De modder bevalt nobele zielen, omdat hij voortdurend geminacht wordt.
Onze geest maakt hem te schande, onze voeten en onze wielen pletten hem. Hij bemoeilijkt het lopen en maakt vuil: dat vergeeft men hem niet.
Wie wil een modderfiguur slaan? Met modder gooien!, zegt men van laaghartige en berekenende beledigingen. Zonder te bedenken dat men hem te schande maakt, dat men hem eeuwig onrecht aandoet. Wie zou zo’n voortdurende belediging verdienen? Wat een wrede volharding!
Verachte modder, ik hou van je. Ik hou van je vanwege de verachting die je ten deel valt.
Spring op, modder in de ware zin des woords, uit mijn geschrift in het gezicht van je beschimpers!
 
Je bent zo mooi na het onweer dat je week maakt, met je blauwe vleugels!
 
Wanneer de naaste omgeving verdonkert, donkerder wordt dan de verten, en na een lange tijd van somber gemijmer de slagregens de grond opeens ranselen en de modder week maken, dan wordt hij door een zuivere blik aanbeden: die van het azuur, dat alweer neergeknield is over dit slijkachtig lichaam, al te zeer geradbraakt door vijandige karren -maar in de lange tussenpozen worden onze stappen geleid door de onveranderlijkheid en de vrijheid waarmee een taling terugkeert naar zijn hardnekkige plas.
 
Zo verandert een woeste plek in het vriendelijkste kruispunt, het stoffigste voetpad.
 
De fijnste bloem van de grond vormt de beste modder, de modder die zich het best verdedigt tegen de aanslagen van de voet; alsook tegen alle vormgevende bedoelingen. En die tot slot ook het kwiekst spat op het gezicht van zijn verachters.
 
Hijzelf verbiedt het benaderen van zijn middelpunt, dwingt tot lange omwegen, zelfs tot steltlopen.
 
Dat is misschien niet omdat hij ongastvrij of afgunstig is; want onbemind als hij is, als u hem ook maar een beetje avances maakt, hecht hij zich aan u.
 
Jij modderbeest, dat mijn kousen vastgrijpt en die me met een hinderlijk enthousiasme in de ogen springt!
 
Hoe ouder hij wordt, hoe plakkeriger en taaier. Als u zijn domein binnendringt, laat hij u niet meer los. Het is of er verborgen strijders in hem schuilgaan, die op de grond liggen en uw benen vastgrijpen; als elastische valstrikken; als lasso’s.
O, wat hecht hij aan u! Meer dan u lief is, zegt u. Ik niet. Zijn aanhankelijkheid ontroert me, ik vergeef het hem graag. Ik loop liever in de modder dan temidden van de onverschilligheid, en liever kom ik bemodderd thuis dan ontgoocheld; alsof ik gewoon niet bestond voor de terreinen die ik betreed… Ik vind het heerlijk dat hij mijn pas vertraagt, ben hem dankbaar voor de omwegen waartoe hij me dwingt.
Hoe het ook zij, hij zou mijn kousen niet loslaten; hij zou er liever op opdrogen. Hij sterft waar hij zich hecht. Hij is als een minerale klimop. Hij verdwijnt niet bij de eerste borstelstreek. Je moet hem afschrapen met een mes. Voordat hij tot stof vervalt – wat het lot is van alle koolhydraten (en het zal ook uw lot zijn) – als u hem gestempeld heeft met uw voetstap, heeft hij u dichtgeplakt met zijn zegel. Wederzijds merkteken…
Hij sterft terwijl hij zijn grijpers dichtknijpt.
 
De modder bevalt de dappere harten, want die zien er een gelegenheid in om het zich moeilijk te maken. Zeker boek, dat zijn tijd heeft gehad, en dat in zijn tijd al het goed en het kwaad heeft uitgericht dat het doen kon (men heeft het lange tijd als Heilig Woord beschouwd), beweert dat de mens gemaakt is uit modder. Maar dat is duidelijk een leugen, even schadelijk voor de modder als voor de mens. Men bedoelde alleen de mens ermee te schaden, zo graag wilde men hem vernederen, hem elke pretentie ontnemen. Maar wij spreken hier uitsluitend om elk ding (evengoed als de mens zelf) zijn pretenties terug te geven. Wanneer we het over de mens hebben, zullen we over het de mens hebben. En als het over de modder gaat, over de modder. Ze hebben natuurlijk niet veel gemeen. Er is in elk geval geen stamverwantschap. De mens is veel te volmaakt, en zijn vlees te roze, om gemaakt te zijn van modder. Wat de modder betreft, zijn voornaamste pretentie, en de duidelijkste, is dat men niets van hem kan maken, dat men hem op geen enkele wijze vorm kan geven.
Hij gaat – en dat is wederzijds – door huisjesslakken, wormen en naaktslakken heen – zoals slijk door sommige vissen: onverstoorbaar.
Als ik dichter was, zeker, dan zou ik (zoals men gezien heeft) kunnen spreken over de lasso’s, het klimop, de liggende strijders van de modder. Zo zou hij dan in mijn boek opdrogen zoals hij opdroogt op de weg, in de plastische toestand waarin de laatste die in de modder vastliep hem achterlaat…
Maar aangezien ik veel meer waarde hecht aan de modder dan aan mijn gedicht, welaan: ik wil hem de kans geven en hem niet teveel overschrijven naar de woorden. Want hij staat vijandig tegenover vormen en houdt zich op aan de grens van het vormeloze. Hij wil ons verleiden tot de vormen om ons dan tot slot de lust te doen vergaan. Het zij zo! En ik zou er dus niet meer over kunnen schrijven dan op zijn best, tot zijn glorie, tot zijn schande, een voortvarend onvoltooide ode…
 
 
 
Deze tekst uit 1942 is afkomstig uit Pi├Ęces.