(Wenn man unter Ewigkeit nicht unendliche Zeitdauer, sondern Unzeitlichkeit versteht, dann lebt der ewig, der in der Gegenwart Iebt.)

Vanavond weer eens een kapitteltje Ludwig
gelezen – zie boven – en onmiddellijk B. gebeld.

Ja, zei ze en i.v.m. de tijdeloosheid nam ik
mij voor om de oude beproefde methode van keizer
Houang Ti (2698 v. Chr.) te proberen.

Gandalf 13: ‘Onder het knersen der tanden en lozen
van diepe zuchten perste hij het zaad vermengd
met vrouwelijk vocht terug naar de hersenen. Hij werd
zo oud dat men zich later niet kon herinneren of
hij eigenlijk ooit was gestorven…’

B. kwam en er was veel eeuwigheid tussen haar dijen,
maar nu zij opstaat om een sigaret te zoeken, zie ik
dat ik toch een eenvoudig sterveling ben. Er vallen
bleke droppels op m’n zwarte vloer – ik hoor ze
tikken als een verre klok.

 
 
 
 
Our revels now…

Als J. met mijn handdoek
haar vakantie van God
en kerk vaarwel wrijft,
zie ik haar bukken:

naar haar slipje aan
het voeteneind van ‘t bed
(haar borsten zijn mooi
als ze hangen)

onder het gewicht van
de hele geref. gemeente
(haar gezicht trekt lang-
zaam en triest recht-
schapen)

 
 
 
 

‘We want another war’
(voor M.)

Zoals die Chileense dichter, m’n lief,
zou ik vannacht zeer trieste verzen
kunnen schrijven – maar ja, poëzie is
tenslotte geen buikpijn en zonder nou
direct in de waanzin van halfzachte
goden te vervallen: (zo hip ben ik een-
voudig niet) de chemie doet wonderen
soms en verder Ferre Grignard, zie boven,
2 maal 12watt versterkt.

Totdat de buren onder aanvoering van
een pacifistisch orgelman in tijger-
sluipgang oprukken…