nu

Er is geen jezus veranderd / terwijl de geur
van brandend vlees zich verdikt
tot luchtige woorden en welvaart, veroudert
de taal, sneller dan ooit

ik dacht aan darmen plus deze rood
kleurige modder die de eigennamen vermengde
tot grondsop voor zonen, toen ik
uw veertjes uiteenschoof

de meisjes gaan gretiger open, onze kleuters
belikken de maan, in een hangmat
van napalm verdedig ik
het kwetsbare thuisfront –
 
 
 
wintervermaak

Wij stookten de kamer gloeiend
dampend sneed zij een broodje
in een waas vond ik de kaasstolp
en belegde overvloedig

geluk / haar linkervoet knakte
zo onbeschrijflijk over de klinkers
dat mijn ogen en lippen
elkaar elkander betwistten

ik haar prijzend: my bathroom
zij mompelend, verpakt in een orgel:
smakelijk eten –
 
 
 
luistervink

Ik luister met mijn grote oor
op haar kleine borsten
er tikt iets en het is
mijn roestvrij stalen horloge

beelden hakkend van wezels in riet
roeiend in een plastic boeier
denk ik: dit hier is vlees / god goden
als ik mijn ogen open dan sterf ik

dus naderen zwaluwen, kirrend
als de pijl die mijn moeder doodde

schrijf ik haar naam op haar huid
dan giechelt zij liefde –
 
 
 
bijgenaamd

Deze dij ruikt naar korea
zei de blinde oud-strijder
bijgenaamd neushoorn
zich voedend met vuur
water en zout

minder dan vochtig sprang de naam
hem de tastende hand uit, hij ijsde
nog even, rinkelde, plofte, maar was al voorbij
het standbeeld, voorgoed

de gedachte aan brandgeur bleef tijdens
de maaltijd aarzelend hangen, maar dook
dan noodgedwongen onder in een
gepoederde roos, terwijl de spijs
vertering jubelend inzette –
 
 
 
woman in shanty-town

Waar de liefde ook woont – dit is een huis
van blik en karton
en minder dan dat

steen is iets waarvan de straten
te hard zijn

god is van hout en de meester draagt
twee gouden horloges

eens mocht ik drinken uit zijn zilveren bekken
alle mensen zijn van vlees, zei hij –
 
 
 
liggend naakt

Ik lig liever dan dat ik staan moet
liggend bedenk ik: vandaag
maar eens bonen met spekvet

ik knuffel mijn liezen, schenk
mijn aanstaande zonen het vliegbrevet
en voor later een meisje
als ik

constateer, uitziend over mijn lichaam:
mijn tepels zijn hard als de knopen
der jarretelle
en ik zie, meer dan ik voel
hoe ik ril

denk, ik groei niet als een plant
in de grond, maar de grond
reikt door mijn voeten ten hemel, ook
en juist als ik lig –