Aangezien ik me richt tot de lezers van een kwaliteitskrant, dat wil zeg­gen een krant die kwistig is met zeer ‘gewichtige’ verklaringen van de ‘grootste’ publicisten ter wereld, hoef ik ze niet te vertellen dat we waarschijnlijk al op de voorboden van een nieuwe beschaving stuiten, terwijl de ruïne van de voorgaande al eeuwen wordt geprolongeerd. De aanwijzingen voor het nieuwe tijdperk zijn vooral te vinden in de schil­derkunst van de Parijse school sinds Cézanne, en in de Franse poëzie van de jaren zeventig in de vorige eeuw. Het lijkt er alleen op dat de poëzie nu een beetje achterloopt op de schilderkunst omdat zij minder werken heeft opgeleverd die geconstrueerd zijn en weerklank vinden door hun vorm alleen (maar we zijn ermee bezig).

Sinds de Eerste Wereldoorlog wordt alles beheerst door het grote schisma in de beschaving die ten einde loopt, waardoor de ontwikke­ling wordt versneld. Alleen de genieën van de schilderkunst, met Braque voorop, houden de nieuwe geest levend. Kortom, pas sinds enkele jaren is het wel zeker (nadat we eerder bijna allemaal het tegendeel hebben geloofd) dat we blij mogen zijn dat we ons aan deze kant bevin­den, vanwege het feit dat de aangename anarchie die hier regeert ten­minste de kiemen laat leven, laat wortel schieten (meestal trouwens in de misère), maar in elk geval laat leven en soms aan de oppervlakte laat komen.

We weten eindelijk sinds kort – en dit is wezenlijk MODERN – hoe beschavingen geboren worden, leven en sterven. We weten dat na een periode van het ontdekken van nieuwe waarden (die altijd direct aan de kosmos zijn ontleend, maar op een verheerlijkende, niet op een realisti­sche manier) hun uitwerking volgt, de verheldering, de dogmatisering, de verfijning ervan; we weten vooral, omdat we dat in Europa al sinds de Reformatie meemaken, dat zodra de waarden gedogmatiseerd zijn, de schisma’s komen, waaruit vroeg of laat de catastrofe volgt.

Ja. Dat is wat wij niet kunnen vergeten, dat is wat enkele dichters hebben begrepen. Als de GROOTHEID van de moderne mens, en mis­schien voor het eerst een VOORUITGANG(?), ergens in schuilt, dan daarin. Wij weten best dat wij noodzakelijkerwijs de hele cyclus die ik zojuist beschreef moeten doorlopen, want zo zit de menselijke geest in elkaar. Op zijn minst zullen wij maatregelen nemen om nooit in een van die stadia te blijven hangen en vooral om zo snel mogelijk de ge­duchte klassieke periode door te komen, die van de volmaakte mytholo­gie, die van de dogmatisering. Zo zullen wij, liever dan NOODLOTTIGERWIJS in de catastrofe te eindigen, DE WAARDEN ONMIDDELLIJK AFSCHAFFEN, in elk werk (en in elke techniek), OP HETZELFDE MOMENT WAAROP WE ZE ONTDEKKEN, UITWERKEN, VERHELDEREN en verfijnen. Dat is bijvoorbeeld in de poëzie de les van Mallarmé. Dat is trouwens het geval met alle grote meesterwerken en dat wat ze eeuwig waardevol maakt; omdat de BETEKENISSEN ER DUBBEL IN OPGESLOTEN ZITTEN, net als in het geringste OBJECT of in de ge­ringste persoon, is er niets dat ze verhindert om steeds het uur te slaan, het seriële uur (dat van de Hel of van het Paradijs).

In deze omstandigheden zal men zonder twijfel begrepen hebben wat volgens mij de functie is van poëzie. Dat is het voeden van de menselij­ke geest door hem in contact te brengen met de kosmos. Om de verzoe­ning tot stand te brengen hoeven we onze pretentie om de natuur te be­heersen alleen maar af te zwakken en onze pretentie om er fysiek deel van uit te maken te versterken. Wanneer de mens er trots op zal zijn, niet alleen de plaats te zijn waar ideeën en gevoelens worden uitge­werkt, maar evengoed het knooppunt waar ze vernietigd en versmolten worden, dan zal hij rijp zijn om gered te worden. De hoop is dus geves­tigd op een poëzie waardoorheen de wereld de menselijke geest dusda­nig overweldigt dat hij er bijna zijn spraak van verliest, en dan opnieuw een brabbeltaal uitvindt. De dichters dienen zich absoluut niet bezig te houden met hun menselijke betrekkingen, maar in de diepste put te ver­zinken. De samenleving zorgt trouwens wel dat ze daar terechtkomen, en de liefde voor de dingen houdt ze daar; zij zijn de ambassadeurs van de sprakeloze wereld. En als zodanig stamelen ze, mompelen ze en ver­zinken ze in de nacht van de logos, – tot ze tenslotte aangetroffen wor­den op het niveau van de WORTELS, waar de dingen en de formulerin­gen met elkaar samenvallen.

Dat is waarom de poëzie, wat men er ook tegen heeft, veel belangrijker is dan welke andere kunst of wetenschap ook. Dat is ook waarom de echte poëzie niets te maken heeft met wat men tegenwoordig in poë­ziebundels aantreft. Ze is dat wat zich niet als poëzie presenteert. Zij is aanwezig in de hardnekkige kladjes van een paar maniakken van de nieuwe omhelzing.

Waarschijnlijk is het uiteindelijk dus de schoonheid van de wereld die ons het leven zo moeilijk maakt. Wat zeg ik, moeilijk? Zij is het on­mogelijke, dat voortduurt. Wij moeten alles nog zeggen… en wij kun­nen niets zeggen; daarom beginnen we elke dag opnieuw, over heel uit­eenlopende onderwerpen en volgens het grootst denkbare aantal procédés. Wij zijn absoluut niet van plan een MOOIE tekst, een mooie bladzij, een mooi boek te schrijven. Welnee! Wij accepteren het dood­eenvoudig niet VERSLAGEN te worden door: 1. De schoonheid of het belang van de natuur of, eerlijkgezegd, van welk object ook. Wij heb­ben bovendien geen enkel gevoel van een hiërarchie in de dingen die gezegd moeten worden; 2. We accepteren niet verslagen te worden door de taal. Wij blijven proberen; 3. Wij hebben elk gevoel voor betrekke­lijk succes verloren, en elke zin om het toe te geven. Wij lachen om de gebruikelijke criteria. Wij houden alleen op uit vermoeidheid. Dat ze verdedigd worden door een paar oppervlakkige praatjesmakers be­neemt ons alle lust om voortaan MAAT of OVERMAAT aan te prijzen. We weten dat we achtereenvolgens de ERGSTE dwalingen van de stijlscholen van alle tijden opnieuw uitvinden. Nou, des te beter! Wij willen niet zeggen wat we denken, dat heeft waarschijnlijk geen enkel belang (zoals men hier ziet). Wij willen VERSTOORD worden in onze gedachten. (Heb ik het duidelijk genoeg gezegd? Ik herhaal het.)

De sprakeloze wereld is ons enige vaderland. Wij gebruiken haar rijkdom naar de eisen des tijds.

 

Deze tekst uit 1952 is opgenomen in het boek Méthodes, 1961.