Kooplui, auteurs, meisjes en Quakers noemen iedereen waar ze mee omgaan vrienden en mijn lezers zijn dus mijn gast- en universiteitsvrienden. Nu presenteer ik weliswaar zoveelhonderd vrienden even zovele presentexemplaren – en heeft de boekhandel opdracht iedereen – na de boekenbeurs – op aanvraag te leveren, tegen een armzalig dankgeschenk en een min of meer vrijwillige verplichte kerkeduit aan zetters, drukkers en andere lui – maar omdat ik niet, zoals de Franse auteurs de hele oplage naar de binder kon sturen, ontbreekt natuurlijk het lege schutblad voorin, waardoor ik dus ook niets vleiends kon schrijven aan de ontvangers van het geschenk. Daarom liet ik na de titelpagina een paar lege bladzijden bijbinden, waarop nu dit wordt gedrukt.
Mijn boek valt evenals de boete uiteen in drie delen. Het eerste, de zogenaamde bruidsschat,* dat uit twee vertellingen bestaat en die de rijkserfkeukenmeesteres van de fantasie met bloemwerk en stuifmeel (zo heb ik het haar tenminste opgedragen) zou garneren, schenk ik, lieve vrienden alléén aan mijn lieve vriendinnen; waarlijk, met beide vertellingen zal ik hun een even groot plezier doen, als wanneer ik voor hen uit Leipzig in plaats van dit beursgeschenk een heel boeket oorbloemen1 of visitebriefjes op Hollands papier, met zilveren randen – of een rouwnégligée of maar gewoon een waaier van sandelhout met een medaillon had meegebracht. Zij zijn geboren bloemistes en zelf ook aardig getekende bloemstukken en houden derhalve ook in boeken van wat zij zo dikwijls begieten, stikken en breken – bloemetjes. Moge het noodlot als weg-inspecteur daarmee dan ook uw stoffige levenskunstweg versieren en vreugderozen zullen uw wegwijzers en werstpalen zijn; ik zou geen betere inblazer of inhalery2 weten tegen diepere borstpijnen dan de heelmeester Mudge met zijn gelijknamige machine verzacht, geen betere inblazer zeg ik, dan uw troostende mond en moge de hemel daarom, terwijl onze voetzolen door het hete zand langs de krater van het burgerbestaan waden, diep beneden de stille, vruchtbare, bloemrijke gebieden op deze Vesuvius, vooral uw mannen en vaders, zoals de kalenderdrukker de zon doet, een menselijk gezicht geven, dat op de juiste wijze de mannelijke zowel als de solaire verblinding wegneemt.
Het tweede en grootste deel van het boek bevat de levensbeschrijving van een schoolmeester, die – met uitzondering van negen of tien hoofdstukken iets minder geschikt is voor meisjes; des te beter voor hen en voor mij als ik mij wat dat betreft in de overige hoofdstukken zou vergissen. Met deze biografie wil de schrijver u, lieve vrienden, minder een genoegen bereiden dan wel u leren hoe het te genieten. Waarlijk, Xerxes had geen prijsmedailles moeten uitloven voor het uitvinden van nieuwe genoegens maar voor een goede methodologie en handleiding om van de oude te genieten.
Ik heb nimmer meer dan drie wegen kunnen ontdekken om gelukkiger (niet gelukkig) te worden. De eerste weg, die de hoogte ingaat, is: zich zo hoog boven de wolken des levens verheffen, dat men de hele uiterlijke wereld met haar wolvekuilen, knekelhuizen en bliksemafleiders van verre, als slechts een gekrompen kindertuintje, onder zijn voeten ziet liggen. – De tweede is: – zich juist te laten vallen in dat tuintje en zich daar zo gezellig in een voor te nestelen, dat, wanneer men vanuit zijn warme leeuweriksnest naar buiten kijkt, men eveneens geen wolvekuilen, knekelhuizen en stangen ontwaart, doch slechts aren, die ieder voor de nestvogel een boom vormen en een zonne- en regenscherm. – De derde tenslotte – die ik als de moeilijkste en meest verstandige beschouw – is, de twee andere af te wisselen.
Dit wil ik de mensen nu eens goed duidelijk maken.
De held – de hervormer – Brutus – Howard3 – de Republikeinen, de burgeropstanden, het genie, de ontwikkeling van de kunst – kortom, iedereen die een groots voornemen of slechts een voortdurende hartstocht koestert, (al is het maar om de grootste folianten te schrijven) allen verschansen zich met hun innerlijke wereld, zoals de waanzinnige dat ook doet, in negatieve zin, tegen de kou en de hitte van de uiterlijke wereld; elk idée fixe, waardoor elk genie en elke enthousiast, in elk geval van tijd tot tijd, wordt beheerst, scheidt de mens subliem van tafel en bed der aarde, van haar hondsgrotten,*4 wegedoorns en duivelsmuren – gelijk de paradijsvogel slaapt hij al vliegend en op zijn uitgespreide vleugels slaapt hij blind in zijn hoge vlucht door de aardbevingen en grote branden van het leven heen, in prachtige lange dromen van zijn ideale moederland…
Ach, slechts enkelen is deze droom beschoren en die paar worden nog vaak gewekt door vliegende honden*! –
Doch deze hemelvaart is alleen geschikt voor het gevleugeld deel van de menselijke soort, voor het kleinste. Wat moet de arme pennevoerende broeder ermee beginnen, wiens ziel vaak niet eens dekschilden heeft, laat staan iets daaronder – of de gebonden mensen met de beste buik-, rug- en kieuwvinnen, die in de viskaar van de Staat stilstaan en die niet mogen zwemmen omdat de langs de oever vastgeketende kaar of Staat al zwemt in naam van de vissen? Hoe moet ik dan het staand en schrijvend leger zwaarbeladen staatshuisknechten, boekhouders, klerken van alle departementen en alle in de kreeftemand van het staatskantoor opeen gepakte kreeften, die als lafenis met een paar brandnetels zijn overdekt, wat moet ik deze mensen voor weg wijzen om hier gelukkig te worden?
Alleen mijn tweede en dat is deze: een samengestelde microscoop te nemen en daarin te ontdekken dat hun druppel Bourgogne eigenlijk een rode zee is, het vlinderstof pauweveren, schimmel een bloeiende weide en het zand een hoop juwelen. – Deze Microscopische Vermakelijkheden5 zijn duurzamer dan al die dure Badplaatsgenoegens6, ik moet echter deze metaforen uitleggen door middel van nieuwe. De bedoeling waarmee ik Het Leven van Fixlein naar de Lübeckse boekhandel zond, is juist om met dit Leven – vandaar dat ik dit in deze brief niet vaak hoef te doen – de hele wereld aan te tonen, dat men kleine, zinnelijke genoegens hoger moet aanslaan dan grote, de kamerjas hoger dan de uitgaansjas en dat men Plutos’ lotnummers niet meer moet waarderen naarmate er hogere prijzen op vallen, noch een NN d’or meer dan het appeltje voor de dorst en dat niet de grote maar de kleine toevalstreffer gelukkig maakt. – Als ik daarin slaag zal ik met mijn boek mannen voor de toekomst opvoeden die door alles worden gesterkt, door de warmte van hun kamers en hun slaapmutsen – door hun hoofdkussen – door de Heilige drie feesten – door gewone aposteldagen – door de avondlijke zedelijke vertellingen van hun vrouwen, nadat zij ‘s middags als ambassadrices een bezoek hebben gebracht aan de een of andere weduwenwoning, waar hun man niet toe te bewegen was, door de dagen van aderlating van hun novellistes – de dagen waarop wordt geslacht, ingemaakt en ingepekeld voor de barre winter enz. U ziet, ik dring erop aan dat de mens een snijdervogel*7 wordt, die zich niet tussen de zwiepende takken van de door stormen heen en weer gebogen onmetelijke levensboom, maar op een van zijn bladeren een nestje naait en dat hij zich daarin warmt. – De meest noodzakelijke preek die men tegen onze eeuw kan afsteken is: thuis te blijven.
De derde weg ten hemel is de afwisseling van de eerste en de tweede. De tweede is niet goed genoeg voor de mens, die hier op aarde niet alleen de fruithaak maar ook de ploegschaar ter hand moet nemen. De eerste is te goed voor hem. Lang niet altijd heeft hij de kracht om, zoals Rugendas8, midden in een veldslag alleen maar krijgstaferelen te maken of om als Bakhuisen9 midden in een schipbreuk geen andere plank te grijpen dan een tekenplank, om hem te tekenen. En dan duren zijn pijnen even lang als zijn vermoeidheden. Vaker nog ontbreekt het aan speelruimte voor zijn kracht want slechts het kleinste deel van het leven biedt aan een werkende geest Alpen – revoluties – hellingen van de Rijn – Rijksdagen te Worms – en oorlogen met Xerxes en dat is ook maar beter voor het geheel want het grootste deel van het leven lijkt op een als een dorsvloer platgeslagen veld, waarop geen Godhardsberg zich verheft en vaak op een vervelende ijsvlakte, zonder één enkele gletscher vol morgenrood.
Maar juist door lopen rust de mens uit om te kunnen klimmen en na kleine vreugden en plichten is hij uitgerust voor grote. De zegevierende dictator moet het gruwelijk Veld van Mars10 weten om te ploegen tot een vlas- en bietenakker, het krijgstoneel tot een kamertoneel, waarop zijn kinderen enkele goede stukken uit De Kindervriend11 kunnen opvoeren. Als hij dat kan, kan hij mooi de weg van het geniale geluk verlaten en die van het huiselijke inslaan, dan verschilt hij niet veel meer van mij, die zelfs nu – hoewel de bescheidenheid het mij zou moeten verbieden dit te laten merken – die zelfs nu, zeg ik, midden in de schepping van deze brief tóch in staat was te denken dat, als die brief klaar is, het gebak van rozen en vlierbessen, die men voor schrijver dezes in de boter gaarsmoort, ook wel klaar zal zijn.
Omdat ik aan deze brief nog een post-scriptum (aan het eind van het boek) toe wil voegen, bewaar ik wat ik nog te zeggen had over het derde, half satirische, half filosofische deel van dit werk met opzet voor dat naschrift.
Hier laat de schrijver, uit eerbied voor de rechten van een brief, zijn halve anonymiteit varen, en ondertekent hij voor de eerste keer met zijn hele ware naam. Hof in Voigtland, 29 Juni 1795.
 
Jean Paul Friedrich Richter.
 
 
* Zo worden de vampiers genoemd.
1.Oorbloemen: gouden krullen als versiering van muts of kap. Bij Jean Paul ‘ohrrosen’ (oorbellen).
2.Inhalery: respireermachine, uitgevonden door Mudge.
3.John Howard (1726-1790) Engels filanthroop. Schreef ‘The State of Prisons in England and Wales; and an account of some Foreign Prisons.’ (1777) Hij pleitte voor verbeteringen in het ziekenhuis- en gevangeniswezen.
* Zo worden de vampiers genoemd.
4.Hondsgrotten: Toespeling op de ‘grotta del cane’ bij Napels. Deze was bij de oude Romeinen beroemd om zijn luchtledigheid. Oorspronkelijk wierp men er slaven in, later honden, die onmiddellijk stikten.
* Zo worden de vampiers genoemd.
5.Microscopische Vermakelijkheden: Parodie op de eertijds gebruikelijke titels van wetenschappelijke werken.
6.Badplaatsgenoegens: Parodie op de titels van kuuroordgidsen.
* Zo worden de vampiers genoemd.
7.Snijdervogel: vogel die een nest maakt door bladeren met halmen aan elkaar te naaien.
8.Rugendas (1666-1742) schilder van veldslagen uit Augsburg. Hij maakte tijdens de beschieting van Augsburg (1703) en de slag bij Blennheim (1704) schetsen naar de natuur.
9.Bakhuizen (1631-1709) Hollands schilder. Ging dikwijls tijdens storm in een klein bootje de zee op om het effekt te bestuderen.
10.Veld van Mars: Hier het plein voor de Parijse Militaire Academie, waarop zich tijdens de revolutie vele gruwelijkheden afspeelden.
11.De Kindervriend: Periodiek voor kinderen, (1775-1782) uitgegeven door de toneelschrijver C.F. Weisse.