatste dag van de tentoonstelling huurde hij een busje om zijn schilderijen en de dozen et katalogussen bij galerie Jak op te halen. Nico had zijn schilderijen al in het kantoortje gezet en was druk bezig de litho’s van Corneille op te hangen. Toch zag hij nog wel even kans om een borreltje in ‘Het Knipperlicht’ met hem te gaan drinken, zei hij goedgunstig.
De bar was verlaten op een kleine man met wild uitstaande haren na, die met zijn rug naar hem toezat en met stille vingerbewegingen de barkeeper het tempo aangaf waarin hij zich jonge jenever wilde laten toedienen.
‘Volgende keer beter,’ zei Nico en hief zijn glas.
Toon knikte en dacht aan zijn lege atelier, dat straks vol zou staan met onverkochte schilderijen en dozen katalogussen.
Nadat Nico vertrokken was – ‘Je begrijpt, het is pezen vandaag om morgen op tijd klaar te zijn’ – draaide het mannetje aan de bar zich om.
‘Zo,’ zei hij voldaan en met een scheve grijns. ‘Alweer een slachtoffer van Nico Schaap.’ Hij hief zijn jeneverglaasje en dronk Toon toe.
‘Kent u meneer Schaap,’ vroeg Toon. Het mannetje kwam bij hem zitten. ‘Ik ben Pieter Reinaert,’ zei hij lispelend. ‘Ook zo’n beetje kunstenaar, alhoewel ik tegenwoordig liever drink moet ik zeggen.’ Dit was een uitnodiging aan Toon om hem van een nieuwe borrel te voorzien. Een ‘schone’ borrel zoals Reinaert dat noemde.
‘Zo,’ zei hij, ‘dus jij hebt je ook laten naaien.’
Toon begreep de drinkende kunstenaar niet. Reinaert maakte een samenzweerderig gebaar, alsof er zich in het café mensen bevonden die hen zouden kunnen afluisteren, maar behalve de in DE TELEGRAAF lezende barkeeper en de stem van Vera Lynn met haar soldatenkoor was er niemand.
‘Ooit wel eens van de renteregeling van WVC gehoord,’ fluisterde Reinaert.
Nee, Toon had geen idee.
‘Daarmee kunnen klanten van een galerie op afbetaling kunst kopen. De minister vergoedt dan de rente. Voorwaarde voor een galerie om in aanmerking voor die regeling te komen is haar beleid. Het beleid van Nico Schaap dus.’ Reinaert grijnsde. Er was sinds mensenheugenis niets aan zijn gebit gedaan. ‘Voel je?’
Toon schudde zijn hoofd en keek een beetje ongeduldig. Wat moest hij met deze dronken artiest.
‘De commissie die over die renteregeling gaat kijkt of het beleid van de galerie wel avontuurlijk genoeg is. “Risicodragend” noemen ze dat geloof ik. Nou, daar worden kunstenaars als jij en ik dan voor gebruikt. Het gaat er helemaal niet om dat ze jou of mij verkopen. We moeten er alleen maar gehangen hebben. Zelfs de katalogus betaal je nog zelf. Of niet soms?’
Toon kon het niet ontkennen.
‘Zo zit dat dus,’ zei Pieter Reinaert en kwam met beide handen op de tafelrand steunend moeizaam overeind.
‘De kunstenaar is een koe,’ zei Toon.
‘Hoor je dat Frans,’ zei Reinaert tegen de barkeeper. ‘Meneer bevuilt zijn eigen nest.’
De man knikte zonder van zijn krant op te kijken.

Vijf weken nadat hij zijn schilderijen bij Nico Schaap had opgehaald kreeg hij bericht van het Kunstenfonds. De commissie, zo stond er in de brief, was van mening dat ‘uw werk geen bijdrage levert aan de ontwikkeling van de Nederlandse beeldende kunst’.
Toon keek naar de naakten aan de muren. Kootje. Niet belangrijk voor de ontwikkeling van de Nederlandse kunst. Hij had het gevoel alsof hij zelf vol zand liep. Die middag ging hij bij Muis langs, die bezig was een lege ketchupfles met poppeogen te vullen. Hij vroeg hem of hij zolang op zijn boeltje wilde passen. ‘Hier heb je de sleutel,’ zei hij. ‘Ik ga een tijdje naar huis.’
Zijn ouders leken niet verbaasd dat hij terugkwam. Zijn kamer was onaangeroerd. ‘Je kunt er zo weer in.’ Het waren mensen van weinig woorden. Overdag was Toon vaak in de meubelmakerij te vinden. Op een dag besloot hij mee te gaan werken. Lakken. Hij kreeg er steeds meer plezier in om zo’n dof geschuurde ladenkast van een glimmende laklaag te voorzien.
Op een avond zei zijn moeder: ‘Weet je dat Kootje terug is?’
Ja, ook Kootje had er de brui aan gegeven. ‘Ik was niet goed genoeg,’ zei ze. ‘Ik had er wel mee door kunnen gaan, maar dan had ik mijn hele leven verder in zo’n orkest gesleten. Allemaal tegelijk die strijkstokken op en neer.’
Ze wandelden hand in hand door het Vossenbos, even buiten het stadje. Onder een beuk bleven ze staan. Nu gaat hij mij kussen, dacht Kootje. Eindelijk komt het er dan toch van. Maar Toon pakte alleen Kootje’s arm, draaide hem zacht naar buiten en toen een stukje naar binnen.

‘Kijk,’ zei hij, ‘dat vouwtje daar, die plooitjes. Daar was het nu allemaal om begonnen.’