(ook wel: oubliette, zie aldaar). Geheugenruimte, slechts te betreden als men de wens heeft iets kwijt te raken. De V. wordt beschreven in Anti-Mnemonia (1685) door de Rijnlandse geneesheer Anastasius Gryttzler als een witgekalkte kerker, ‘grausam tapeziert von Gemeinplatzen.’ Gryttzler moet dit boek zelf als V. bedoeld hebben. Na de beschrijving van genoemde geheugenkamer als kale cel, waarschijnlijk ergens diep in het onderbewustzijn gesitueerd, bestaat de inhoud van Anti-Mnemonia verder uit ‘grausame Gemeinplatze’. Cliché’s, die de ruimte in dit boek als het ware zo flakkerend verduisteren, dat alle kennis er bij verschiet. Interessant is Gryttzlers opvatting over de gemeenplaats als waarheid, die de eigen verbeelding – zowel als de in het geheugen opgeslagen verbeeldingen van anderen – in eerste instantie tot zwijgen brengt, maar deze daarna op onnavolgbare wijze prikkelt. Voor Gryttzler vertegenwoordigt de V. dan ook het inferno, een noodzakelijke, helse loutering alvorens de kunstenaar tot eigen scheppen kan overgaan. In die zin vormt zijn Anti-Mnemonia een zeer persoonlijke tegenhanger van het Translatio/Imitatio/Aemulatio van zijn Classicistische tijdgenoten.

Opvallend is dat latere verzamelingen van gemeenplaatsen, bijvoorbeeld Thackeray’s Book of Snobs of Flauberts Bouvard et Pécuchet niet aan Gryttzlers Anti-Mnemonia refereren. Daarmee is Gryttzlers Vergeetkelder uitgegroeid tot een van de meest ongeschreven hoofdstukken in de geschiedenis der vergetelheid.