De geluiden van verdrinkende rivieren,
van schaduwslepende bossen verkillen op mijn gezicht,
met zwarte kaarsen op weg naar het Oosten,
besneeuwde bergdennen aansteken,
meisjes, buiten de glans van de bloeiende kersebomen:
ik omhels de beelden van mijn herinnering,
ik steel een schittering die onder de zolen van mijn zonden
tot de grond moet reiken, en rode stenen
uit de zakken van de dageraad, van verzonnen vogels
op de blinde ramen draagt de wind de schreeuw,
waar blijft die man nou die de wereld verlost,
door de lucht vliegen zakdoeken, uit de gevouwen
handen van de doden gerukt,
de geluiden van verdrinkende rivieren,
van schaduwslepende bossen verkillen op mijn gezicht.