‘nam ik het roer aan, nam het over van de nacht waarin ik voer’ b. zwaal

 
 
 
In een avondlijke droom van 22 december 1993 bevond ik me in een verregend Haarlem, waar ik, rondogige, als een geveltoerist aan de donkere zijde van de Vleeshal heimelijk naar binnen werd geloodst, onwetend van de ooggetuige die mij daar had opgemerkt. Een eeuwigheid later, na mijn terugkeer van de duistere zolders van een vleselijk heelal, stond de getuige er nog steeds; alsof iemand hem ervoor betaalde. Hij sprak mij, Arges, aan en eiste een verklaring. Terwijl de regen opnieuw met koude wellust uit de hemel gutste, nam ik hem als een lezer onder drie ogen en smeedde een verhaal dat ik – in ruil voor zijn discretie – in een derderangs bodega aan de Grote Markt vertelde.
 
 
 

(I)
 
Het was, zei ik, alsof ik langs staand want omhoogklom.
Jagende wolken, een wassende maan in het grauw,
Water tot de boorden, een wachtende vrouw met een sleutellantaarn.
Het was, zei ik, alsof ze mij bij een complot betrok:
Om ons heen
Een vloot van daken, rijzend en dalend, leikleurig, nat.
Het was de wind die in alles bewoog,
Het water dat overal kroop.
Een duizeling bedwongen, en verder,
Langs ijzeren trappen omhoog; vier stappen
Naar de midscheeps,
De sjorrings los, een luik geopend –
En daalden toen af in de buik van het schip…
 
 
 
(II)
 
…en daalden toen af in de buik van het schip,
Droegen niets mee, droegen vrouwen
En geiten aan boord,
Verlieten de rots van de fluisterende schimmen,
Zuchtten tersluiks, zuchtten diep, lieten wrok en gramschap
Achter, en wierpen
De last van de dag van ons af;
Zagen geen kleur, struikelden, tastten,
Werden het oog van de kou, van de nacht, in de kreunende romp
Die zich kantelend vulde met water en lucht.
Het was de nacht der nachten, verzadigd van schijnsels, geruchten,
Ankers en valrepen, flessen en touwen, geruis bovendaks.
In de nacht der nachten is elke boot een dronken boot…
 
 
 
(III)
 
… is elke boot een dronken boot
Vol liederlijke dromen en een held op zijn retour
Die zich ontkleed, ontmand, als nar met bijenwas heeft ingewreven
En de mast van een gezonken schip omarmt.
Spotzieke Sirenen, aangewit in schuimend donker op een klip;
Pseudo-Kirkè of Kalypso, straatmeid of godin, neergevlijd
en toegerust met toverhand.
In het bleke licht van nergens imiteert ze een verlokking,
Doet een lach na op het voordek,
Maakt gebaren achter een spant.
Het zwijn van alle tijden knort achter de voederbak.
Het beeld vervliegt; het oog legt zich niet vast.
Het lege ruim; een lichtflauwte die langs de ribben glijdt…
 
 
 
(IV)
 
… een lichtflauwte die langs de ribben glijdt.
Zonder loods vrouw in het ruim gebleven;
Oog en sleutelgat ineen; een geremde archivaris;
Een gekiste muis in een verkleind heelal.
Mijn blik kruipt traag omhoog, betast de welving
Van een spantbeen, rekt zich uit tot aan de gording
Waar het scheepslichaam zich sluit.
En zij? Nog kind, al vrouw? Zit zij niet stevig in het want?
Zwaaiend aan de touwen, staande voor een raam
Zingt een griekse in het duits
Over de schande van het bloed waarvoor men zich niet schaamt.
(O, Atride, zeg ik, welke vloek rust op welk huis?)
Donkerslag. Een zee van duisternis slaat tegen het kapgebint…
 
 
 
(V)
 
… een zee van duisternis slaat tegen het kapgebint;
Aanzwellend geruis, geklapwiek als van vogels, dode zielen
Trekken raspend langs mijn oor.
Zwemmers, roeiers lichten op.
Iemand reikhalst naar een ander die zich uit de golven tilt.
Iemand roert zich in mij, ondergronds –
‘Jij dappere van Thasos, die blijft zwemmen,
Verdrinkend nader je de Zwarte Kust.’
Noodlottige sterren daarboven; de mythische visser;
De hengel; de kosmische haak.
‘Mijn plaats is hier tussen de roeiers’
(gehoord onder een doft) –
Stemmen en gesmoorde lachjes scheren over het water…
 
 
 
(VI)
 
… stemmen en gesmoorde lachjes scheren over het water.
‘Flink geroeid: het wordt
Al dag, al nacht.’
Zie ik pseudo-Kirkè’s donkere haren op de kust?
Wordt er gemord? gemuit? gemat?
Er is onrust in het want.
Helden en godinnen worden opgedoekt of weggebracht.
(Wie geen scheeps verstaat moet niet gaan varen)
Gespiegeld leven aan de voet; geen plek om iets te lezen.
Alle vlees is hier tot stof vergaan. Sta op! Er wordt vertuid.
‘De boot is aan: dus wegwezen.’
De trappen af, de avond in.
‘Portier, laat u dit oog met die meneer nog even uit?’