Tekst van een voordracht, gehouden op 1 dec. 1967 te Amsterdam voor de Vereniging der Studenten in de Nederlandse letteren aan de Universiteit van Amsterdam helios.
In de citaten van Bolland en Huizinga is de spelling waarin deze auteurs schreven gehandhaafd. Ik ben van dit soort pedanterie in het algemeen geen aanhanger. Ook spijt het me, vooral voor de teksten van Huizinga, dat deze zodoende nog eens extra in het antieke zonnetje worden gezet.
Het is niet mijn bedoeling teksten die volgens mij inhoudelijk verouderd zijn, nog eens extra ouderwets te maken door een zo goedkoop hulpmiddel als het vasthouden aan de oorspronkelijke spelling. Het enige wat me weerhouden heeft de door Huizinga gebruikte spelling te moderniseren, was de herinnering aan Huizinga’s eigen protesten tegen spellingswijziging.

Dames en Heren!

Het is ruim zesenveertig jaar geleden gebeurd, om precies te zijn het gebeurde op de achtentwintigste september 1921, dat er te Leiden, een Nederlandse universiteitsstad, een academische les werd uitgesproken door G.J.P.J. Bolland. Bolland was hoogleraar te Leiden, zoals de naderhand in druk verschenen academische les vermeldt.
De titel van de les luidt: DE TEEKENEN DES TIJDS.

Het is mogelijk vele uitroepen op te vatten als antwoorden op onuitgesproken vragen. Zo kan een aanhef als de zoëven door mij gebruikte ‘Dames en Heren’, worden opgevat als het antwoord op de vraag: Tegen wie spreekt hij eigenlijk?
Het is duidelijk dat hij tegen dames en heren spreekt.
Wat nu betreft ‘De Tekenen des Tijds’ is het de vraag of deze titel, deze antieke meervoudsvorm van het substantief ‘teken’, voorafgegaan door het lidwoord ‘de’ en gevolgd door het predikaat ‘des tijds’, nu ook een antwoord is op een vraag. Zo ja, dan is het maar de vraag welke vraag dat is.
Het ligt voor de hand te denken dat een zo ernstig en destijds beroemd man als wijlen Professor G.J.P.J. Bolland, niet een hele, zij het kleine, universiteitsstad met een academische les zou hebben verveeld, als er geen tijd bestond en deze geen tekenen vertoonde. Nadere kennisneming van de les – dat hebben we tot dusverre niet gedaan, d.w.z. u niet, maar ik wel, – bevestigt het vermoeden volledig en zo komen we dan ook gemakkelijk tot de vraag waarop de titel DE TEEKENEN DES TIJDS een antwoord vormt.
Die vraag luidt natuurlijk: Vertoont de tijd tekenen?
Professor Bolland heeft deze vraag toestemmend beantwoord.
De tijd is dus in het bezit van tekenen. Gedurende zijn les kwam geen enkele twijfel daaraan bij de hooggeleerde spreker op, het was geen punt van discussie voor hem. Hij nam aan dat de tijd tekenen vertoonde.
Maar wat verstond Bolland onder ‘tijd’?
Of welke tijd bedoelde hij toen hij de titel van zijn academische les neerschreef?
Bolland laat ons daarnaar gissen en we moeten dus zelf de moeite nemen het antwoord te zoeken.
We kunnen antwoorden dat Bolland er wel het jaar 1921, voor zover het op dat ogenblik verstreken was, mee zal hebben bedoeld. Het jaar 1921 en waarschijnlijk enkele jaren die daaraan voorafgegaan waren. Laat ons zeggen, om de gedachten te bepalen: de jaren 1917 tot en met 1920. Maar dan? Waarnaar kunnen een paar jaartallen verwijzen? zal een ontevredene vragen.
Deze ontevredene zal nog verder moeten gaan met gissen naar de tijd waarover Bolland sprak en hij zal zeggen: het was de tijd van de Russische revolutie, de tijd van de wapenstilstand die een eind aan de Eerste Wereldoorlog maakte. De tijd waarin tronen wankelden en kronen wel niet over de straatkeien rolden zoals soms beweerd wordt, maar toch wel naar musea verhuisden, als ze tenminste niet in paleizen bleven die zelf in musea veranderden. De tijd waarin arbeiders achter rode vlaggen de pleinen vulden, vrouwen haar corsetten uitlieten, sigaretten gingen roken en stemrecht kregen. De ongeletterde massa begon zich met voetballen en wielrennen te vermaken, het vliegtuig werd ten dienste gesteld aan het personenverkeer en de spreker van hedenavond zag het levenslicht. Kortom, een tijd vol opmerkelijke gebeurtenissen.
Ik neem maar aan dat degene die zo spreekt in Bollands geest spreekt en dat de tijd op zichzelf voor hem geen probleem is, evenmin als het dat voor Bolland was.
‘Het is een teken des tijds’ – heel gebruikelijke Nederlandse uitdrukking waarvan niemand zich afvraagt wat er nu eigenlijk mee bedoeld wordt. Klaarblijkelijk begrijpt dus ook zo wel iedereen wat ermee wordt bedoeld.
Een teken des tijds – dat is aan de ene kant een kenmerk van de tijd, maar het is tegelijkertijd ook een symptoom. Het is een teken dat enerzijds verwijst naar een toestand die al bestaat, dat representatief is voor een bepaalde toestand, maar tegelijkertijd wijst het ook naar de toekomst. Waarheen gaan wij? vraagt de bezorgde denker zich af.
Het teken des tijds wijst hem aan waarheen we gaan en niet zelden is dat de algehele ondergang.
Zó ongeveer zou men kunnen beschrijven in welke betekenissen de uitdrukking ‘de tekenen des tijds’ wordt gebezigd door de gemiddelde taalgebruiker. Ik geloof niet dat iemand iets onredelijks, bijzonders, buitenissigs of ongehoords in deze beschrijving zal kunnen ontdekken. Zij is dan ook niet afkomstig uit de academische les die in 1921 werd gehouden te Leiden, door Bolland, na Spinoza de grootste filosoof die Nederland ooit heeft opgeleverd.
Wie in deze academische les zou zoeken naar kenmerken van een destijds bestaande toestand, kenmerken die door de Leidse wijsgeer onderkend worden als Symptomen, Symptomen die door de onvergelijkelijke Bolland geïnterpreteerd worden als tekens die naar een bepaalde toekomst verwijzen en zich vervolgens afvraagt: welke was die toekomst, die Bolland ons in 1921 voorspelde en is zijn voorspelling uitgekomen? – die komt, dames en heren, zeer bedrogen uit.
Bolland sprak, na een korte aanloop over zijn eigen gezondheidstoestand en na de mededeling gedaan te hebben dat men hem verlof met behoud van bezoldiging had toegekend, als volgt:
‘Bij wijze van voorspel of inleiding wilde ik U van avond om te beginnen onderhouden over de teekenen des tijds in onze dagen. Die teekenen zijn vanzelf ontelbaar, doch vele ervan laten zich bespreken onder één hoofd: het wezen en de gevolgen der democratie, der stelselmatig en eenzijdig doorgedreven democratie.’
Een opmerkelijk citaat. Hier staat immers niets meer of minder dan dat het ‘wezen’ en de ‘gevolgen’ der democratie ‘tekenen’ zijn. Tekenen van wat? Antwoord: ‘des tijds’ Vraag: ‘des welken tijds’? Antwoord: ‘tekenen des tijds in onze dagen.’
Elke hoop dat de tijd anno 1921 zoiets als een lichaam was, waaraan bepaalde, voor mijn part zorgwekkende symptomen konden worden waargenomen, waaruit dokter Bolland het verder verloop van de ziekte voorspelde, is hiermee de bodem ingeslagen. Wij hoevan zesenveertig jaar later er niet op te rekenen dat we ons kunnen bezighouden met het vormen van een oordeel over dokter Bollands filosofische geneeskunde, dat we de juistheid van zijn diagnose kunnen betwisten of onderschrijven en dat we kunnen vaststellen of de behandeling die hij de patiënt voorschreef doeltreffend geweest is of niet. Want hij beschreef helemaal geen symptomen, hij stelde geen diagnose na zorgvuldige inductieve redeneringen.
Zijn diagnose stond bij voorbaat vast. En wat was het? Wel, dames en heren, het was kanker.
De beschaving, zegt hij op pagina 7, is sinds 1918 ‘verkankerd’. De arbeidersbevolking van de grote steden is een ‘verkankerd overblijfsel’ n.l. van ‘het organische en georganizeerde volk’ (p. 8) en op pagina 11 staat het onomwonden, voor zover het er ooit verhuld heeft gestaan: ‘Eene beschaving die zóo is verloopen, moet bestemd zijn, om door zelfverkankering aan haar einde te komen, een einde vol smerigheid, stank en verrotting.’
U ziet het: Men kan niet zeggen dat Bolland zesenveertig jaar geleden niets voorspeld heeft, maar wat hij nu precies voorspeld heeft zal ons, zo van top tot teen verkankerd als we in de loop van die zesenveertig jaren er hier wel moeten bij zitten, nog niet helemaal duidelijk zijn.
Pas op pagina 14 van de zesendertig bladzijden tellende rede, komt de spreker met een paar concrete tekens voor de dag en die had hij dan nog niet eens zelf waargenomen. Neen, hij ontleende ze aan (ik citeer) ‘de helderziende, meer bepaaldelijk met het astrale gebied vertrouwde Charles Webster Leadbeater, de stille verstrekker van ingevingen aan de pronklievende en voor de vertooningen zorgende mevrouw Annie Besant, de man van Adjar bij Madras, die Krishnamoerti had voorbereid.’
Volgt nog het een en ander over de theosoof Leadbeater dat ik nu maar oversla. Ik vermeld alleen in het voorbijgaan dat de bollanderige kwalificaties van deze Leadbeater niet allemaal in Leadbeater’s voordeel spreken, maar ondanks dat citeert Bolland hem toch met de grootste instemming.
Leadbeater dan, had het volgende gezegd:
‘De nood van de wereld is onmiskenbaar groot. En nooit dat hij (Leadbeater) weet, is er eene beschaving geweest, waarin men zoo gejaagd heeft geleefd en zooveel haast heeft gehad als wij tegenwoordig.’
Dat jachtig leven, dat hebben van haast, Leadbeater wist wel waar het van kwam.
‘Dat komt,’ zou Leadbeater gezegd hebben volgens Bolland, ‘dat komt altegader van onze nieuwe verkeersmiddelen, van onze spoorwegen en onze stoomschepen, onze elektrische telegrafen en onze dagbladen.’
Het lijkt heel wat, maar toch was Leadbeater niet volledig. Want na de zojuist geciteerde passage volgt in Bollands geschrift een haakje en wat staat er achter dat haakje? Daarachter staat een volstrekt originele bijdrage tot de cultuurramp van Bolland zelf:
‘(Voegen wij bij: onze krachtwagens en stoomfietsen.)’
Maar dan direct daarop weer een Leadbeatercitaat: ‘Het verwoest gestel en gezondheid van vele menschen.’
Ook daar weet Bolland weer zelfstandig van mee te praten.
‘Al te waar!’ roept hij uit. ‘Zóó waar, dat reeds de gewone fiets, in de samenleving onzer dagen eene onontbeerlijkheid, meteen hare bedenkelijkheid en zelfs verderflijkheid heeft als trillend en schokkend verderver vooral van den vrouwelijken onderbuik, om niet te spreken van de fiets als middel tot heimelijk verkeer en factor van gezag vernietigende of democratische verijdeling eener zedelijke opvoeding.’
Zo sprak Bolland in het jaar 1921. Niet Lenin kwam ter sprake, noch Einstein, maar de fiets. De grote Bolland, zoals Menno ter Braak hem nog noemde (Verz. Werken I, p. 223), ondanks Dèr Mouw’s vernietigende kritiek op Bolland.
En nergens vinden we bij Ter Braak een verwijzing naar een ander trekje van de Leidse Fietsenmaker. U heeft zich misschien al wanhopig zitten afvragen of Bolland nog meer oorzaken wist te vinden van al die kanker, verkankerdheid en zelfverkankering, die democratische verijdeling ener zedelijke opvoeding en al die ook toen al niet meer nieuwe stomende, elektrische, trillende, schokkende en vrouwenbuiken verdervende middelen van vervoer. En ja hoor, natuurlijk was dat lang nog niet alles. U raadt nooit wat onze amateur-gynaecoloog nog meer vond.
Ik lees voor van bladzijde twintig van de brochure:
‘Een groot en niet te overzien aandeel aan de ontwrichting, vervuiling en ontreddering van de Europeesche samenleving onzer dagen – het bedroeft mij dat ik het zeggen moet – (en mij bedroeft het dat ik het moet voorlezen. WFH) heeft boven en behalve de buitenlandsche vrijmetselarij, of als macht erin, het internationale Jodendom, dat reeds of juist in zijn rechtzinnigheid niet het lam te midden der volken is geweest, waarvoor de Joodsche schriftgeleerden het hebben verklaard. In de middeleeuwen is de slavenhandel, in den nieuweren tijd de handel in meisjes in Joodsche handen geweest en het Poerimfeest, het groote Joodsche feest der wrake, kan ons doen bedenken dat de Jood in het algemeen genomen van nature vinniger, ijverzuchtiger en wraakgieriger, kortom minder goedmoediger is dan wij.’
Volgen om dit te bewijzen een aantal zeer ethnocentrische spreuken van enige duizenden jaren her. Ze zijn namelijk afkomstig uit de Bijbel en dus helemaal niet uit de tijd waarvan Bolland beweerde de tekenen te duiden.
Toch zegt Bolland, op grond van die duizenden jaren oude spreuken, ook dit nog over de Joden: ‘Ze blijven vreemdheden in ons ònjoodsch organisme, onverteerbaarheden en onverwerkbaarheden, die in het Europeesche samenlevingsgestel ziekelijkheid van gevoel en onwelzijn veroorzaken, tot verettering toe.’
Ik zal het voorlezen hier staken. Als het u verder nog interesseert, moet u Bollands academische les zelf maar lezen. Er is heus nog wel hier of daar een exemplaar van te vinden. Want geen wonder, enkele maanden nadat Hitlers troepen in 1940 Nederland hadden bezet, werd Bollands negentien jaar oude rede prompt herdrukt en in grote aantallen verspreid. Over tekenen des tijds gesproken! Het mag met recht een teken voor die tijd worden genoemd, dat Bollands teekenen des tijds toen werd herdrukt.
Bolland gaf de geest, vier maanden na het uitspreken van de academische les, die ogenschijnlijk weinig vrucht gedragen heeft, maar mij doet twijfelen, gezien het gezag dat Bolland genoot, of Mussert en Hitler nu wel zo verschrikkelijk on-Nederlands waren als sommige andere hoogleraren niet ophouden te verkondigen.
De volgende wichelaar van de tekenen des tijds vinden wij eveneens te Leiden gezeteld. Het is een heel wat verkwikkelijker figuur dan Bolland. Ik moet u zelfs bekennen dat het mij enigszins beschroomd maakt straks ook met hem misschien de spot te zullen moeten drijven. In vergelijking met Bolland is hij een wonder van wetenschappelijk denken en bovendien een goed stylist. De voorspelde algehele verkankering heeft Leiden klaarblijkelijk enigszins gespaard, want van alle Nederlanders die in de twintiger en dertiger jaren de pen gevoerd hebben, is het alleen Huizinga die met recht voor een Nobelprijs in aanmerking had kunnen komen. Huizinga immers was de enige werkelijk internationale beroemdheid onder hen en ook nu nog zijn boeken als Herfsttij der Middeleeuwen of Homo Ludens alom in het buitenland verkrijgbaar, ook in goedkopere uitgaven. Dit alles zonder stuntwerk voor de televisie en zonder dat Huizinga ooit de goedkeuring van Menno ter Braak of Professor Gomperts heeft kunnen wegdragen.
Het zijn niet Herfsttij der Middeleeuwen of Homo Ludens geweest, waarin Huizinga op zijn beurt de tekenen van de tijd verklaarde. Aan die bezigheid heeft hij zich pas met hart en ziel overgegeven in een boek dat hem op slag tot een wereldsucces zou maken, maar dat nu totaal vergeten is, namelijk In de Schaduwen van Morgen. Het beleefde tot en met 1951 acht drukken en werd vertaald in het Duits, Spaans, Engels, Zweeds, Italiaans, Noors, Hongaars, Tsjechisch en Frans.
Niet dagelijks valt een auteur zo’n paradoxaal lot ten deel, dat hij beroemd wordt door een boek dat in vergetelheid raakt en beroemd blijft door boeken die misschien nog onopgemerkt zouden zijn, als het vergeten boek de schrijver niet onder de aandacht had gebracht. Huizinga was geen sterrenwichelaar zoals Bolland en meende niet een Allerhoogste Waarheid te kennen, de stamvader van alle waarheden. Huizinga meende dus niet dat hij door de stamvader te kennen ook, met behulp van logische deductie een oordeel zou kunnen vellen over de kleinkinderen en wel zonder die kleinkinderen een blik waardig te keuren, nu ja, met uitzondering van de stoomboot, de krachtwagen, de stoomfiets en de gewone fiets.
Huizinga was historicus. Een historicus kijkt naar het verleden, naar gisteren, meestal ziet hij de schaduwen zelfs over het hoofd, zover kijkt hij in het verleden terug. Wanneer dus een historicus de blik van het verleden naar de schaduwen van morgen wendt, moet hij, zoveel is duidelijk, zijn verrekijker honderdtachtig graden hebben gedraaid.
Huizinga heeft dit niet plotseling gedaan, als bij ingeving, of uit een onverklaarbare gril. Huizinga was overtuigd dat het heden niet wezenlijk verschilde van het verleden. Huizinga was, wat ik met een aan de geologie ontleende term zou willen noemen, een actualist.
Het actualisme in de geologie betekent dat men ervan uitgaat dat de processen die veranderingen in de aardkorst te weeg brengen, honderdduizenden of miljoenen jaren geleden dezelfde waren die ook nu nog werkzaam zijn.
De geologie kan gedeeltelijk vergeleken worden met de geschiedkunde. Alleen is de geologie dan een historische wetenschap die zich noodgedwongen uitsluitend op stomme getuigen moet beroepen.
Wanneer men nu zou aannemen dat er vroeger alleen dingen konden gebeuren die onherhaalbaar waren, die geen mens ooit aanschouwd heeft, zou men zich elke weg tot het verklaren van de geschiedenis van de aardkorst afsnijden.
Zo werd ongeveer tweehonderd jaar geleden nog geloofd dat allerlei hoedanigheden van de aardkorst verklaard konden worden uit de in de Bijbel beschreven Zondvloed, een uniek verschijnsel, dat éénmaal plaatsgevonden had op speciaal bevel van God en daarna nooit meer. Pas toen men begreep dat zondvloeden voortdurend terugkeren, met dien verstande dat ze nooit de gehele aarde tegelijk bedekken, in tegenstelling tot de bijbelse zondvloed, toen men inzag dat aan de bijbelse Zondvloed toegeschreven fossielen moesten worden verklaard uit een groot aantal verschillende overstromingen zoals ook nu nog dagelijks plaatsgrijpen, kwam er tekening in de geschiedenis van de aardkorst. Pas nadat onderzoekers als Von Hoff en vooral Charles Lyell het actualisme hadden gepostuleerd, kon de historische geologie tot ontwikkeling komen.
In een Discours sur l’avenir de l’esprit européen zei Huizinga: ‘J’aime le passé pour lui-même et, au fond, je crois que le passé d’il y a mille ans n’est pas beaucoup plus loin de nous que le passé d’aujourd’hui, de l’heure où nous sommes entrés dans cette salle.’
Een van die processen die ik voor deze gelegenheid maar met de processen vergelijk waarvan in de geologie sprake is, proces dus zowel werkzaam in het verleden, als in de tijd waarin Huizinga met zijn gehoor die zaal binnenkwamen, was: l’esprit européen, de Europese geest.
Wat is de Europese geest?
Ik zal op deze vraag geen antwoord geven. U moet het maar nakijken bij de kenners van die materie, pardon geest. Maar ik moet u wel meteen zeggen dat ‘Europese geest’ helemaal niet vergeleken kan worden met een of ander geologisch proces. En wanneer u dit van mij aanneemt, zult u begrijpen dat de vergelijking van de geschiedenis met de geologie geheel mank gaat.
Toch zijn historici en cultuurfilosofen, misschien zonder het te weten of te willen, langs lijnen gaan denken die ook in de geologie worden aangetroffen, toen zij zich de vraag gingen stellen of de geschiedeniswetenschap nog wel iets anders zou kunnen zijn dan een minutieuze encyclopedische inventarisatie van het verleden, of de geschiedenis niet alleen zou kunnen zeggen wat de mensen geweest zijn, maar ook uitspraken zou kunnen doen over wat zij bezig zijn te worden.
Een geschiedschrijver die meent dat het verleden grootser, verhevener, heldhaftiger enz. is geweest dan het heden, noem ik een romanticus. Hij is het tegendeel van een actualist, hij denkt dat er in het verleden dingen mogelijk waren die in het heden niet meer gebeuren. Het verleden was een gouden tijd en het heden is van blik. Maar de actualist denkt dat verleden en heden van dezelfde stof zijn gemaakt.
Wij zullen zien of Huizinga er in geslaagd is elke romantiek uit zijn beschouwingswijze te bannen.
Het zal u bekend zijn dat de geologie bepaalde tijdperken onderscheidt. Tijdperken waarin aardlagen worden afgezet, worden opgebouwd, volgen op perioden van erosie, van afbraak en omgekeerd. De historicus nu, die de beoefening van de menselijke geschiedkunde niet wil opvatten als het inventariseren van een schroothoop, maar als de studie van processen die tot de huidige dag doorgaan en ook in de toekomst nog zullen doorgaan, zal moeten gaan denken op de manier waarop de geologen denken. Hij zal niet alleen de geschiedenis indelen in tijdperken, maar er naar streven te komen tot een indeling waarin tijdperken van opbouw worden afgewisseld met tijdperken van afbraak.
Veel zou de historicus, de actualistische historicus bedoel ik, gewonnen hebben, wanneer hij, zoals de geoloog, van twee dingen zeker kon zijn: ten eerste dat opbouw afgewisseld wordt met afbraak, ten tweede dat opbouw en afbraak volgens bepaalde lijnen verlopen, die niet voor elk tijdperk anders zijn. In alle wetenschappen waarin iets dergelijks kan worden aangetoond, kan men te doen hebben met ritmische of cyclische ontwikkelingen. Wie het ritme en de andere bepalende factoren van een cyclus kent, is dan in staat het volgende stadium van een cyclus vooruit te zien.
Het is de Duitser Oswald Spengler geweest, die deze manier van geschiedbeschouwing aan een grote populariteit heeft geholpen, vooral in Huizinga’s dagen. Wat gebergtevorming en erosie van gebergten voor de geoloog zijn, dat was het ontstaan en vergaan van beschavingen voor Spengler. Zoals de geoloog Davis sprak over de erosiecyclus, zo zou Spengler hebben kunnen spreken over de ondergangscyclus, (want, met morbide belangstelling, was Spengler vooral in de ondergang van de beschaving geïnteresseerd).
Tot zover lijkt alles misschien in orde, maar dat is het niet. Wat gebergtevorming is, ligt in de geologie nauwkeurig vast. Hetzelfde kan niet over begrippen als ‘Europese geest’ of ‘beschaving’ worden gezegd, die noch in de geschiedwetenschap, nog elders nauwkeurig vastgelegd zijn.
Zelfs bij een zo geestdriftig denker als Spengler, begonnen hier de moeilijkheden al.
Spengler onderscheidde drie beschavingen: de dionysische beschaving van de Grieken, de magische van de Arabieren en de faustische (dat wilde zeggen wetenschappelijke) van West-Europa. Voorts maakte hij onderscheid tussen cultuur en civilisatie, waarbij civilisatie dan de verwording van de echte cultuur is, een soort verstarde cultuur, een in stand houden van het verworvene zonder oorspronkelijkheid. Civilisatie doet zich op staatkundig gebied kennen door de vervanging van democratieën door dictaturen, een veeg teken van de tijd.
Wat Spengler hierbij als model voor ogen stond, was het wereldrijk van de Cesaren, dat het laatste stadium van de Antieke beschaving belichaamt.
Groot was in Huizinga’s tijd de suggestie die van Spengler’s denkbeeiden uitging en geen wonder: niet minder dan drie belangrijke Europese landen, Duitsland, Italië en Rusland werden door dictatoren met ceasaristische neigingen geregeerd. Oorlog dreigde voortdurend, hetzij tussen de Ceasaren onderling, hetzij tussen de dictaturen en de overgebleven democratieën.
Hoewel Huizinga geen aanhanger van Spengler mag worden genoemd, zei toch 00k hij: (Verz. W. vii 266) ‘Het Europa van vandaag is aan meer dan een kracht blootgesteld, die het met een terugkeer naar de barbarie bedreigt.’
En in zijn Schaduwen van Morgen schreef hij, op de eerste pagina al: ‘Zal deze beschaving gered worden, zal zij niet verzinken in eeuwen van barbarie, maar met behoud van de hoogste waarden die haar erfgoed zijn, overgaan tot nieuwer en vaster staat, dan is het wel noodig dat de nu levenden zich terdege rekenschap geven, hoever het bederf dat haar bedreigt, is voortgeschreden.’
Een duidelijke definitie van het begrip ‘barbarie’ ontbreekt hier geheel.
Zijn wij, ruim dertig jaar later, inmiddels in barbarie verzonken? Niemand die het kan zeggen, nu Huizinga niet meer leeft.
Huizinga zag trouwens wel, dat Spengler de eulturen opvatte als ‘mystische grootheden die een eigen leven leidden’ (Verz. w. vll, 490) en hij onderschreef die visie niet.
Het denkbeeld dat de geschiedenis van de mensheid als een cyclisch proces kan worden opgevat, is, dat mogen we niet vergeten, veel ouder dan het actualisme in de geologie of de cyclusleer in de geomorfologie. Niet de geschiedschrijvers ontleenden het aan de geologen, maar omgekeerd. De periodisering van de menselijke geschiedenis dateert al uit de Oudheid. Maar terwijl deze periodisering de ruggegraat kon worden van de betrekkelijk jonge geologie en haar tot een echte wetenschap maakte, schiet men er in de geschiedenis van de mensheid niet veel mee op. Wat is barbarie? Wat is de ondergang van een cultuur? Hoe de decadentie te meten?
Geen enkele historicus, antropoloog of cultuurfilosoof weet nauwkeurig wat het onderscheid is tussen cultuur en barbarie. Ook Huizinga’s beschrijvingen van die fenomenen zijn niet concreter dan die van andere cultuurfilosofen.
En juist wegens deze vaagheid, ligt het voor de hand de ondergang van een staat, zoveel gemakkelijker vast te stellen dan die van een cultuur, te verwarren met de ondergang van de cultuur die op het territorium van de staat werd onderhouden.
De Spanjaarden vernietigden niet alleen de staten van de Inca’s en de Azteken, maar ook de burgers van die staten en de voorwerpen die zij hadden voortgebracht. Dus vernietigden zij ook de culturen van Inca’s en Azteken. Maar niet altijd kan de ondergang van een cultuur zo duidelijk worden aangewezen en bijna altijd kan de vraag worden gesteld of niet, omgekeerd, de ondergang van een staat het gevolg is van een ten ondergaande cultuur. De etnologen schijnen het er trouwens over eens te zijn dat de cultuur van de Azteken al over haar hoogste bloei heen was, toen de Spanjaarden Mexico binnentrokken.
Geen cultuurfilosoof zal het goedkeuren wanneer iemand de kracht van een cultuur afmeet aan de kracht van de staat waarbinnen de cultuur ontstaan is. Staat en cultuur zijn niet verwisselbaar. Minstens sinds de Romeinen de Grieken koloniseerden, acht men het bewezen dat een organisatorisch en militair krachtige, maar cultureel onoorspronkelijke staat, een volk van hoge werkelijke cultuur aan zich kan onderwerpen.
En nu geloof ik eigenlijk dat het dit beeld is, dat rondspookt in alle achterhoofden van de wichelaars van de tekenen des tijds en dat het ook rondspookte in het hoofd van Huizinga.
Noch de naam van Hitler, noch die van Mussolini komt men tegen in het Register op de Verzamelde Werken van Huizinga. Klaarblijkelijk was in 1935 de pen van een Leids hoogleraar in de geschiedenis veel te kieskeurig dat zulke ordinaire namen eruit te voorschijn konden komen. Ook in dit opzicht zijn de tijden wel veranderd, zelfs in Leiden. Maar al noemde Huizinga hen niet, toch stonden vooral deze twee spengleriaanse Cesaren voortdurend achter zijn schrijftafel en aan hen is het te danken dat In de Schaduwen van Morgen zulk een onheilspellende bestseller werd.
Kort voor zijn dood, tegen het einde van de oorlog die ook het einde van Hitler en Mussolini betekende, schreef Huizinga: ‘In de jaren vóór deze oorlog dreigde somtijds een slecht begrepen irrationalisme in de handen van halfbeschaafden een doodelijk wapen te worden tegen iederen vorm van cultuur.’
Ik weet niet of irrationalisme ooit goed begrepen kan worden en laat die vraag dus rusten.
Maar het ‘doodelijk wapen tegen iederen vorm van cultuur’? Heeft zo’n wapen ooit bestaan? Ook voor ons is de fascistische uitbarsting nog niet zo lang geleden dat Huizinga’s mening ons onmiddellijk onjuist lijkt. Misschien had hij het bij het rechte eind. Maar misschien ook niet. Heeft het fascisme de cultuur duurzaam aangetast?
Het is waar, dat in 1945 Duitsland, Italië en de landen die door Duitsland bezet waren geweest, op sommige gebieden de nieuwste ontwikkelingen niet kenden. Het is waar dat in Hitler’s Duitsland bepaalde kunstvormen, bij voorbeeld het abstracte schilderen, verboden waren als ‘ontaarde kunst’. Maar even waar is het dat ook Huizinga het streven van Kandinsky, Mondriaan enz., als een vorm van ontaarding opvatte. – Maar aan de andere kant:
Belangrijke technische vernieuwingen zijn uit nazi-Duitsland afkomstig, hadden in nazi-Duitsland een hoge vlucht genomen: het raketwezen natuurlijk, en de vrijgezellenbelasting. Hitler had zijn onderdanen verboden Nobelprijzen te accepteren. Hij creëerde zelf een soortgelijke prijs. Een van de eersten die deze prijs uit handen van zijn Führer aannam, was Doktor Ferdinand Porsche, in wiens creaties de Nederlandse politie heden ten dage de vaderlandse democraten achternazit.
Mussolini bevorderde van staatswege een soort pseudo-monumentale Kitschkunst en zag gaarne dat patriottisch gebral met literatuur verwisseld werd, maar andere kunststromingen werden niet of nauwelijks vervolgd. – Kort na de oorlog was de Italiaanse film-industrie de hoogstgeprezene ter wereld.
Niemand kan bewijzen dat nationaal-socialisme en fascisme de cultuur ‘onherstelbare schade hebben toegebracht’, al kan men dit tot de huidige dag wekelijks in het weekblad Vrij Nederland lezen. De schade die er was, werd in elk geval snel hersteld. Nauwelijks waren in het verslagen Duitsland de laatste schoten gelost, of verboden auteurs als Kafka bereikten een populariteit die niemand ooit heeft kunnen voorzien.
De nu voorbije filosofische mode van het existentialisme, was uit nazi-Duitsland afkomstig.
Martin Heidegger, grondlegger van de existentie-filosofie in z’n moderne vorm, sprak in 1933 tot de studenten van Freiburg: ‘De nieuwe weg naar de opvoeding van onze Duitse jeugd, leidt door de Arbeidsdienst van Hitler.’
Een paar andere van zijn gevleugelde woorden uit die dagen waren: ‘De nationaal-socialistische revolutie is niet alleen een overname van de macht door een andere partij, maar brengt een volledige omwenteling van ons Duitse bestaan.’ En: ‘De Führer zelf en hij alleen, is de huidige en toekomstige werkelijkheid van Duitsland en zijn woord is uw wet.’
Toch is Heidegger’s filosofie geen fascistische filosofie, geen filosofie van het geweld. Toen het existentialisme zich na de oorlog via Sartre over de wereld verspreidde, hebben tientallen kunstenaars zich ertoe bekeerd of tenminste ermee gekoketteerd. Tot de huidige dag hebben demonstraties voor vrede, broederschap en liefde, tegen geweld, tegen de atoombom, tegen rassendiscriminatie, tegen de oorlog in Vietnam, een existentialistische ondergrond. Hoe verschrikkelijk de Tweede Wereldoorlog ook geweest is en welke wreedheden het fascisme ook begaan heeft, toch blijft er maar één verbijsterende conclusie over: dat oorlog, dictatuur, moord, bloedvergieten, vervolging van kunstenaars en allerlei ondragelijke vormen van tirannie, de cultuur niet voorgoed de richting van de barbarie hebben kunnen opdrijven. De autocraten hebben Europa niet kunnen veranderen in een soort Congo, evenmin als, helaas, de democraten Congo hebben kunnen veranderen in een soort Europa.
De onvoorspelbaarheid van culturele ontwikkelingen kan niet duidelijker gedemonstreerd worden dan met dit paradoxale voorbeeld van het existentialisme, dat zijn voornaamste impuls kreeg van een Duitse professor die het aanvankelijk heel goed met Hitler kon vinden.
Huizinga keek anders tegen het existentialisme aan dan wij. Huizinga was er ronduit tegen. Hij was er niet tegen omdat Heidegger lid van de Duitse nazi-partij was, want dat wist hij waarschijnlijk niet. Maar hij zag er een schaduw in, een duister woordbrouwsel, dat het heldere denken overschaduwen zou, kortom een ‘schaduw van morgen’.1
Het Heideggeriaanse taalgebruik werd in Nederland geïntroduceerd door Beerling in zijn bundel opstellen Antithesen, ook in 1935. Huizinga schreef een voorwoord bij deze bundel en hield zijn afkeer van het existentialisme ook daar niet verborgen.
Maar in zijn Schaduwen van Morgen schreef hij en de gave van de profetie moet hem op dat ogenblik ten deel zijn gevallen: ‘Het komende geleerde modewoord voor beschaafde klingen zal ongetwijfeld ‘existentiëel’ zijn. Ik zie het overal reeds opschieten. Het zal spoedig bij het grote publiek belanden. Wanneer men, om zijn lezer te overtuigen dat men de dingen beter snapt dan zijn buurman, lang genoeg ‘dynamisch’ heeft gezegd, zal het ‘existentiëel’ zijn. Het woord zal dienen om de geest plechtiger te verzaken, een belijdenis van maling aan al wat weten en waarheid is.’
Hij had gelijk: ‘existentiëel’ zou inderdaad hèt modewoord worden. Maar hij had geen gelijk dat het existentialisme een belijdenis van maling aan alles wat weten en waarheid was. Zo ziet misschien ook deze profetie van Huizinga er niet zo succesrijk uit als we eerst dachten.
‘Zodra het zeitgebundene denken zich in woorden wil uitdrukken,’ schreef hij, ‘dan schuift zich, ongehinderd door kritiek, de fantastische metafoor tusschen het logische argument. Indien het leven niet in logische termen uitdrukbaar is (wat iedereen moet toestemmen), dan is, om meer uit te drukken dan de logische benadering vermag, het woord aan den dichter. Zoo is het geweest, zoolang de wereld de dichtkunst heeft gekend. Doch naarmate de cultuur zich verhief, ging men duidelijker den denker van den dichter onderscheiden en liet aan elk zijn domein.’
Het zal u uit dit citaat duidelijk zijn geworden wat Huizinga zelf als zijn eigen domein had gekozen: niet het domein van de dichter, maar het domein van het logische denken.
Goed, als dat zo is, als Huizinga zelf een logisch denker heeft willen zijn, dan komt de zwaarmoedige vraag op waardoor hij zich over het geheel genomen toch zo schromelijk heeft kunnen vergissen. Immers, logica die zich vergist, kan helemaal geen logica zijn geweest.
‘Zal deze beschaving gered worden,’ dacht Huizinga, ‘zal hij niet verzinken in eeuwen van barbarie, maar met behoud van de hoogste waarden die haar erfgoed zijn, overgaan tot nieuwer en vaster staat, dan is het wel nodig, dat de nu levenden zich terdege rekenschap geven, hoever het bederf dat haar bedreigt is voortgeschreden.’
Moeten we aannemen dat wij ons, zevenendertig jaar geleden deze rekenschap zo terdege gegeven hebben, dat we daardoor niet in eeuwen van barbarie zijn verzonken, tot dusver? Of schuilt de moeilijkheid erin dat niemand onmisduidbare Symptomen van verderf weet aan te geven? En kunnen we als excuus aanvoeren dat, ten eerste de barbarie onze deur toch nog voorbij gegaan is en we, ten tweede, eigenlijk niet weten wat bederf is en wat niet?
Men kan zich, als het erom gaat zich rekenschap van voortschrijdend bederf te geven, niet behelpen met retoriek over stilstand, verrotting of kanker. We dienen de concrete symptomen te kennen.
Zoals we zagen stond Bolland voor dezelfde moeilijkheid, maar hij maakte zich er in een handomdraai van af door een beroep te doen op de helderziende Leadbeater en door aan hem de spoorwegen en de stoomschepen te ontlenen, de elektrische telegrafen en de andere telegrafen, ik bedoel de dagbladen. Zelf droeg Bolland nog de vrijmetselaars, de joden, de krachtwagens, de stoomfietsen en de gewone fietsen daartoe bij.
En nu is het heel merkwaardig en ik vind het verdrietig het te moeten zeggen, maar ook Huizinga richt zijn gramschap weer tegen een middel van vervoer. Er bestond in die dagen namelijk een heel grote stoomboot, de Normandie waarop je in vier dagen de afstand Europa-Amerika kon afleggen. (Het kan vandaag geloof ik al in tweeëneenhalf uur, als het moet.)
Over die duivelssnelle Normandie nu, schrijft Huizinga:
‘Voorbeelden van hedendaagsche gebruiken, waarbij de qualificatie puerilisme zich opdringt, liggen voor het grijpen. De Normandie doet haar eerste reis en komt van haar triomftocht thuis met zeker blauw lint. Edele wedijver der natiën, wonderbaarlijke prestatie der techniek! Scheepsbouwers, scheepvaartmaatschappijen en verkeersspecialisten zijn het eens, dat alle redenen van praktijk tegen de reuzenschepen spreken. In den winter kan de Normandie niet varen, het zou niet loonen. Zoo keert men dus terug tot de praktijk der vroeg-middeleeuwsche scheepvaart, toen men alleen in het zomerhalfjaar voer. De walgelijke weelde, hoe smaakvol zij mag zijn, is een hoon voor elk zeemanshart, en zou in vromer tijden een tarten des hemels geheeten hebben. De passagiers trillen geduldig hun vier dagen ten einde. Aan het indrukwekkende, ja verheffende van zulk een kunnen, als hier werd tentoongespreid, zal niemand met eenig oog voor moderne cultuur zich willen of kunnen onttrekken. In de geweidige afmetingen komt een schoonheid tot haar recht als van een pyramide. Schoonheid ligt ook in de verfijnde inwendige doelmatigheid. Maar de geest, die dit alles gebood, was niet een van eeuwigheidsbesef of majesteit. Alles wat de mens hier bereikt heeft in berekende beheersching der natuur, is slechts in dienst gesteld van een ijdel spel, dat met cultuur of wijsheid niets te maken heeft en de hooge waarden van het spel zelve mist, omdat het niet als spel wil gelden.’
Waardoor had Huizinga, zoals nu, tweeëndertig jaar later blijkt, eigenlijk helemaal geen greep op de tijd waarvan hij de tekenen wilde duiden? Het betreft hier geen struikelen over onvoorziene kleinigheden, maar een methodische fout.
Waarom zowel Bolland als Huizinga nu juist aan moderne communicatiemiddelen het bederf meenden te moeten adstrueren, is een tweede vraag, niet minder interessant, maar de behandeling daarvan stel ik nog even uit.
Bolland op losse schroeven en Huizinga voorzichtiger, maar niet minder fout, verkeken zich totaal op wat het enige exact meetbare bestanddeel van een cultuur is, namelijk de technologie. Het heeft geen zin, zoals Spengler deed, een dionysische, een magische en een faustische cultuur naast elkaar te onderscheiden, want het zijn de faustische elementen in elke cultuur die de enige zijn, waarvan de grootte vergeleken kan worden.
Nergens wreekt het feit dat naast de exacte wetenschappen ook de geesteswetenschappen als wetenschappen worden beschouwd, zich zo meedogenloos als in de cultuurfilosofie. De uitspraak dat een bepaalde technische nieuwigheid een vorm van cultuurbederf is, is een onzinnige uitspraak, omdat technische vernieuwingen in het rijk van de mogelijkheden thuishoren en niet in het rijk van de normen. Geen technische ontwikkeling zal ooit door morele verontwaardiging definitief tegengehouden kunnen worden, evenmin als de dood kan tegengehouden worden door de onwil te sterven.
Als een technische ontwikkeling aan haar einde komt, komt zij aan een bij wijze van spreken natuurlijk einde en zelfs dat dikwijls maar voorlopig.
Keren wij terug op de Normandie. Waarom was het in 1935 in strijd met wijsheid en cultuur om in vier dagen trillend over de Atlantische Oceaan te varen, terwijl we nu dezelfde afstand in evenveel uur of minder kunnen vliegen? Toch begint de ontwikkeling nu pas werkelijk enige zorg te baren, omdat de mens wel de reistijden kan veranderen, maar niet het ritme van dag en nacht. Van een land waar het nacht is in een paar uur te vliegen naar een land waar het bij aankomst klaarlichte dag is, vergt daarom veel van het menselijk uithoudingsvermogen, tenminste als iemand het enkele malen per week moet doen. Maar ook dat hoeft geen definitieve grens te zijn, er kan morgen of overmorgen iets op gevonden worden.
Voor Bollands stoomwagen gelden analoge overwegingen. De auto is aan zijn maximumsnelheid gekomen, niet omdat de autofabrikanten zich zorgen zijn gaan maken over de verkankering van de westerse beschaving, maar omdat de capaciteit van de wegen niet een twee drie kan worden vergroot.
Het is een vergissing te denken dat ethische bezinning een technische ontwikkeling zou kunnen tegenhouden, al moet men het obscurantisme vooral niet onderschatten.
Voor Bolland en, vrees ik, ook voor Huizinga, stelde een zondagmorgenlandschap waar doorheen vrome boeren in huisvlijtige klederdracht op paarden en in huifkarren naar een kerk rijden, een toppunt van cultuur voor. Maar ook die kleren, ook die kerk, ook die huifkarren, jazelfs de tamme paarden, zijn eens overwinningen van de techniek geweest.
Niemand, (nu ja, bijna niemand, een enkele archeoloog zonder ik uit) zou de Egyptische pyramiden gaan bekijken, als ze honderd maal kleiner waren dan ze zijn.
Huizinga zou er niet over gedacht hebben de Normandie met de pyramiden te vergelijken en die vergelijking ten ongunste van de Normandie te laten uitvallen, als hij had bedacht dat het uiterlijk van een pyramide kinderachtig van eenvoud is, pueriel, in een woord. De faam van die bouwsels is alleen op hun kolossale afmetingen gebaseerd – op de meetbare technische prestatie.
Huizinga gebruikt de woorden ‘eeuwigheidsbesef’ en ‘majesteit’. Maar ook die hoge woorden kunnen niet verbloemen dat de pyramiden (niet-technisch gezien) hun bestaan alleen maar aan een vergissing hebben te danken, namelijk de dwaling dat een daarin opgeborgen lijk eenmaal weer door leven bezield zou kunnen worden. Ook eeuwigheidsbesef en majesteit kunnen mij niet doen vergeten dat de pyramiden al in de tijd van de Farao’s zelf door rovers werden geplunderd. Feitelijk hebben zij nooit enige functie gehad behalve de dollars van de touristen naar Egypte te laten stromen. Normandie en pyramiden, broederlijk verenigd om de tourist te overbluffen en van dollars te ontdoen!
Majesteit en eeuwigheidsbesef zijn misschien niet pueriel. Maar ten voordele van de Normandie pleit, dat zo’n schip, in vergelijking met een pyramide, een voorwerp van uiterste technische gecompliceerdheid is, waarin eigenlijk eeuwen van moeizame uitvindingen en wetenschappelijk onderzoek zijn samengebald. Het simpelste voorwerp op mijn schrijftafel: een ballpoint, een vulpen, een plasticflesje met sneldrogende synthetische lijm, heeft een verleden van duizenden jaren techniek. Het is het ongeluk van de meeste historici en beoefenaars van geesteswetenschappen, dat zij daar zo weinig gevoelig voor zijn. Techniek is niet in staat hun eerbied, of zelfs maar hun romantische geestdrift op te wekken. Dit is niet erg. Erger is dat zij voor hun blindheid gestraft worden met de vergeefsheid van hun cultuurfilosofische mijmeringen.
Ik ga voorbij aan talloze passages in Huizinga’s boek die bij de moderne lezer automatisch de lachlust opwekken. Ik ga dus ook niet in op zijn bezorgdheid over de sport, over Kandinsky en Mondriaan, over de -ismen in de kunst, zijn bezwaren tegen de radio en vooral tegen de film, die hij met talrijke moralisten in die dagen gemeen had. Ik ga ook voorbij aan alles wat er niet in het boek staat, aan alle ontwikkelingen waar hij geen flauw vermoeden van had en die voor het jaar 1967 veel kenmerkender zijn dan veel van wat Huizinga vreesde.2
Ik verwijt hem niet dat hij allerlei wetenschappelijke ontdekkingen niet voorzien heeft, maar wel dat hij nooit op het idee gekomen is dat de auto’s, waar men in zijn tijd in reed, eenmaal als kostbare antikwiteiten zouden worden behoed en verzameld, net zoals toen al de in het graf van Tot Anch Amon gevonden renwagens in een museum stonden. Ook heeft Huizinga nooit vermoed dat zijn eigen studievak, de geschiedenis, eenmaal met het superspecialisme van de industriële archeologie zou worden verrijkt.3 Hij moet welhaast gedacht hebben dat de geschiedenis, eerbiedwaardig vak, onverbrekelijk verbonden met pracht en praal, majesteit en eeuwigheidsbesef, na 1935 tot stilstand zou komen.
Maar zo is het niet en auto’s worden op den duur even majesteitelijk en poëtisch als pyramiden. Wat de reisbureau’s mooi of lelijk of majesteitelijk vinden, kan voor cultuurvernieuwers de doorslag niet geven. Trouwens de Italiaanse dichter Marinetti, had al in 1909 geproclameerd:
‘Een race-auto, getooid met grote buizen die op slangen met ontplofbare adem lijken, een brullende bolide die door granaten lijkt te worden voortgestuwd, is schoner dan de Nikè van Samotracé.’
Zo sprak in 1909 Marinetti. Huizinga moet behoord hebben tot degenen die in 1935 nog dachten dat hij gek was, Marinetti, de grondlegger van dat futurisme, dat door Huizinga ‘voorbijgestoven’ en ‘typisch decadent en pueriel’ werd genoemd. (vii, 399).
Maar de kans is lang niet klein dat Marinetti eenmaal algemeen zal worden bijgevallen. Zoals Huizinga zelf de Nikè van Samothrakè wel schoner dan een Drentse hunebed zal hebben gevonden, zo zou een racewagen wel eens mooier dan de Nikè van Samothrakè kunnen zijn. Waarom? Omdat de racewagen meer technische beschaving representeert dan de Nikè van Samothrakè en deze weer meer dan het hunebed.
Huizinga verheerlijkt voortdurend het intellect, is bang dat de hartstochten de overhand zullen krijgen over het intellect en dat zodoende de ondergang te weeg zal worden gebracht. Hij is bevreesd dat de jeugd het denken zal afleren onder invloed van radio en film, enz., enz. Maar hij zag niet in dat het, buiten de exacte wetenschappen, tamelijk hersenschimmig is over intellect te spreken. Hoe irrationeel hijzelf ondertussen ‘dacht’, al zijn waarschuwingen tegen het irrationalisme ten spijt, kan niet duidelijker blijken dan uit het volgende citaat:
‘Zonder een persoonlijk besef bij den enkelen mensch, dat hij een radicale ondeugd, onkuischheid genaamd, heeft te weerstaan, is een maatschappij reddeloos aan sexuele ontaarding, met vernietiging als uitkomst, overgeleverd.’
En een paar regels verder: ‘Hier is alle aanleiding van een crisisverschijnsel te spreken, dat misschien nog gevaarlijker moet heeten dan de intellectueele verzwakking.’ (vii, 373)
Het bewijs voor deze stellingen blijft geheel achterwege. Ik weet niet of Huizinga besefte dat hij dit bewijs nooit zou kunnen leveren en dat hij zijn beweringen regelrecht uit zeer antieke zedemeesters overgenomen had. Hoe immers zou men kunnen bewijzen dat seksuele bandeloosheid een cultuur verwoest? Bandeloosheid op ander gebied, zeker. Wanneer iedereen plotseling zou weigeren te werken, dan is het inderdaad waarschijnlijk dat de cultuur ondergaat, omdat de gehele bevolking binnen veertien dagen de hongerdood zou sterven. Maar seksuele bandeloosheid? Wat heeft Huizinga zich daarbij nu eigenlijk voorgesteld? En als hij, wat me onvermijdelijk lijkt, zich daarbij helemaal niets concreets heeft voorgesteld, moeten we tot de conclusie komen, dat hij aan een irrationalisme ten prooi gevallen is, waarover hij anderen de les las.
Verbazingwekkend is dat niet.
Huizinga, tegenstander van zoveel, was ook een tegenstander van het freudiaanse denken. Ik wil hiermee zeggen, om eerlijk te zijn: hij laakte het modieuze misbruik dat er in zijn dagen van gemaakt werd en nu ook nog wel, maar bovendien was hij niet op de hoogte van wat Freud werkelijk beweerd heeft. Hij heeft Freud’s theorieën niet zelfstandig nagedacht. Een belangrijke implicatie van Freud’s opvattingen is hem ontglipt. Deze: dat de mens overal waar zijn woordenstroom zich buiten het logische en discutabele beweegt, door onderbewuste krachten bestuurd wordt, die de kansen op het poneren van objectieve waarheden, tenminste van waarheden die enige duurzaamheid bezitten, zeer verkleinen. Wat Huizinga onder Rede verstond, was grotendeels helemaal geen Rede. In verband met feiten die ons bekend zijn, maar Huizinga niet, komt dit het duidelijkste tot uitdrukking bij het volgende voorbeeld.
Het gaat over de geboortebeperking. Huizinga zegt hierover:
‘Het is niet beheersching maar verijdeling van natuur, een potentiëele verdelging. De grens, waar het gebruik van wetenschap tot deze doeleinden tot misbruik wordt, hangt af van de moreele beoordeeling der geboortebeperking, die gelijk bekend zeer wezenlijk beheerscht wordt door het godsdienstige standpunt.
Geheel afgescheiden evenwel van het moreele criterium, dat hier gebruik en misbruik onderscheidt, verheft zich de vraag naar de maatschappelijke gevolgen eener voortgezette geboortebeperking. Het ontbreekt niet aan stemmen, die hiervan een snel voortschrijdende volks- en daarmee cultuurvernietiging voorspellen.’ (vii, 356).
Afschuwelijke vergissing! Naar de verkeerde stemmen geluisterd! Juist in de evolutie van de seksuele moraal in de laatste decennia, is het immers duidelijk geworden dat de moraal voortvloeit uit de techniek en niet omgekeerd.
Natuurlijk is daarmee het probleem wat er nu eerst was: de uitvinding of de geest die uitvindingen deed, niet opgelost. Maar zelfs hij die vindt dat dit een soortgelijk probleem is als dat van de kip en het ei, mag toch wel bedenken dat er over geest helemaal niet zou kunnen worden gepraat, als de mensen niet waren begonnen de taal uit te vinden. De taal is een uitvinding. De mens heeft de taal van niemand geleerd. Achteraf is het onvoorstelbaar dat deze uitvinding ooit gedaan is en niemand begrijpt of weet hoe, maar het is nu eenmaal zo.
Ik geloof niet dat het mogelijk is de cultuur te scheiden van de uitvindingen. Ik geloof niet dat iemand de tekenen van de tijd kan wichelen als hij uitvindingen minacht en ter zijde laat. Ik geloof bovendien dat iemand die inziet dat alles op uitvindingen is gebaseerd, er niet meer over zal denken te proberen de tekenen van de tijd te duiden en zeker niet op de manier van Bolland of Huizinga. Toch kwam na Spengler Toynbee en na Huizinga Bouman. In 1959 publiceerde Jacques Barzun The House of Intellect, waarin de ondergang van de Verenigde Staten werd voorspeld, door verregaande democratische minachting voor het intellect. Zo reikte Barzun, onopzettelijk, de hand aan Bolland, over een kloof van achtendertig jaar. Het was kort nadat de Russen als eersten een kunstmatige satelliet hadden gelanceerd en de Amerikanen voelden zich bedreigd. Maar negen jaar later kwam Jean-Jacques Servan – Schreiber (Le Défi Américain) het omgekeerde beweren. De Amerikaanse cultuur was helemaal niet achter geraakt, ze zou, in tegendeel een grote voorsprong bezitten op de rest van de wereld en die voorsprong voortdurend vergroten. Het ziet er naar uit dat Servan-Schreiber geen ongelijk heeft maar zijn boek is ook nog zo jong…

De cultuurfilosoof doet uitspraken over de toekomst van de cultuur en faalt. Om niet te falen zouden de historici die zich aan cultuurfilosofie bezondigen, een soortgelijk principe moeten bezitten, als de geologen in het actualisme hebben gevonden. Maar de fysica van de menselijke gemeenschap is onbekend en zodoende richten de wijsgeren hun aanklachten in het wilde weg tegen de meest willekeurige dingen als de geboortebeperking, de ineenschrompeling van het christendom, de ondergang van de menselijke waardigheid, de techniek, het puerilisme, de joden en de democratie. Omdat zij fobieën onder woorden brengen die tamelijk algemeen verbreid zijn, vinden ze weliswaar gehoor, maar geen wetenschappelijke zekerheden. Zij vereren de ‘geest’, maar rekenen alleen wat deze ‘geest’ in het verleden volbracht heeft tot de cultuur en niet wat hij bezig is te doen in het heden, terwijl niemand enig aanknopingspunt bezit om te extrapoleren wat hij in de toekomst doen zal.
Twintig, dertig jaar geleden kon iedere intellectueel de eerste sombere alinea van Huizinga’s boek uit het hoofd opzeggen:
‘Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europeesche menschheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.’
Heel goed. We leven nog altijd in een bezeten wereld en we weten het nog altijd. Maar wat de geest betreft: hoe zou het wezen als eens het omgekeerde gebeurde van wat Huizinga vreesde, ik bedoel, als op een goede dag de geest er nog wel was, maar de motoren niet meer draaiden, geen enkele meer, nergens meer?

1. Overigens is de existentie-filosofie een van de punten waarop hij in 1935 een werkelijk vooruitziende blik heeft gehad – bij het overgrote deel van de wereld was zelfs het woord tien jaar later nog volledig onbekend.
2. Ik zou Huizinga onrecht doen door niet te vermelden dat hij het bijvoeglijk naamwoord ludiek in de Nederlandse taal heeft ingevoerd, in 1938. Het woord ludiek, dat dertig jaar later de functie zou gaan vervullen die Huizinga zelf, al eerder, voorzag met betrekking tot existentieel.
3. Men zie b.v. Kenneth Hudson, Industrial Archaeology, London, 1963. J.P.M. Pannell, Techniques of Industrial Archaeology, Newton Abbot, 1966.