maliënkolder Ik ken iemand die bij ‘maliënkolder’ niet denken kan aan wat dat woord betekent. Het is mijn buurman Quadvlieg, een nerveuze prater en vader van een kinderrijk gezin. Op kantoor is hij de hele dag in touw. Komt hij thuis dan staat zijn vrouw met een bezweet gezicht de aardappels af te gieten en het ene kind kruipt op zijn schoot en het andere praat honderduit over beren, moedervarkens en tien biggen. Dan zijn er nog de tweeling Rob en Bob, de tuin, de kaartclub en de schoonmoeder.
Soms wordt het Quadvlieg wat teveel en dan komt hij voor een borrel en een praatje achterom.
‘Ik kan het opzoeken en ik zóek het weleens op, maar zodra ik het woordenboek heb dichtgeklapt ben ik het weer kwijt, vergeten.’
‘Waarvoor heb je dat woord dan nodig?’
‘Ik hèb het helemaal niet nodig, maar het steekt zijn stomme kale kop steeds op.’
Quadvlieg gaat aan de keukentafel zitten en begint te gooien met een zak Wonderchips, hup en hup in boogjes, van de linker- in de rechterhand, totdat hij mist, waarna de zak scheurt en de hele inhoud op het tafelblad belandt. Hij eet en praat aan één stuk door.

‘Maliënkolder. Maliënkolder. Ik sta ermee op en ga ermee naar bed. Maliënkolder, als ik ‘s morgens vroeg de krant probeer te lezen terwijl de tweeling cornflakes eet met de radio op tafel. Maliënkolder, als ik de scheefgezakte ordners op mijn kantoor bekijk, sommige wankelend op de rand van de plank, andere met de rug tegen de wand, waardoor het wanordelijke binnenwerk ervan wordt prijsgegeven. Maliënkolder, als mijn vrouw mij ‘s avonds laat haar dag vertelt. Maliënkolder, maliënkolder. Waarom steekt dat stomme woord zijn kale kop steeds op?’
Nu heb ik het ook. Zie ik Quadvlieg, denk ik maliënkolder. Denk ik maliënkolder, denk ik: kakenmalen, Wonderchips, lariekoek, de kolder in je kop.

 

vigulant & fillegrijs Is het niet vreemd? Zojuist pas ben ik op gaan ruimen in mijn bovenkamer en nu al zit ik met die rare namen.
Vigulant en Fillegrijs.
Hoe zijn ze binnen geglipt? Hoe lang geleden wel niet? Ze hadden zich genesteld in een uithoek, daar waar gedachten verzanden in gebrabbel en onnozel geneurie.
Vigulant en Fillegrijs. Met namen kom je altijd ergens, maar deze lieden hebben geen verwanten en geen vrienden. Het zou me niet verbazen als zou blijken dat ze zijn geboren uit Gehoorstoornis en Misverstand. Misschien ben ik hun enige kennis.
Nu ik erover ben begonnen schaam ik me een beetje. Ik wil ze kwijt, die kwibussen.

Ik heb hier op de kapstok in de vestibule nog twee oude jassen hangen. Ze hangen hier al jaren. Ik heb ze niet nodig, ze passen me niet, ze zijn niet mooi, ze storen me niet, ik heb nog nooit in hun zakken gevoeld. Zou ik ze missen als ze daar niet meer hingen?
Ik denk dat het gedachtenjassen zijn.
Vandaag of morgen mag het gebeuren: De schooiers Vigulant en Fillegrijs komen uit hun schuilplaatsen te voorschijn en hollen – door begrip overmand – naar de vestibule om die jassen aan te schieten. Weg zijn ze.
Nog wat bleekjes en onzeker, maar toch al groetend en knikkend, gaan ze samen door de drukke winkelstraat. Het eerste dat ze willen is wittebrood en ze leggen al hun zakgeld op de toonbank. Of ze na het eten van

die sneetjes wittebrood samen willen blijven is nog maar de vraag. Het kan best zijn dat Vigulant er als de wiedeweerga vandoor gaat, linksaf, rechtsaf, brug over, station tegemoet. Fillegrijs kijkt naar de blauwe lucht en glimlacht. Zo is het goed, vindt Fillegrijs.
Maar ik houd ook rekening met een mislukking.
Kom dan terug naar huis jongens. Kom dan maar hier, bij mij.