naar deel 1

Het exemplarische

Laten we nog even terugkomen op het exclusieve gebruik van het superlatief. We hoeven ons, denk ik, niet bezig te houden met de hit-parades van het lijden, met de precieze rangordes in de martyrologie. Boven een bepaalde grens blijven de misdaden tegen de mensheid weliswaar specifiek, maar ze zijn elkaars gelijken in de ongenanceerde afkeer die ze oproepen en de absolute veroordeling die ze verdienen; dat geldt volgens mij ook voor de slavernij waaraan de Afrikanen onderworpen zijn, voor de verschrikkingen van de Goelag en die van de nazikampen.

Waar is dan het exemplarische nog goed voor? Omdat het geen enkele verdienste is om aan de goede kant van de barricade te gaan staan als er eenmaal een algehele consensus is waar de grens tussen goed en kwaad ligt; lessen uitdelen in moraal is nooit een bewijs van deugdzaamheid geweest. Het is daarentegen ontegenzeggelijk een verdienste als iemand ondanks het eigen ongeluk of dat van zijn naasten oog heeft voor dat van anderen, en niet alleen voor zichzelf de status van slachtoffer opeist. Ik wil dat illustreren aan de hand van enkele figuren die zelf weer exemplarisch mogen heten, niet alleen omdat ze tegen onrecht gestreden hebben maar ook omdat ze zich aan het hierboven geschetste schematisme hebben weten te onttrekken.

David Rousset was een politieke gevangene, gedeporteerd naar Buchenwald; hij heeft het geluk gehad dat hij het overleefde en naar Frankrijk is teruggekeerd. Hij heeft ettelijke boeken geschreven waarin hij een poging deed om de wereld van het concentratiekamp te analyseren en te begrijpen; hij is door die boeken bekend geworden. Maar daar bleef het niet bij; op 12 november 1949 publiceert hij een oproep aan voormalige gedeporteerden van de nazikampen om het onderzoek ter hand te nemen naar de nog altijd in bedrijf zijnde sovjetkampen. Die oproep slaat in als een bom: de communisten zijn sterk vertegenwoordigd onder de oudgevangenen en de keuze tussen twee soorten loyaliteit is niet gemakkelijk. Tengevolge van de oproep splijten nogal wat verenigingen van gedeporteerden in tweeën. De communistische pers overlaadt Rousset met beledigingen, wat hem ertoe brengt een proces wegens smaad aan te spannen, dat hij wint. Hij wijdt vervolgens een aantal jaren van zijn leven aan de strijd tegen de communistische concentratiekampen, hij verzamelt en publiceert informatie erover.

Als Rousset de voorrang had gegeven aan de letterlijke herinnering, zou hij zich de rest van zijn leven begraven hebben in zijn verleden, bezig zijn geweest met het verzorgen van zijn eigen wonden en het koesteren van wrok ten opzichte van degenen die hem onvergetelijk lijden hadden bezorgd. Maar door de voorkeur te geven aan de exemplarische herinnering, koos hij ervoor, de les van het verleden te gebruiken om iets in het heden te doen, in een situatie waar hij niet direct bij betrokken was en die hij alleen bij analogie of van buitenaf kende. Dat zag hij als zijn plicht van oudgevangene en om die reden richtte hij zich eerst en vooral tot andere voormalige gedeporteerden. ‘Jullie kunnen die rechtersrol niet weigeren,’ schrijft hij. ‘Het is juist jullie belangrijkste taak als voormalige politieke gevangenen. Anderen, die nooit in een concentratiekamp hebben gezeten, kunnen ter verdediging een gebrek aan verbeelding aanvoeren en stellen dat ze niet ter zake kundig zijn. Maar wij zijn beroeps, wij zijn specialisten. Dat is de prijs die we moeten betalen voor het overschot aan leven dat ons is toegekend.’

Het is de plicht van voormalige gedeporteerden onderzoek te doen naar de huidige kampen.

Een dergelijke keuze impliceert inderdaad dat men de vergelijking tussen nazikampen en sovjetkampen accepteert. Rousset weet welke risico’s ermee verbonden zijn. Bepaalde verschillen zijn onoverkomelijk: in de Sovjet-Unie of daarbuiten bestaan geen vernietigingskampen; die kunnen op geen enkele manier geëxtrapoleerd of veralgemeend worden. Maar daarom kunnen ze nog niet herleid worden tot één daad in het heden, alleen maar tot stomme verbazing en eindeloos medelijden met de slachtoffers ervan. Beide regimes hebben het verschijnsel concentratiekamp met elkaar gemeen, en andere verschillen, hoe reëel ook, rechtvaardigen niet dat men ze niet met elkaar vergelijkt. Er duikt dan een tweede vraag op: moet men het lijden in de kampen niet in een veel algemener verband zien als iets dat deel uitmaakt van het ‘universele eeuwenoude leed der volkeren’, van alle ongeluk, alle onrechtvaardigheid? De exemplarische herinnering loopt inderdaad het gevaar van een universele analogie, waarbij alle ellende-katjes grauw zijn. Daardoor raakt men onvermijdelijk verlamd door onmacht ten aanzien van zo’n enorme taak, maar bovendien miskent men het feit dat de kampen niet zomaar een onrecht te midden van andere voorstellen maar de laagste daad waartoe menselijke wezens in de twintigste eeuw hebben kunnen vervallen. Zoals Rousset tijdens zijn proces zei: ‘De ellende van het concentratiekamp is mateloos naast alle andere vormen van ellende.’ (Pour la vérité sur les camps concentrationnaires, 1990) De exemplarische herinnering veralgemeent een bepaalde gebeurtenis, maar alleen tot op zekere hoogte; ze laat niet het eigene van de feiten verdwijnen, ze brengt alleen sommige feiten in verband met andere, ze trekt vergelijkingen die overeenkomsten en verschillen laten zien. En ‘mateloos’ wil niet zeggen ‘verbandloos’: het extreme is in de kiem in het alledaagse aanwezig. Niettemin moeten we onderscheid kunnen maken tussen kiem en vrucht.

In 1957 nam een Franse ambtenaar, Paul Teitgen, een oudgedetineerde van Dachau, ontslag als secretaris van de prefectuur van Algiers, en gaf als verklaring voor zijn besluit dat de sporen van martelingen die hij op het lichaam van Algerijnse gevangenen had waargenomen leken op de sporen van de mishandelingen die hij zelf had ondergaan in de kelders van de Gestapo in Nancy. Was dat een verkeerde vergelijking?

Ik wil ook de figuur van Vassily Grossman noemen, de grote joodse Russische schrijver. Het moet hem veel moeite gekost hebben te kiezen tussen de slachtoffers van het ene en het andere regiem en zich meer in de ene groep dan in de andere te herkennen: hij leefde zelf in de Sovjet-Unie en had mettertijd persoonlijk kennis gemaakt met de sovjetmisdaden; maar zijn eigen moeder was als jodin vermoord door de Einsatzkommandos die achter het Duits-Russische front opereerden; deel uitmakend van de eerste Rode Kruis-bataljons had hij met eigen ogen het kamp van Treblinka gezien. In Leven en lot heeft hij de gruwel van beide systemen beschreven, wat ze met elkaar gemeen hadden en waarin ze aan elkaar tegengesteld waren. Maar op een ander moment in zijn leven kreeg hij gelegenheid partij te kiezen, namelijk toen hij naar Erevan ging en alle details te horen kreeg over de Armeense volkerenmoord. Hij beschrijft dan zijn ontmoeting met een oude man die getroffen is door het feit dat een jood zich de tragedie van een ander volk zozeer aantrekt dat hij de geschiedenis ervan wil schrijven. ‘Hij wilde dat een zoon van het getroffen Armeense volk over de joden zou schrijven.’ Bijna op hetzelfde tijdstip kreeg Grossman in zijn keuze gezelschap van een andere grote schrijver van joodse afkomst, de Fransman André Schwarz-Bart die zijn keuze om zich na Le Dernier des Justes bezig te houden met de wereld van de zwarte slaven aldus formuleerde: ‘Een grote rabbi aan wie men vroeg: “De ooievaar werd door joden Hassida (liefdevol) genoemd omdat zij van haar naasten hield, en toch wordt ze gerekend tot de categorie van de onzuivere vogels. Waarom?”, antwoordde: “Omdat zij haar liefde alleen aan haar naasten schonk!”’

Ten slotte noem ik nog een beroemde Pool, Marek Edelman, die zoals men weet een van de leiders is geweest van de opstand van het ghetto in Warschau. Wat ik wil memoreren is zijn lapidaire commentaar op de oorlog in Bosnië-Herzegovina: ‘Het is een postume overwinning van Hitler.’ Moeten we de held van 1943 verwijten dat hij in de val gelopen is van de vermenging? Dat is beslist niet het geval. Edelman wilde zich niet laten voorstaan op zijn rol van slachtoffer van het hitlerisme (of van het stalinisme), maar wilde liever wijzen op het gemeenschappelijke punt, de etnische zuivering, want dat geeft hem de gelegenheid in het heden iets te doen.

Het is overbodig, hebben we gezien, zich af te vragen of men de waarheid over het verleden wel of niet moet leren kennen; het antwoord is altijd: ja. Maar het is minder vanzelfsprekend tot welk doel men een beroep op het verleden doet. Om nog eens terug te komen op het proces van David Rousset: degenen die zich verzetten tegen zijn poging om de huidige kampen te bestrijden, waren hun ervaringen niet vergeten. Pierre Daix, Marie-Claude Vaillant-Couturier en de andere communistische ex-gevangenen hadden de hel van Mauthausen of Auschwitz doorgemaakt en de herinnering aan de kampen was in hun geheugen nog altijd volop aanwezig. Als ze weigerden tegen de Goelag te strijden, kwam dat niet door een gebrekkig geheugen maar omdat hun ideologische principes hun dat verboden. Zo was er een communistisch kamerlid dat weigerde op de kwestie in te gaan omdat zij wist ‘dat er in de Sovjet-Unie geen concentratiekampen bestonden’. Daardoor veranderden de ex-gevangenen in ware ‘négationnistes’, nog gevaarlijker dan degenen die tegenwoordig het bestaan van de gaskamers ontkennen, omdat de sovjetkampen nog volop in bedrijf waren en ze publiekelijk aanklagen het enige middel was om ze te bestrijden.

 

Het cultiveren van de herinnering

Aan het eind van het millennium zijn de Europeanen en vooral de Fransen bezeten van een nieuwe cultus, die van de herinnering. Alsof ze bevangen zijn door nostalgie voor een verleden dat zich onherroepelijk verwijdert, wijden ze zich met overgave aan bezweringsriten om dat verleden levend te houden. Het lijkt wel alsof men in Europa elke dag een museum opent en aan activiteiten die nauwelijks iets voorstellen, wordt nu aandacht besteed: in Bretagne plant men een pannekoekmuseum, in Berry een goudmuseum… Er gaat geen maand voorbij zonder dat men een of andere opmerkelijke gebeurtenis herdenkt. Recente processen aangaande misdaden tegen de mensheid en onthullingen over het verleden van bepaalde staatslieden zijn steeds vaker een aanleiding om tot ‘waakzaamheid’ op te roepen en tot de ‘plicht zich te herinneren’. Deze dwangmatige bekommernis om het verleden kan uitgelegd worden als een teken van gezondheid van een land in vredestijd waar gelukkig niets gebeurt (de Geschiedenis voltrekt zich dagelijks in ex-Joegoslavië: wie zou daar willen leven?), of als het nostalgische verlangen naar een voorbije tijd toen ons land een wereldmacht was; maar omdat we nu weten dat zulk een beroep op het geheugen zelf geen enkele legitimiteit heeft zolang men niet nader aangeeft waartoe men de herinnering denkt te gebruiken, kunnen we ons ook afvragen wat de specifieke drijfveren zijn van die ‘strijders voor de herinnering’. (…)

In de eerste plaats is de voorstelling die men zich van het verleden maakt niet alleen wezenlijk voor de individuele identiteit – een individu bestaat tegenwoordig uit de beelden die het van zichzelf heeft – maar ook voor de collectieve identiteit. Of men dat nu wil of niet, maar de meeste mensen hebben de behoefte om bij een groep te horen; daarin vinden ze een directe erkenning van hun bestaan. Als ik katholiek, Breton, boer of communist ben, ben ik iemand, word ik niet door het niets opgeslokt. Die behoefte is de keerzijde van de moderne samenleving die steeds homogener wordt door de uitbreiding van de middenklasse en de sociale en geografische mobiliteit van de burgers, zoals ook de samenlevingen onderling door de steeds snellere internationale circulatie van informatie en culturele consumptiegoederen uniformer worden. Het samengaan van die twee voorwaarden – de behoefte aan collectieve identiteit en de afbraak van traditionele identiteiten – is voor een deel verantwoordelijk voor de nieuwe cultus van de herinnering: door zich een gemeenschappelijk verleden aan te meten, kan men profiteren van de erkenning die de groep geniet. Het beroep op het verleden is vooral nuttig wanneer men zich voor het eerst als groep manifesteert: ik behoor tot het zwarte ras, tot het vrouwelijke geslacht, tot de homoseksuele gemeenschap, dus moet ik weten wie dat zijn. Die nieuwe eisen worden des te hartstochtelijker naar voren gebracht door mensen die het gevoel hebben dat ze tegen de stroom in gaan.

De herinnering aan het verleden ontlast ons van zorg voor het heden, dat kan, zoals Rezvani in een van zijn romans schrijft, zo ver gaan dat ‘de herinnering aan rouw ons belet het lijden van anderen te zien, ze rechtvaardigt onze huidige daden in naam van het vroegere lijden’. De Serviërs in Kroatië en Bosnië herinneren graag aan het onrecht dat hun voorouders is aangedaan omdat men daardoor, hopen zij, de wandaden vergeet waaraan zij zich nu schuldig maken; en zij zijn niet de enigen die zo handelen.

Een laatste reden voor de nieuwe cultus van de herinnering is dat degenen die eraan deelnemen zich van bepaalde voorrechten binnen de samenleving verzekeren. Een oudstrijder, een oud-verzetsman, een oude held heeft niet graag dat men zijn vroegere heldendaden niet kent, dat is natuurlijk heel normaal. Verrassender, althans op het eerste gezicht, is de behoefte bij andere individuen of groepen om in de rol van vroegere slachtoffers erkend te worden. Wat is er prettig aan om slachtoffer te zijn? Niemand wil uiteraard slachtoffer zijn, iedereen wil het geweest zijn, zonder het nu nog te zijn; allen willen de status van slachtoffer. In het persoonlijke leven is dat een bekend scenario: iemand van de familie maakt zich van de slachtofferrol meester omdat hij zodoende anderen in zijn omgeving de weinig begerenswaardige rol van schuldige kan geven. Wie slachtoffer geweest is krijgt het recht om te klagen, te protesteren en eisen te stellen; tenzij ze elke band met zo iemand willen verbreken, zijn de anderen verplicht daarop te reageren. Het is veel voordeliger in de rol van slachtoffer te blijven dan een vergoeding te krijgen voor het leed dat men heeft ondergaan (aangenomen dat het om werkelijk leed gaat): in plaats van een gerichte voldoening, is men blijvend geprivilegieerd, want zo iemand is verzekerd van de aandacht en dus de erkenning van anderen.

Wat geldt voor personen, is nog meer van toepasssing op groepen. Als men het overtuigende bewijs kan leveren dat een bepaalde groep het slachtoffer van onrecht in het verleden is geweest, opent dat in het heden een onuitputtelijke bron van krediet. Omdat de maatschappij erkent dat groepen en niet alleen individuen rechten hebben, profiteren ze daarvan; en hoe groter het onrecht in het verleden, hoe groter de rechten in het heden. In plaats van te moeten vechten voor een speciaal recht, krijgt men het ambtshalve, louter door het feit dat men tot een groер behoort die vroeger benadeeld werd. Vandaar de verwoede strijd, niet om zoals tussen landen de status van meestbegunstigde natie te krijgen, maar om die van meest achtergestelde groep. De Amerikaanse zwarten leveren een duidelijk voorbeeld van dat gedrag. Ongetwijfeld zijn ze het slachtoffer geweest van de slavernij en de naweeën ervan zoals de rassendiscriminatie, toch willen ze de rol van slachtoffer niet kwijt omdat die hun van een blijvend moreel en politiek privilege verzekert. Wat betekenen zes miljoen joden, en ook nog buiten Amerika, roept Louis Farrakhan, leider van The Nation of Islam: ‘De holocaust van het zwarte volk is honderd keer erger geweest dan de holocaust van de joden.’ Eén slachtoffer tegenover anderhalf slachtoffer.

De cultus van de herinnering dient niet altijd de rechtvaardigheid; evenmin is ze per se gunstig voor de herinnering zelf. Door Barbie te vervolgen voor wat hij verzetsstrijders heeft aangedaan, verdraaide men niet alleen het recht, dat een onderscheid maakt tussen oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid; ook de herinnering bewees men geen dienst: Barbie martelde verzetslieden, dat is een feit, maar dat deden zij ook wanneer zij een Gestapo-officier in handen kregen. Bovendien heeft het Franse leger na 1944 systematisch martelpraktijken toegepast bij voorbeeld in Algerije, maar niemand is daarvoor wegens misdaden tegen de mensheid veroordeeld. Door het eerste proces van dit soort te reserveren voor een Duitse politieman, maakte men trouwens de betrokkenheid van de Fransen bij de nazi-politiek minder zichtbaar, terwijl de landwacht, zoals veel getuigen vertellen, erger was dan de Duitsers.

Werd ten slotte de historische betekenis van een dergelijk proces niet vertroebeld door de aanwezigheid van getuigen als Marie-Claude Vaillant-Courier, oudgevangene van Auschwitz, die zich onderscheiden had door zijn verzet tegen de onthullingen van de Goelag? In het proces Touvier had de aanwezigheid van Nordmann onder de advocaten van de civiele partijen een vergelijkbaar effect: deze jurist, vele jaren de vaste verdediger van de PCF, had zich beroemd gemaakt door een bijzonder agressief optreden tijdens het proces van Kravtsjenko en Rousset, in 1948 en 1949, toen hij alle moeite deed om het bestaan van kampen in de USSR te ontkennen. Kan men de kampen hier veroordelen en ze elders verdedigen? Mag de herinnering daarvoor gebruikt worden? Het is waar dat bij het proces van Neurenberg vertegenwoordigers van Stalin deelnamen aan de veroordeling van de medewerkers van Hitler; dat was een bijzonder obscene situatie, omdat zij zich aan misdaden schuldig hadden gemaakt die even gruwelijk waren als die van de anderen.

 
Verkorte versie van Les abus de la mémoire, 1998.