Ongeveer tien jaar geleden verzocht de Unesco mij, door bemiddeling van de Stichting ter Bevordering van de Vertaling van Nederlands Werk, De kellner en de levenden in het Frans te vertalen. (Later verzorgde ik nog de vertaling van Het veer – reeds verschenen – en van De zwarte ruiter.)
Dat werk was mij toen nog onbekend. Nadat ik het gelezen had, herlas ik dadelijk Huis clos van Jean-Paul Sartre, een toneelstuk waarvan de handeling zich afspeelt in een wachtkamer van de hel. De Franse schrijver laat er God, de bijbel, de duivels en de helse folteringen buiten. Zijn personages – er zijn er slechts drie, twee vrouwen en een man – zitten van alles afgezonderd in een verlichte, gesloten kamer zonder spiegel en zonder ramen. Aanvankelijk voelen ze zich opgelucht door hun wederzijdse ontboezemingen; ze proberen elkanders overspanning te verzachten, doch komen weldra tot de slotsom dat de hel geen met sadistische duivels bevolkte plaats is, maar dat de mensen een hel zijn voor ieder mens afzonderlijk: ‘Pas besoin de gril, l’enfer, c’est les Autres.’
Dat stuk belicht de thesissen van het existentialisme. Er bestaat geen enkel verband tussen Huis clos en De kellner en de levenden. Vestdijk houdt immers vast aan de klassieke hel der christenen, en de beproevingen brengen zijn personages nader tot elkaar, hoewel hun levensvisie ten zeerste verschilt.
Dus was er geen sprake van navolging. Ik vroeg me echter af of De kellner en de levenden wel het meest geschikte werk van de veelzijdige schrijver was om in Frankrijk belangstelling voor hem te wekken.
Vestdijk was immers nagenoeg, om niet te zeggen helemaal, onbekend bij onze zuiderburen. Indien die eerste vertaling een weigerachtig onthaal te beurt viel, zou het lezend publiek niet verlangen, nadere kennis met hem te maken. Er wordt veel gemoraliseerd, getheologiseerd en met bijbelteksten geschermd in De kellner en de levenden. Het boek belicht uitstekend één kant van het Hollandse volkskarakter: ‘Wij zijn nu eenmaal geboren moralisten, hier in Holland, het theologiseren zit ons in het bloed.’ (Uitg. De bezige bij, 1954, p. 147). Ik zal niet beweren dat er in het zogenaamde ‘goddeloze Frankrijk’ geen gelovige mensen zijn, er zijn er zelfs veel, die zich voor het onderwerp interesseren, doch het is een feit dat de meerderheid van de Fransen òf vijandig òf onverschillig staan tegenover de godsdienst, niet meer geloven aan de hel, en de bijbel niet beschouwen als hun lievelingsboek – gesteld dat ze hem ooit hebben doorbladerd. Mag men veronderstellen dat die mensen zich afvragen of men al dan niet het recht heeft, God te beoordelen en te vervloeken? Zullen ze veel voelen voor een boek waarin dat thema behandeld wordt? Ronduit gezegd, ik betwijfel het.
Alles wel beschouwd heeft de vertaler zich daarover geen kopzorg te maken: het is de zaak van de uitgever. Het gaat er voor hem om, zich behoorlijk van zijn taak te kwijten en de moeilijkheden, die ze oplevert, te overwinnen.
 
Nu men mij zoveel later verzoekt, iets te schrijven over mijn ervaringen bij het vertalen van De kellner en de levenden, moet ik vooraf opbiechten dat mijn herinneringen vervaagd zijn, en dat mij niet veel is bijgebleven betreffende allerlei bijzonderheden, die mij toentertijd troffen of mij struikelstenen toeschenen.
In de eerste plaats diende een passende titel te worden bedacht. Een letterlijke vertaling van de oorspronkelijke titel zou dubbelzinnig klinken. Inderdaad, in het Frans heet een kellner ‘garçon’, maar ‘garçon’ betekent ook jongen. Ik stelde voor: La nuit fantastique, La nuit hallucinante of La nuit dantesque. De uitgever heeft de voorkeur gegeven aan Les Voyageurs
Bij het vertalen van de tekst ondervond ik niet meer, maar ook niet minder moeilijkheden dan bij het overzetten van andere Nederlandse schrijvers. Terloops geef ik als mijn mening te kennen dat het gemakkelijker moet zijn, een Nederlands boek te vertalen in een Germaanse taal dan in een Romaanse, in casu het Frans. Ten eerste, de zinsbouw is helemaal anders, het is niet mogelijk de schrijver nagenoeg letterlijk te volgen zo men zijn werk in een Frans kleedje wil steken. Bijvoorbeeld:
 
‘Vooruit met de geit’, zei mevrouw Schokking, en maakte aanstalten om in de auto te stappen, waarbij zij aanmoedigend omkeek, haar hooggewelfde, naar de neuswortel sterk afdalende wenkbrauwen nog hoger opgetrokken, de ogen tintelend van ondernemingsgeest’ (pp. 12-13) wordt: ‘En avant la musique! dit madame Schokking, se disposant à grimper dans le car; l’air encourageant, elle tourna la tête et remonta davantage ses sourcils fortement arqués et qui se recourbaient vers la racine du nez, alors que ses yeux pétillaient d’esprit d’initiative.’
 
Ten tweede, eigenaardige vondsten en uitdrukkingen als ‘Het paard werd de gracht uitgenaaid’ (p. 29), ‘een conducteur met afwimpelende hand’ (p. 53), ‘… een olifant in rok, die zich als zodanig legitimeerde door platvoetenloop’ (p. 55) zijn uit de aard der zaak onvertaalbaar en vergen een omschrijving.
Bij dat alles mag de vertaler niet uit het oog verliezen dat het verwijt: ‘Traduttore, traditore’ hem voortdurend boven het hoofd hangt als hij zich té veel vrijheden veroorlooft, dit wil zeggen als hij meer dan noodzakelijk is afwijkt van de oorspronkelijke vorm, en zich niet inspant om de gedachten van de schrijver zo nauwkeurig mogelijk weer te geven.
Dat de vertaling van De kellner en de levenden geen onoverkomelijke moeilijkheden opleverde wil echter niet zeggen dat ik af en toe niet heb moeten vechten om een zin, een omschrijving of een geijkte uitdrukking in een bevredigende vorm te gieten.
Hoe onwaarschijnlijk het ook moge klinken, het gebruik van Franse woorden noopt de vertaler wel eens, zich achter de oren te krabben. Enige jaren geleden woonde ik een voordracht bij van wijlen Julien Kuypers; op een gegeven ogenblik haalde hij een zinnetje aan en voegde er glimlachend aan toe: ‘Vier Franse woorden op zeven… onnodig te zeggen dat die uitspraak van een Hollander is.’
Vestdijk bezondigt zich niet aan dergelijke overdrijvingen. Ik heb slechts één passus aangetroffen waarvan het ‘vertalen’ geen geestelijke inspanning vergde: ‘…is de gebiedster geworden van alle vrouwen, die door aborteren, masturberen, perverteren, adoreren, lamenteren, cocufiëren, calumniëren en klaarstaan voor de heren…’ (p. 185) Daarentegen rolt het niet van een leien dakje als de schrijver met Franse woorden te werk gaat als met Nederlandse, en woorden smeedt die geen aequivalent hebben in het Frans, onder anderen ‘geïmporteerdheid’ (p. 188) en ‘theatraliteit’ (p. 189). Het tweede woord omschrijven was gemakkelijk, doch het eerste? Ik heb de betekenis ervan afgeleid uit het zinsverband, doch ik vraag me nog steeds af waar de schrijver dat neologisme is gaan zoeken.
Het gebeurt ook dat hij aan een Frans woord een betekenis toekent die het niet heeft, en de vertaler begaat een flater van belang als hij het in een ogenblik van onoplettendheid behoudt. Om slechts één voorbeeld aan te halen: ‘Bij de groep, waar ze mij het eerst hadden gedetacheerd’ (p. 99) heb ik vertaald door: ‘Le groupe dans lequel on avait commencé par me verser. “Détacher” betekent immers precies het tegenovergestelde van inlijven.
Het vrij veelvuldig gebruik van Engelse woorden, waarvan vele reeds burgerrecht hebben verworven in Frankrijk, vond ik geen bezwaar, des te minder omdat er toentertijd nog geen vinnige protesten waren opgegaan tegen het zogenaamde ‘franglais’ of te overtollig gebruik van Engelse termen. Af en toe een paar Engelse zinnen behouden kon ook geen kwaad. Doch wat moest er gebeuren met de lange passus, die enkele bladzijden besloeg (pp. 43-44-45)? Ik was van mening dat het behoud ervan de Franse lezers zou hinderen of ontstemmen, doch liet de beslissing in dezen over aan de uitgever. Tenslotte werd die lange samenspraak vertaald.
 
De vertaling van De kellner en de levenden is eindelijk, twee jaar geleden, verschenen. Het is mij onbekend hoe de critici haar onthaalden, en ook of ze lezers vindt. In elk geval hoop ik van ganser harte, dat mijn nogal pessimistische vooruitzichten een vergissing waren.
 
 
 
Noot red.: Een kompleet overzicht van Vestdijks werken in vertalingen kan men vinden in: Vestdijk in kaart, Den Haag 1967.
Volgens een laatste opgave van de Stichting ter bevordering van de vertaling van Nederlands letterkundig werk zijn per augustus 1968 onderstaande romanvertalingen in voorbereiding:
El Greco (Het vijfde zegel). Mexico, Renacimiento.
(Rumeiland). Zuid-Slavië. (Servo-kroatisch).
The fifth seal (Het vijfde zegel). London, Calder & Boyars.
Il giudizio universale (De kellner en de levenden). Roma, Le edizione del Borghese. Vert.: V. Quarantotto-Veenstra.
(Het vijfde zegel). Athene, Alva.
(De koperen tuin). Milano, Adelphi.
(De koperen tuin). Madrid, Aguilar.
(Rumeiland). Helsinki.
Piata pieczec (Het vijfde zegel). Warszawa, P.I.W. Vert: M. Chelkowsky.