Hij staat op het perron in zijn roze jack met zijn
portie patat waarvan hij eet. Zijn hand begeeft zich naar.
Af en toe likt hij zijn vingers af. Dan weer verdwijnt zijn hoofd
buiten de lijst niet omdat hij weg
kijkt of loopt maar vanwege mijn ogen die andere
dingen zien dan ik. Waar hij staat, daar
is een leegte waarin ik mij
begeef met wat ik weet van denim, zwaarte
van mayonaise, zoeken naar dingen die je niet ziet in een zakje
terwijl je een trein afkijkt zonder je hoofd te bewegen.

Even zit hij op mijn plaats mijn hoofd het zijne
Uitgespaarde ruimte om hem die
opschuift – daar heeft hij wat hij zoekt, daar is Dennis
roepen zij, wenken, hij gooit het
lege zakje uit mij weg, loopt af.

Een vrouw liep haastig langs de trein, tilde haar benen
een voor een op in een schaduw
van niet goed kunnen zien vanwege snelheid
zoals op die foto van R., waar ze over een plas stapt.

Dat je het bijna ziet,
je moet de camera natuurlijk goed besturen,
bijna zie je wat je wilt, het zou naast haar been
of op het asfalt kunnen zijn – voorbij de trein

schoot met haar voet mee een lengte
onwaargenomen, een pass.

De fietsers, hun spaken een schaduw
boven hen waaien lakens van de muren
veel mensen lopen tegen elkaar op de stoep
liggen hun korte voetstappen grijs naast hun schoenen.

Op de markt de dingen die zij kopen
in elkaar gerold tot een aankoop,
het vage beeld in je hoofd de heldere plaatsen
in de onafgemaakte werkelijkheid
waar zij door het verkeer gaat met de vis
gewikkeld in een krant, naar waar zij haar fiets weet.

‘Het maakt zich af door je heen’
het kind hangt aan de rekstok, zwaait, zijn knieën
steken omhoog, je voelt het
snijden in de holten, ziet de striemen.

Verderop in het gras de eters
kauwend wat zij hebben meegebracht,
hij zwaait, zijn omgedraaide hoofd steekt zich
in hun ogen, zijn hangende armen, zij leggen hun brood neer.

 
 
Amsterdam, 3.9.93
 
Beste Willem,

Nadat we hadden gebeld over o.a. dat stukje tekst (je hebt het echt niet gevraagd hoor, in juni) zocht ik de foto van het rekstokjongetje weer eens op (ik vergat te zeggen dat die 4 gedichten allemaal min of meer over foto’s gaan). Ik schrok nogal toen ik hem eindelijk had want er staan helemaal geen eters op, alleen maar, behalve het jongetje, schommelende kinderen (3) en 1 rennend. Ik zag het plaatje toch duidelijk voor me, ze zaten te eten met geruite servetten over de bovenste helft van hun recht naar voren gestoken benen, er stonden rieten picknickmanden in het gras. Een stuk of acht dikke mensen en flink wat rondhollende kinderen. De boom is wel dezelfde maar minder kaal en nu ik dit bedenk weet ik het weer, bij Tarascon in de buurt zaten wij een jaar of vijf geleden tussen ze in, alleen hing daar weer geen kind uit de boom. Het moeten de schaduwen van de takken in het gras zijn geweest, op de foto. Had ik dat maar geschreven, schaduwen die kauwen op wat zij hebben meegebracht en die hun brood neerleggen, maar dat kan nu niet meer, het is al dichtgedaan. Wat een troep, geheugen, herinnering. Je hebt die studies over getuigenverklaringen na een misdrijf. Zoiets.
Wat vind jij, moet hier nu een noot bij en wat voor eentje? Vrij naar Frances McLaughlin-Gill, April Afternoon 1956, 12 × 165/8. of Vrij naar een middag bij Tarascon, c.1988.? Is het verschil alleen een kwestie van auteursrecht, wel op de foto, niet op de middag? De werkelijkheid mag je vervalsen, enfin je mag erop variëren vind ik. Maar wat een ander heeft gemaakt, nee. Dus kan dit eigenlijk wel, ik bedoel zonder noot is het een soort plagiaat en mét idioot. Kies maar waar je het meeste voor voelt.
Het heeft iets raars, dat gedoe over tekst en beeld, ik geloof dat het allemaal komt omdat er te veel wetenschap wordt bedreven. Tekst staat voor mijn gevoel niet anders tot beeld dan beeld (of maker) tot werkelijkheid (hou vast, zet stil, verteer) (voordat het jou -) maar over ‘beeld’ kun je al gauw wat zeggen, dus springen al die woordzuchtige onderzoekers daar bovenop met hun disciplines. Hoe een gedicht werkt, heeft volgens mij niet speciaal van doen met wat het beschrijft. Maar ik ben geen Wetenschapper.
Stuur je me een proef, als je eraan denkt? ‘Herinnering, de vaste voorstelling in de ziel van dingen en woorden.’ (Cicero, De inventione.) (Zou je wel moeten vertalen met herinnering, allesbehalve vast en zo slordig als een overhoop gehaald huis, die van mij in elk geval.) Lees voor herinnering tekst, voor dingen en woorden beeld. Stel dat, als die iets met elkaar te maken hebben (behalve de zg ziel) – dat dan het beeld in de tekst loopt als een tor door de inkt op je papier. Spoor van allerlei door mekaar. Daar gaat de tor, glimmend de lucht in. Maar hierzo krijg je dus de auteursrechten.

Hartelijke groet, ook aan Ineke,

E.G.

Als je wilt mag je deze brief afdrukken – een echt stuk zit er niet in, zoals je al begreep.