De ontwikkelingen in de studie van literaire werken en literaire problemen geven op het ogenblik een zeer bont panorama te zien. De traditionele historiserende en min of meer filologische aanpak is geenszins aan het einde van zijn latijn, zoals blijkt uit publicaties in boeken en tijdschriften over de hele wereld. Maar daarnaast zijn allerlei andere benaderingen gekomen waarvan sommige op hun beurt al weer kunnen bogen op een zekere traditie. Psychoanalyse en sociologie zijn niet meer weg te denken uit de studie van de literatuur, die zich ook meer van binnenuit en veelal geïnspireerd door de taalwetenschap heeft vernieuwd in een meer morfologische of formalistische of structuralistische wijze van benadering. Deze laatste heeft dan voor een deel weer de chomskyaanse revolutie meegemaakt met de min of meer bruuske koerswijzigingen waardoor deze zelf gekenmerkt wordt. Daarbij komt nog dat deze verschillende benaderingen, niet minder dan de traditionele historiserende, in elk land weer ‘nationale’ aspecten vertonen. Er is een Duitse aanpak, een Franse, een Amerikaanse en een Italiaanse, om nog maar te zwijgen van de Poolse, de Tjechische of de Deense.

Nu is deze verscheidenheid zeker geen ramp en integendeel eerder een teken van vitaliteit: er is in de republiek der letteren geen behoefte aan een gelijkschakelende dictator. Maar er is wel toenemende behoefte aan contact, aan uitwisseling van ideeën, zowel interdisciplinair als internationaal, en vooral aan theoretische bezinning. Wil een onderzoeker niet in een situatie belanden, waarin hij bij elke stap van zijn onderzoek bedreigd wordt door de chaos, dan zal hij toch zijn werk een plaats moeten weten te geven in de verscheidenheid van mogelijke benaderingen. Dat geldt zeker voor Nederland, waar enerzijds de verschillende literaturen meestal bestudeerd worden op basis van de in het betreffende land geldende criteria zonder dat er sprake is van veel onderling contact, en anderzijds de vanzelfsprekende traditie ontbreekt die voor een nationaal en/of theoretisch kader zou kunnen zorgen.

In dit verband lijkt het de moeite waard enige aandacht te besteden aan het tijdschrift Poetics, dat geleid wordt door Teun van Dijk. Voor de lezers van Raster is Van Dijk geen onbekende, maar hier mag toch wel eens gezegd worden dat deze medewerker van het seminarium voor literatuurwetenschap van de Universiteit van Amsterdam zich dank zij een indrukwekkende productie van tijdschriftartikelen nu reeds een flinke internationale reputatie heeft verworven. Zijn activiteiten kan men het beste zien als een antwoord op de uitdaging die gevormd wordt door de boven geschetste situate: uitstekend geïnformeerd over wat er zich internationaal in de linguistiek en in de literatuurwetenschap afspeelt, probeert hij deze informatie steeds te plaatsen in het kader van een bezeten streven naar theoretische bezinning. Het initiatief tot het oprichten van Poetics is het logisch uitvloeisel van dit streven.

Poetics, een internationaal tijdschrift, wil zich van andere literairwetenschappelijke tijdschriften onderscheiden door zich uitsluitend met theoretische kwesties bezig te houden. Men zou kunnen zeggen dat het doel van het tijdschrift bestaat in het geven van een zo nauwkeurig mogelijk beschreven inhoud van het begrip ‘poetics’. Zoals zo vaak, is de naam een programma. Maar daarbij wordt het gebied dat de theorie wil bestrijken niet bij voorbaat al dogmatisch verengd. Zeker, de uitgangspunten worden gevonden in de linguistiek (vooral in de semantiek en in de pas opkomende tekstlinguïstiek), de logica en de wiskunde, maar de sociale en psychologische aspecten van de literaire communicatie zullen niet worden verwaarloosd, terwijl ook aandacht besteed zal worden aan geschiedenis van literaire theoriee’n, met name aan de klassieke poëtica en aan de rhetorica. Zo lijken er garanties te bestaan dat het tijdschrift in zijn streven naar wetenschappelijke gestrengheid niet terecht komt op een vlak waarop het weliswaar aangenaam exact intersubjectief communiceren is, maar de problemen waar het eigenlijk om ging voor het gemak zijn buitengesloten.

Een blik op de twee nummers die thans verschenen zijn doet verwachten dat Poetics internationaal een belangrijke rol zal gaan spelen. Er zijn wel tijdschriften te noemen die analoge doeleinden nastreven, zij het minder exclusief, maar die blijven toch ondanks openheid naar het buitenland in de eerste plaats nationale ontmoetingspunten. Zo zijn in het Duitse LiLi (Zeitschrift für Literaturwissenschaft und Linguistik) alle bijdragen in het Duits gesteld, zo heeft het Italiaanse Lingua e Stile gewoonlijk alleen maar samenvattingen in andere talen en zo is het Franse Poètique eigenlijk wat het niet-Franse gedeelte betreft voornamelijk historisch gericht, in zoverre het vertalingen publiceert van ‘klassieken’ uit de recente geschiedenis van de literaire theorievorming: Kayser, Ingarden, Booth etc. Poetics blijkt daarentegen werkelijk bij de tijd en intemationaal met bijdragen in het Engels, het Frans en het Duits van auteurs uit Frankrijk, de Verenigde Staten, Duitsland, Italië, Polen, Tjecho-Slowakije en Nederland.

Het niveau van de verschillende bijdragen is uiteraard wisselend, maar toch in het algemeen hoog. Alleen het allereerste artikel van het eerste nummer valt ongelukkigerwijze enigszins uit de toon: Todorov’s bijdrage, getiteld Meaning in Literature. A survey, is niet meer dan een haastig in elkaar gezet stukje dat getuigt van (bij Todorov helaas niet ongewone) slordige klassificatie-zucht. Als men er al vrede mee zou kunnen hebben dat in dit overzicht de opvattingen over literaire betekenis van Northrop Frye en van Roman Ingarden in twee zinnen worden afgedaan als niet adequaat, dan zou men toch op grond van het streven naar een coherente theorie moeilijk voorbij kunnen gaan aan het feit dat Todorov’s eigen opvattingen over bepaalde kwesties zich blijken te wijzigen al naar gelang de klassificatie die hij probeert op te zetten. Zo wil hij hier voor zijn klassificatie uitgaan van het paar klank-betekenis en geeft rijm als voorbeeld van ‘poetische etymologie’, omdat ‘riming words are perceived as being related in their meaning as well’. Nu zou over deze uitspraak heel lang te discussieren zijn, maar het aardige is dat daarbij Todorov zijn eigen opponent zou moeten wezen. Want schreef hij niet in een ‘essai de classification’ van rhetorische figuren, waarin hij eveneens van het paar klank-betekenis uitgaat, dat rijm een van de gevallen is waar er sprake is van ‘rapprochement de sons sans qu’il y ait rapprochement des sens’? (Littérature et signification, Parijs 1967, p. 108.)

Gelukkig is het volgende artikel een schoolvoorbeeld van voorzich-tige wetenschappelijke procedure, niet zozeer omdat er een statistische methode in gebruikt wordt als wel om de manier waarop deze wordt aangewend. In Statistics and the Sounds of Poetry toetst Richard W. Bailey hypotheses van Irì Levy en Boldrini en eigen intuïtieve hypotheses, die allemaal betrekking hebben op de fonemen in poetische teksten. Op basis van statistisch materiaal meende Levy te kunnen aantonen dat poëzie meer dan normaal gebruik maakt van de ‘typische’ klanken van een taal en minder van de zeldzame, en Boldrini meende dat het gebruik van klanken constant is binnen het werk van een dichter, terwijl het significante verschillen vertoont bij vergelijking van het werk van twee auteurs. Bailey’s eigen intuitieve hypothese betraf vooral de onderlinge afstand van fonemen binnen de tekst als kenmerk van poëzie. Toetsing van al deze hypotheses aan nieuw statistisch materiaal leidt tot verwerping ervan en tot de conclusie dat in hypotheses die de klankpatronen in teksten wensen te beschrijven rekening gehouden dient te worden met het accent en met de syntactische en de thematische structuur. Het heeft weinig zin zo een voor een alle artikelen van de twee nummers te signaleren, maar ik wil nog wel graag met nadruk wijzen op het artikel van Siegfried J. Schmidt in het eerste nummer. Dit stuk, getiteld Text und Bedeutung. Sprachphilosophische Prolegomena zu einer textsemantischen Literaturwissenschaft, heeft namelijk de grote Verdienste dat het op heldere en overzichtelijke wijze een aantal fundamentele problemen van de literatuurwetenschap aan de orde stelt en zo als het ware een globale filosofische ondersteuning geeft aan Van Dijk’s programma. Het zou een voortreffelijk uitgangspunt vormen voor een discussie tussen beoefenaars van de linguïstiek, de literatuurtheorie, de literatuurgeschiedenis en de critiek, omdat het aspecten van al deze activiteiten raakt en ze een plaats geeft ten opzicht van de literatuurwetenschap. De in de titel voorkomende termen ‘Text’ en ‘Bedeutung’ staan voor Schmidt in deze wetenschap centraal: zij moet zich richten op de analyse, de beschrijving en de semantische interpretatie van teksten die als poëtisch en/of literair beschouwd worden en zich vooral interesseren voor de totaliteit van de semantische dimensies van een tekst. Men kan zeggen dat dat voor Bailey het resultaat was van de toetsing van een hypothese, voor Schmidt het uitgangspunt moet zijn van elk literair-wetenschappelijk onderzoek: ‘Alle Fragen der formalen Organisation der Textbasis müssen gesehen werden im Hinblick auf die Bedeutungswirkung des Textes; alle Faktoren der Textbasis und der Textproduktion müssen gesehen werden als Konstituenten eines Wirkungsganzen, als Faktoren eines Kommunikationsprozesses.’ Zoals hier al duidelijk wordt, is voor Schmidt betekenis alleen maar te vatten binnen het kader van een algemene theorie van het menselijk handelen en van de communicatie-techniek. En juist deze opvatting maakte het hem mogelijk enerzijds plaats te geven aan (tekst) linguïstiek en grammatica, anderzijds o.a. aan sociale kontekst en ‘Geistesgeschichte’. Uiteindelijk vat hij literaire teksten op als ‘semantische processen’, als factoren in teruggekoppelde sociale communicatieprocessen.

De termen ‘tekst’ en ‘betekenis’ kan men gevoegelijk beschouwen als sleutelwoorden voor de ontwikkeling van de literatuurwetenschap in de kornende jaren, die niet toevallig een hoofdrol spelen in het tweede nummer van Poetics. Daarin stelt nl. Van Dijk, zich bezig houdend met Some Problems of Generative Poetics, als basis-voorwaarde voor de globale samenhang van teksten dat ‘they must have a semantic deep-structure’, terwijl verder o.a. Irena Bellert schrijft over de logisch-semantische diepte-structuur van zinnen (On the Use of Linguistic Quantifying Operators) en Hannes Rieser een belangrijke bijdrage levert tot de tekstlinguistiek (Allgemeine textlinguistische Ansätze zur Erklärung performativer Strukturen).

Wat tot nu toe nog ontbreekt is de reflectie over het sociale handelen dat het kader vormt waarbinnen niet alleen de literaire teksten zelf maar ook de theorievorming geplaatst moet worden. Maar ook daaraan is gedacht: Van Dijk stelt gelegenheidsuitgaven van zijn tijdschrift in het vooruitzicht die speciaal aan dit soort problemen gewijd zullen zijn en verzorgd zullen worden door een groep jonge theoretici uit Kopenhagen.

Wie zich met literair-wetenschappelijke problemen bezig houdt, kan zich niet veroorloven Poetics niet te volgen.

Poetics. International Review for the Theory of Literature. Editor Teun A. van Dijk. Het tijdschrift verschijnt onregelmatig in afleveringen van ongeveer 128 pagina’s. Abonnementsprijs voor vier nummers: f 72,-. Individuele abonnementen die rechtstreeks bij de uitgever worden opgegeven: f 50,-. Losse nummers f 22,-. Uitver: Mouton, Postbus 1132, Den Haag.