Ik associeer mijn huwelijk, al of niet terecht, met de dood van mijn vader indertijd. Dat er tussen deze twee gebeurtenissen andere verbanden bestaan, op andere niveaus, is niet onmogelijk. Het valt me al moeilijk genoeg te zeggen wat ik denk te weten.

Ik ben, nog niet zo erg lang terug, naar het graf van mijn vader geweest, dat weet ik wel, en heb de datum van zijn overlijden genoteerd, alleen van zijn overlijden, want in zijn geboortedatum was ik niet geïnteresseerd, die dag. Ik ben ‘s ochtends vertrokken en ‘s avonds weer thuisgekomen, mijn twaalfuurtje had ik op het kerkhof genuttigd. Maar een paar dagen later moest ik, omdat ik graag wilde weten hoe oud hij geworden was, weer terug naar het graf om zijn geboortedatum te noteren. Deze twee data heb ik op een stuk papier geschreven, dat ik sindsdien bij me draag. Zo ben ik dus in staat met zekerheid vast te stellen dat ik op het moment van mijn huwelijk om en nabij de vijfentwintig geweest moet zijn. Want de datum van mijn eigen geboorte, let wel, mijn eigen geboorte, ben ik nooit vergeten, die heb ik nooit hoeven opschrijven, hij staat nog steeds in mijn geheugen gegrift, althans het jaartal, in cijfers die het leven slechts met moeite uit zal kunnen wissen. Ook de dag wil me, met een beetje inspanning, nog wel te binnen schieten, en ik vier hem vaak, op mijn manier, ik zal niet zeggen iedere keer dat hij terugkeert, want hij keert te vaak terug, maar vaak.

Persoonlijk heb ik niets tegen kerkhoven, ik ga er, als ik er dan toch uit moet, met plezier een luchtje scheppen, met meer plezier dan ergens anders, geloof ik. De lijkenlucht, die ik duidelijk waarneem onder die van het gras en de humus, is me niet onaangenaam. Iets te zoetig misschien, een beetje koppig, maar verre te verkiezen boven de geur van de levenden, hun oksels, voeten, aarzen, hun kleverige voorhuiden en gedesillusioneerde eicellen. En mochten de stoffelijke resten van mijn vader daar ook iets toe bijdragen, in hoe bescheiden mate ook, dan zou ik haast een traan kunnen wegpinken. Laat ze zich maar wassen, de levenden, laat ze zich maar parfumeren, ze stinken. Ja, gun mij als wandeloord, als ik er dan toch uit moet, de kerkhoven, en gaan jullie maar fijn wandelen in jullie openbare parken of in de vrije natuur. Mijn boterham, mijn banaan, smaken me beter als ik op een graf zit, en als ik weer eens nodig moet wateren, en dat moet ik vaak, dan heb ik de keus. Of ik slenter wat rond, met mijn handen op mijn rug, tussen de grafstenen, de staande, de liggende, de scheve, terwijl ik de inscripties in mij opneem. Ze hebben me nog nooit in de steek gelaten, de grafschriften, er zijn er altijd wel drie of vier die zo grappig zijn dat ik me aan het kruis moet vastgrijpen, of aan de zuil, of de engel, om niet om te vallen. Het mijne heb ik lang geleden opgesteld, en ik ben er nog steeds tevreden mee, redelijk tevreden. Mijn andere geschriften zijn nauwelijks droog of ze hangen me alweer de keel uit, maar mijn grafschrift bevalt me nog steeds. Er is jammer genoeg weinig kans dat het zich ooit zal verheffen boven de schedel die het bedacht heeft, tenzij de Staat daarvoor wil zorgen. Maar om me te kunnen opgraven, zullen ze me eerst moeten vinden, en ik vrees dat het voor de heren minstens even moeilijk zal zijn me dood te vinden als levend. Daarom haast ik me het op deze plek vast te leggen, voor het te laat is:

Zie boven was er dikwijls bijna bij
Echter, pas sinds zie onder is hij vrij

De komma in het tweede en laatste vers onderbreekt het ritme enigszins, maar dat is, dacht ik, niet belangrijk. Ze zullen me meer dan dat te vergeven hebben, als ik eenmaal vergeten ben. Ook wil het wel gebeuren, als het meezit, dat je op een heuse begrafenis stuit, met echte levende rouwenden en soms een weduwe die zich in de kuil wil werpen, en haast altijd dat aardige verhaal over stof, hoewel ik ervaren heb dat niets minder stoffig is dan dit soort kuilen, het is haast altijd mooie vettige aarde, en de overledene zelf heeft ook nog niets poederachtigs, tenzij hij of zij toevallig in de vlammen is omgekomen. Toch blijft het leuk, dat gedoe met dat stof. Maar op het kerkhof van mijn vader kwam ik niet zo graag. Het lag te veraf, midden in de rimboe, tegen een heuvel op. Daarbij komt dat het te klein was, veel te klein. Het was trouwens ook bijna vol, nog maar een paar weduwen en er zou geen plaats meer over zijn. Het liefst ging ik nog naar Ohlsdorf, vooral de sector Linne, op Pruisische bodem, met zijn vierhonderd hectaren dicht opeengepakte lijken, hoewel ik daar niemand kende, behalve dan Hagenbeck, de dompteur, vanwege zijn reputatie. Er staat, geloof ik, een leeuw in zijn zerk gegraveerd. De dood moet voor Hagenbeck het aanzien van een leeuw gehad hebben. Bussen rijden er af en aan, volgestouwd met weduwnaars, weduwen en wezen. Grotten, bosschages en vijvers met zwanen bieden de ontroostbaren vertroosting. Het was in december, nog nooit heb ik het zo koud gehad, de palingsoep lag me zwaar op de maag, ik was bang dat ik zou sterven, ik ben stil blijven staan om over te geven, ik benijdde ze.

Maar om op een vrolijker onderwerp over te gaan, toen mijn vader stierf moest ik het huis uit. Het was zijn wil dat ik daar woonde. Hij was een vreemd mens. Op een dag zei hij, Laat hem maar met rust, hij zit niemand in de weg. Hij wist niet dat ik meeluisterde. Waarschijnlijk heeft hij deze gedachte vaker geuit, maar de andere keren was ik er niet bij. Zijn testament heb ik nooit mogen inzien, ze zeiden alleen dat hij me zo en zoveel had nagelaten. Ik dacht toen, en denk nog steeds, dat hij in zijn testament bedongen had dat ze me zouden laten zitten in de kamer die ik ook al tijdens zijn leven bewoond had, en dat ze moesten doorgaan mij daar mijn eten te brengen, net als altijd. Misschien was dat zelfs wel de voorwaarde waar hij al het overige van af heeft laten hangen. Waarschijnlijk vond hij het een prettig gevoel met mij onder één dak te wonen, anders had hij zich niet verzet toen ze me de deur uit wilden gooien. Misschien had hij alleen maar medelijden met me. Maar dat geloof ik niet. Hij had me het huis in zijn geheel moeten nalaten, dan had ik rust gehad, de anderen ook trouwens, want ik zou gezegd hebben, Waarom blijven jullie niet hier wonen, jullie zijn hier toch thuis! Het was een enorm groot huis. Ja, ze hebben hem flink te grazen gehad, mijn arme vader, als het inderdaad zijn bedoeling is geweest mij ook vanaf gene zijde te blijven beschermen. Wat het geld betreft, laat ik eerlijk zijn, dat hebben ze me direct overhandigd, één dag na de teraardebestelling. Misschien waren ze daar wel wettelijk toe verplicht. Ik zei, Hou dat geld maar en laat mij hier in mijn kamer blijven wonen, net als toen papa nog leefde. En ik voegde eraan toe, God hebbe zijn ziel, in de hoop ze gunstig te stemmen. Maar ze wilden niet luisteren. Ik bood aan om voor een paar uur per dag tot hun beschikking te staan, ter verrichting van die kleine karweitjes, die bij het onderhouden van ieder huis noodzakelijk zijn, als je tenminste niet wilt dat het in stukken en brokken uiteen valt. Een beetje knutselen, dat lukt nog wel, waarom weet ik ook niet. Ik stelde ze met name voor de broeikas bij te houden. Daar had ik graag een uur of drie vier per dag doorgebracht, in de warmte, om de tomaten, anjelieren, hyacinten en zaailingen te verzorgen. Mijn vader en ik waren in dat huis de enigen die iets van tomaten begrepen. Maar ze wilden niet luisteren. Op een dag, toen ik terugkwam van de w.c., vond ik de deur van mijn kamer op slot, al mijn bezittingen lagen ertegen opgestapeld. Zo krijgen jullie misschien een indruk hoezeer ik destijds aan constipatie leed. Het kwam denk ik door de spanning. Maar was ik wel geconstipeerd? Ik denk het niet. Rustig, rustig. En toch moest ik het wel zijn, want hoe verklaar ik anders die gruwelijke zittingen op het toilet, het privaat? Ik las nooit, daar niet meer dan ergens anders, ik mijmerde of mediteerde niet, ik staarde maar wat naar de kalender die daar vlak voor mijn neus aan een spijker hing, met een kleurenplaat erop, die een jongeman met een baard voorstelde, omgeven door schapen, dat moest Jezus zijn, met beide handen trok ik mijn billen vaneen en drukte, een! hup! twee! hup!, alsof ik aan het roeien was, en ik wilde maar één ding, zo snel mogelijk terug naar mijn kamer en daar weer languit op bed gaan liggen. Wat moet dat anders dan constipatie geweest zijn? Of verwar ik het nu weer met diarree? Alles loopt door elkaar in mijn hoofd, begraafplaatsen en trouwerijen en de diverse soorten stoelgang. Van mijn karige spulletjes hadden ze een klein stapeltje gemaakt, dat op de grond tegen de deur aan lag, ik zie het nog liggen, in de kleine sombere nis die de overgang vormde van mijn kamer naar de gang. In deze kleine aan drie zijden afgesloten ruimte moest ik me omkleden, dat wil zeggen mijn kamerjas en nachthemd verwisselen voor mijn reiskleding, dat wil zeggen sokken, schoenen, broek, overhemd, jasje, overjas en hoed, ik hoop dat ik niets vergeet. Ik heb nog wel andere deuren geprobeerd, knop omdraaien en trekken of duwen, alvorens het huis te verlaten, maar niet één die meegaf. Was er een kamer open geweest, dan zou ik me, denk ik, daar in verschanst hebben, alleen met gas hadden ze me er dan nog uit kunnen krijgen. Ik voelde dat het huis propvol mensen zat, net als altijd, maar er was niemand te zien. Ik denk dat ze zich stuk voor stuk in hun kamers hadden opgesloten, luisterend met gespitste oren. Een ogenblik later snellen ze naar de ramen, niet te dichtbij komen, goed verscholen blijven achter de gordijnen, zodra ze horen dat de voordeur in het slot valt. Ik had hem open moeten laten. De deuren vliegen open, en daar komen ze te voorschijn, mannen, vrouwen en kinderen, en de stemmen, de zuchten, de vrolijke gezichten, de handen, de sleutels in de handen, de enorme opluchting, nog even de veiligheidsmaatregelen repeteren, indien dit dan dat, maar indien dat dan dit, vreugde alom, dat is duidelijk, aan tafel, aan tafel, die kamer ontsmetten we straks wel. Dat is natuurlijk allemaal inbeelding, ik was immers al vertrokken? Misschien zijn er wel heel andere dingen gebeurd, maar wat doet het ertoe hoe alles gebeurt, zolang het maar gebeurt? En al die lippen die me gekust hadden, die harten die van me gehouden hadden (het is toch je hart waarmee je liefhebt, of verwar ik het nu weer met iets anders?), die handen die met de mijne gespeeld hadden en die karakters die het haast van me gewonnen hadden! De mensen zijn werkelijk vreemd. Arme papa, hij heeft zich vast belazerd gevoeld, die dag, als hij me zien kon, ons zien kon, belazerd vanwege mij bedoel ik. Tenzij hij, in zijn grote ontlichaamde wijsheid, verder zag dan zijn zoon, wiens lijk nog niet af was, tenminste niet helemaal.

Maar om op een vrolijker onderwerp over te gaan, de naam van de vrouw met wie ik mij niet lang daarna zou verenigen was Lulu, tenminste dat beweerde ze, en ik zie niet in wat voor belang ze erbij kon hebben om me wat dit betreft iets voor te liegen. Maar je weet natuurlijk nooit. Ze heeft me ook haar familienaam verteld, maar die ben ik vergeten. Ik had hem op een stukje papier moeten schrijven, ik heb er een hekel aan om eigennamen te vergeten. Ik maakte met haar kennis op een bank aan het kanaal, aan één van de kanalen, want onze stad heeft er twee, hoewel ik ze nooit uit elkaar heb kunnen houden. Die bank stond daar uitstekend opgesteld, erachter lag een hoop hard geworden aarde vermengd met vuilnis, zodat ik gedekt was in de rug. Flankdekking had ik ook, gedeeltelijk, dank zij twee eerbiedwaardige bomen, dood zelfs, die de bank aan weerszijden flankeerden. Hoogstwaarschijnlijk hebben die bomen op zekere dag, met al hun bladeren wiegend in de wind, het idee van een bank doen ontspruiten aan iemands verbeelding. Vóór mij, op een paar meter afstand, stroomde het kanaal voorbij, als kanalen tenminste stromen, zoiets moet je mij niet vragen, zodat ik ook van die kant geen gevaar liep verrast te worden. En toch heeft ze me verrast. Ik was gaan liggen, het weer was zacht, en ik staarde dwars door de kale ineengestrengelde takken, waarmee de twee bomen elkaar boven mijn hoofd in evenwicht hielden, en door de voorbijglijdende wolken heen, naar een stuk sterrenhemel, dat met regelmatige tussenpozen zichtbaar werd. Schuift u eens op, zei ze. Mijn eerste opwelling was ervandoor te gaan, maar mijn vermoeidheid, en de wetenschap dat ik toch nergens heen kon, weerhielden mij ervan daar gehoor aan te geven. Ik trok dus mijn benen een stukje op en zij ging zitten. Er viel die avond niets bijzonders tussen ons voor en zij vertrok al spoedig, zonder verder nog iets gezegd te hebben. Ze had alleen wat zachtjes voor zich uit zitten zingen, een paar oude volkswijsjes, zonder de woorden gelukkig, en op een vreemde onsamenhangende manier, waarbij ze van de hak op de tak sprong en soms een liedje hernam dat ze juist daarvoor onderbroken had, zonder het wijsje dat ze klaarblijkelijk eerst liever had gezongen, afgemaakt te hebben. Haar stem was vals, maar niet onprettig om naar te luisteren. Er klonk een ziel in door van iemand die snel overal op uitgekeken raakt en nooit iets afmaakt, geen ziel om direct pijn in je buik van te krijgen, als die tenminste bestaan. Ook op de bank had ze het niet lang uitgehouden, en wat mij betreft had ze in één oogopslag genoeg gezien. In werkelijkheid was het een uiterst vasthoudende vrouw. De volgende dag kwam ze weer en de dag daarna en alles verliep op nagenoeg dezelfde wijze. Er werden misschien een paar woorden gewisseld. De dag daarop regende het en ik dacht dat ze me nu wel met rust zou laten. Alweer mis. Ik vroeg haar of ze van zins was me iedere avond te komen storen. Stoor ik u? zei ze. Ik voelde dat ze naar me keek. Veel zou ze niet zien, hoogstens twee oogleden, en een stukje neus en voorhoofd, heel duister, vanwege de duisternis. Ik dacht dat we wel prettig zaten, zei ze. U stoort me, zei ik, ik kan me niet uitstrekken als u daar zit. Ik sprak mompelend, in de kraag van mijn jas, maar ze hoorde het toch. Wilt u zich dan zo graag uitstrekken? zei ze. Bega nooit de fout de mensen aan te spreken. Leg uw voeten maar op mijn schoot, zei ze. Dat hoefde ze me geen twee keer te zeggen. Ik kon haar volle dijen onder mijn armzalige kuiten voelen. Ze begon mijn enkels te strelen. Als ik haar nu eens tegen haar kut schopte, overwoog ik. Je begint nog niet over uitstrekken, of de mensen zien meteen een lijf languit voor zich liggen. Waar het mij om ging, als koning zonder onderdanen, en in vergelijking daarmee was de positie van mijn karkas een wel zeer weinig ter zake doende bijkomstigheid, was het te ruste leggen van mijn geest, het laten insluimeren van mijn ik-gevoel en van dat kleine beetje akelige pietluttigheden dat daarna nog overblijft en dat ook wel het niet-ik of voor het gemak zelfs de wereld genoemd wordt. Maar de huidige mens heeft, op zijn vijfentwintigste, nog de nodige erecties voor de boeg, zelfs fysieke, af en toe, dat lot treft ons allen, en ook ik was niet immuun, als dat voor een erectie kan doorgaan. Natuurlijk merkte ze het, vrouwen ruiken een opgerichte fallus op meer dan tien kilometer afstand en denken verbaasd, Dat hij me hier helemaal ziet! Je bent jezelf niet meer in zulke omstandigheden, en het is pijnlijk wanneer je jezelf niet meer bent, zo mogelijk nog pijnlijker dan wanneer je het wel bent, ze kunnen zeggen wat ze willen. Want als je het bent, weet je wat je te doen staat om het minder te zijn, terwijl je, als je het niet meer bent, iedereen wel kunt zijn, zonder er nog iets aan af te kunnen doen. Wat voor liefde doorgaat, is eigenlijk ballingschap, met af en toe een kaartje uit het vaderland, zo denk ik er over, vanavond. Toen ze klaar was en mijn ik, mijn eigen handelbare ik, middels een korte bewusteloosheid weer tot zichzelf gekomen was, bleek ik alleen te zijn. Soms vraag ik me af in hoeverre dit alles niet verzonnen is, of in werkelijkheid de gebeurtenissen niet een geheel ander verloop hadden, een verloop dat ik maar beter kon vergeten. En toch blijven ze, voor mij, met elkaar verbonden, haar beeld en dat van de bank, niet de bank overdag of de bank ‘s nachts, maar de bank bij avond, en wel in die mate dat praten over de bank, zoals ik hem die avond voor me zag, hetzelfde is als praten over haar, voor mij. Wat de bank overdag betreft, daar hoef ik geen woorden aan vuil te maken, hij heeft me nooit gekend, ‘s ochtends vroeg was ik al vertrokken en pas tegen de schemering keerde ik er terug. Jazeker, overdag stroopte ik de omgeving af op zoek naar voedsel en onderdak. Als je mij zou vragen, en ongetwijfeld willen jullie niets liever, wat ik gedaan had met het geld dat mijn vader me had nagelaten, dan zou ik antwoorden dat ik er niets mee gedaan had, ik had het gewoon in mijn zak laten zitten. Want ik wist dat ik niet altijd jong zou blijven en dat zelfs de zomer niet eeuwig duurt, ook de herfst niet, dat wist mijn burgermansziel me te vertellen. Uiteindelijk heb ik haar gezegd dat ik er genoeg van had. Ze stoorde me ontzettend, zelfs als ze er niet was. Ze stoort me nog steeds trouwens, maar niet erger dan de rest tegenwoordig. Het doet me nu overigens niets meer om gestoord te worden, of zo weinig, gestoord worden, wat betekent dat eigenlijk, ik zoek het zelfs op nu, ik volg een ander systeem, eindelijk het winnende, voor de negende of tiende keer, en ach, gestoord of niet gestoord, het is haast voorbij, wie praat er straks nog over haar of over de anderen, over een scheet of over de eeuwigheid? Dus u wilt niet meer dat ik kom? zei ze. Het is niet te geloven hoe de mensen alles herhalen wat je net tegen ze gezegd hebt, alsof de brandstapel ze wacht wanneer ze hun oren zouden geloven. Ik zei haar af en toe eens te komen. Ik kende de vrouwen slecht destijds, ik ken ze nu nog niet trouwens, de mannen evenmin, noch de dieren. Het beste ken ik nog mijn pijn, of laat ik liever zeggen mijn pijnen, ik denk er dagelijks over na, zo gebeurd, hoe snel gaan gedachten niet, maar ze bestaan ook buiten mijn gedachten, sommige tenminste. Ik heb wel momenten, vooral ‘s middags, dat ik mij volop syncretist voel, à la Reinhold. Wat een rust! Trouwens, mijn pijnen ken ik ook slecht. Dat komt natuurlijk doordat ik niet alleen uit pijn besta. Daar zit ‘m de kneep. Dan neem ik er afstand van om toe te zien met stijgende verbazing en bewondering, als was ik op een andere planeet. Het gebeurt niet vaak, maar dat hoeft ook niet. Niet gek, het leven. Een en al pijn zijn, wat zou alles dan simpel worden! Omnidolent! O oneerbiedige gedachte. Toch beschrijf ik ze nog wel eens voor jullie, als ik eraan denk, en als ik het kan, mijn zonderlinge pijnen, heel gedetailleerd, en soort voor soort, terwille van de duidelijkheid. Die van de geest, die van het hart of gevoel, die van de ziel (ook heel aardig die laatste), en vervolgens die van het lichaam, eerst de inwendige of heimelijke, daarna de uitwendige, te beginnen bij het hoofdhaar om dan, ordelijk en zonder me te haasten, af te dalen tot de voeten, broedplaats van eksterogen, krampen, eeltknobbels, blaren, ingegroeide nagels, hamertenen, platvoeten, horrelvoeten, loopgraafvoeten en andere curiositeiten. En voor hen die vriendelijk genoeg zijn om naar me te willen luisteren, stel ik, als het zover is, overeenkomstig een systeem waarvan ik de uitvinder zo gauw niet meer weet, meteen maar die momenten aan de orde waarop je, zonder hulp van drank, drugs of extase, helemaal niets voelt. Toen wilde ze natuurlijk weten wat ik bedoelde met af en toe eens, dat heb je ervan als je je mond open doet. Eens per week? Eens in de tien dagen? Eens in de veertien dagen? Ik zei haar minder vaak te komen, veel minder vaak, helemaal niet meer te komen als dat kon, en als dat niet kon, dan maar zo min mogelijk. Trouwens, de dag daarop zei ik de bank vaarwel, niet zozeer om haar moet ik zeggen dan om de bank zelf die, nu het buiten kil begon te worden, niet meer voldeed aan mijn verwachtingen, hoe bescheiden die ook waren, en om nog andere redenen die ik aan hufters als jullie niet ga uitleggen, en ik week uit naar een verlaten koeienstal die ik tijdens een van mijn strooptochten ontdekt had. Hij stond in de hoek van een veld dat aan de oppervlakte meer brandnetels dan gras en meer modder dan brandnetels te zien gaf, maar waarvan misschien de ondergrond opmerkelijke kwaliteiten bezat. Het was in deze stal, die bezaaid lag met droge en holle koeievlaaien, die met een zucht in elkaar zakten als ik er met mijn vinger in prikte, dat ik me voor het eerst in mijn leven, en ik zou graag zeggen voor het laatst als ik genoeg morfine bij de hand had, moest verweren tegen een gevoel dat in mijn huiverende geest geleidelijk aan de afschuwwekkende naam liefde begon aan te nemen. De charme van onze streek, afgezien natuurlijk van de minimale bevolkingsdichtheid, en dat terwijl het geringste voorbehoedmiddel er niet te krijgen is, zit hem in het feit dat alles er verwaarloosd bij ligt, behalve dan de oudbakken uitwerpselen van de geschiedenis. Die worden naarstig bijeengezocht, geprepareerd, en vervolgens in optocht rondgedragen. Overal waar de onpasselijk geworden tijd een mooie vette drol heeft laten vallen, kun je onze goede vaderlanders aantreffen, op handen en voeten eraan snuivend, met het vuur op de wangen. Het paradijs voor onbehuisden. Eindelijk een verklaring voor mijn geluksgevoel. Ga liggen, schijnt alles er te zeggen, ga liggen en blijf liggen. Ik zie geen verband tussen deze opmerkingen. Maar dat er een is, en zelfs meer dan een, lijdt geen twijfel, voor mij. Maar welke? Ja, ik had haar lief, zo omschreef ik, en omschrijf ik helaas nog steeds, hetgeen ik toen bezig was te doen. Ik wist er weinig van, want ik had nog nooit eerder liefgehad, maar ik had er natuurlijk wel over gehoord, thuis, op school, in het bordeel, in de kerk, en ik had romans gelezen, in proza- en versvorm, onder het toeziend oog van mijn mentor, in zes of zeven talen, dode zowel als levende, waarin de zaak uitgebreid aan de orde werd gesteld. Zodoende had ik toch een etiket klaar voor wat ik deed toen ik mezelf plotseling bezig zag het woord Lulu in het oudbakken plakkaat van een vaars te graveren, of onder het maanlicht op mijn buik in de modder te proberen de brandnetels met wortel en al uit de grond te trekken. Het waren reusachtige brandnetels, sommige wel van een meter hoog, ze uit de grond te trekken verlichtte mijn pijn, en toch ligt het niet in mijn aard om onkruid zoiets aan te doen, integendeel, ik zou het volstoppen met mest, als ik die had. Bloemen is weer wat anders. Liefde brengt het slechtste in de mens naar buiten, dat staat vast. Maar wat voor soort liefde was dit nu precies? Hartstochtelijke liefde? Ik denk het niet. Want die heeft toch met saters te maken? Of is dat weer een andere variant? Er zijn er toch zo veel? De een toch nog mooier dan de ander? Platonische liefde bij voorbeeld, nog zo een die me te binnen schiet. Dit is onbaatzuchtig. Misschien was mijn liefde voor haar een platonische liefde. Maar ik denk het niet. Had ik haar naam in oudbakken koeiestront zitten schrijven als mijn liefde zuiver en onbaatzuchtig geweest was? En nog met mijn vinger ook, die ik vervolgens aflikte? Kom nou! Ik dacht alleen nog maar aan Lulu, als dat niet genoeg zegt, wat dan wel? Die naam Lulu hangt me trouwens de keel uit. Ik zal haar een andere geven, een die meer bij haar past, Anna bijvoorbeeld, die past evenmin, maar dat doet er niet toe. Ik dacht aan Anna toen, ik die geleerd had aan niets te denken, behalve aan mijn pijnen, heel vluchtig, en aan de te nemen maatregelen om niet van honger om te komen, of van kou, of van schaamte, maar nooit, in welk verband ook, aan levende wezens als zodanig (ik vraag me af wat dat betekent), wat ik ook gezegd mag hebben, of nog zal zeggen, om het tegendeel of iets anders te beweren. Want ik heb altijd gesproken, en dat zal ik ook blijven doen, over dingen die nooit bestaan hebben of die, dat geef ik toe, wel bestaan hebben, en dat hoogstwaarschijnlijk ook zullen blijven doen, maar niet op de manier waarop ik ze bestaan laat. Kepi’s bijvoorbeeld, die bestaan wel degelijk, en er is zelfs weinig hoop dat ze ooit zullen verdwijnen, maar persoonlijk heb ik nooit een kepi gedragen, nee, fout, ik heb ergens geschreven, Ze gaven me… een hoed. De waarheid is dat ‘ze’ me nooit een hoed gegeven hebben, ik heb altijd mijn eigen hoed gehad, de hoed die mijn vader me gegeven had, en nooit heb ik een andere hoed dan die hoed gehad. Hij is me zelfs tot in de dood trouw gebleven. Ik dacht aan Anna toen, vaak, heel vaak, twintig minuten, vijfentwintig minuten, tot wel een half uur per dag. Tot die cijfers kom ik door andere, lagere cijfers bij elkaar op te tellen. Dat was waarschijnlijk mijn manier van liefhebben. Kunnen we nu zeggen dat het hier die verstandelijke liefde betrof, die me elders zoveel onzin heeft doen uitkramen? Ik denk het niet. Want als ik haar op die wijze bemind had, zou ik dan zo gek geweest zijn het woord Anna te graveren in plakken overjarige runderpoep? De brandnetels met handenvol uit de grond te trekken? En gevoeld hebben hoe, onder mijn schedel, haar dijen als twee duivelse kussentjes op en neer wipten? Kom nou! Om een eind te maken, om te proberen een eind te maken, aan deze situatie, keerde ik op een avond terug naar de bank, op het tijdstip waarop ze me gewoonlijk gezelschap was komen houden. Ze was er niet en ik wachtte vergeefs. Het was reeds december, misschien wel januari, heel normaal dus dat het koud was, niets bijzonders, heel terecht zelfs, alles heeft zijn eigen jaargetijde. Maar eenmaal terug in de stal had ik al snel een redenering opgebouwd, die mij een uitstekende nachtrust verschafte, en die uitging van het feit dat we de tijd op evenveel manieren kunnen aflezen, uit lucht, wind en wolken, uit het hart ook, als er dagen in een jaar zijn. De volgende dag was ik vroeger ter plaatse, veel vroeger, het was nog maar net nacht, winternacht, maar desondanks te laat, want ze zat er al, op de bank, onder de van vorst krakende takken, met haar rug naar het aarden heuveltje dat met rijp overdekt was, en met haar gezicht in de richting van het ijskoude water. Ik heb jullie verteld dat het een uiterst vasthoudende vrouw was. Ik voelde niets. Wat voor belang had ze er toch bij om me zo achterna te zitten, vroeg ik haar, zonder te gaan zitten. Ik liep heen en weer en stampte met mijn voeten. Het pad was hard en hobbelig geworden door de kou. Ze antwoordde dat ze het niet wist. Wat zag ze toch in mij? Wilde ze zo vriendelijk zijn me dat dan te vertellen, als ze kon. Ze antwoordde dat ze dat niet kon. Zo te zien was ze warm aangekleed. Haar handen had ze weggestopt in een mof. Ik herinner me dat er, toen ik naar die mof keek, tranen in mijn ogen kwamen. En toch weet ik niet meer wat voor kleur hij had. Ik was er slecht aan toe. Er was, tot voor kort, weinig voor nodig om mij aan het huilen te brengen, al heb ik daar nooit enige baat bij gevonden. Maar als ik op dit moment zou moeten huilen, dan zou ik er, al perste ik nog zo hard, geen druppel uit kunnen krijgen, daar ben ik van overtuigd. Ik ben er slecht aan toe. Het waren dingen die me aan het huilen maakten. En toch had ik geen verdriet. En als ik soms onverwacht, zonder aanwijsbare reden, begon te huilen, dan wist ik dat ik onbewust iets gezien moest hebben. Daarom vraag ik me af of het inderdaad de mof was, die me die avond aan het huilen bracht. Waren het niet eerder de harde hobbels van het pad, waardoor ik wellicht aan ongelijke straattegels herinnerd werd, of aan nog iets anders, iets wat ik toevallig ergens gezien had, onbewust? Het leek wel of ik voor het eerst naar haar keek. Ze zat daar, helemaal ineengedoken en warm ingepakt, met gebogen hoofd, haar handen in de mof op haar schoot, haar benen stevig tegen elkaar geklemd, en met haar hakken los van de grond. Vormeloos, leeftijdloos, levenloos bijna, een oud vrouwtje of een jong meisje, het kon van alles zijn. En dan steeds die antwoorden, Dat weet ik niet, Dat kan ik niet. Ik alleen immers wist niet of kon niet. Bent u voor mij gekomen? zei ik. Ja, zei ze. Nou, daar ben ik dan, zei ik. En ik? Was ik niet voor haar gekomen? Daar zijn we dan, zei ik. Ik ging naast haar zitten, maar sprong meteen weer op, alsof ik me gebrand had. Ik had zin om weg te gaan om te weten te komen of alles nu voorbij was. Maar voor ik ging, vroeg ik haar voor alle zekerheid om een liedje voor me te zingen. Eerst dacht ik dat ze zou weigeren, gewoon niet zingen bedoel ik, maar nee, een ogenblik later begon ze te zingen, en ze zong een hele poos door, steeds hetzelfde liedje geloof ik, zonder van houding te veranderen. Ik kende het liedje niet, ik had het nooit gehoord en zal het ook nooit meer horen. Ik weet alleen nog dat er citroenbomen in voorkwamen, of sinaasappelbomen, dat kan ook, en het is voor mij geen kleinigheid dat nog te weten, dat er citroenbomen in voorkwamen, of sinaasappelbomen, want van de andere liedjes die ik in mijn leven gehoord heb, en ik heb er wat gehoord, want het schijnt in deze wereld onmogelijk te zijn, fysiek onmogelijk, tenzij je doof bent, om te leven, zelfs als je leeft zoals ik, zonder ooit te horen zingen, is me niets bij gebleven, geen woord, geen noot, of zo weinig woorden, zo weinig noten dat, dat wat, dat niets, deze zin heeft lang genoeg geduurd. Ik begon nu langzaam weg te lopen en terwijl ik dat deed hoorde ik haar een ander liedje zingen, of misschien wel de voortzetting van hetzelfde, met een zacht stemmetje dat zachter en zachter werd naarmate ik me verder verwijderde, tot het uiteindelijk stil was. Zong ze niet meer of was ik te ver doorgelopen om het nog te kunnen horen? In een dergelijke onzekerheid verkeerde ik liever niet al te lang, destijds. Ik leefde weliswaar in onzekerheid, van onzekerheid, maar met dit soort pietluttige onzekerheidjes, van fysieke aard naar men zegt, kon ik maar beter meteen korte metten maken, anders waren ze in staat me weken lang als horzels te blijven belagen. Ik liep dus een paar stappen terug en stond stil. Eerst hoorde ik niets, toen het stemmetje weer, maar nauwelijks waarneembaar, zo zacht klonk het. Eerst hoorde ik het niet, toen wel, er moet dus een moment geweest zijn dat ik het begon te horen, maar er was geen begin, zo voorzichtig had het geluid zich losgemaakt uit de stilte, zo weinig verschilde het daarvan. Toen het zingen uiteindelijk ophield, deed ik nog een paar stappen in haar richting om me ervan te vergewissen dat het werkelijk was opgehouden, en niet, zij het nog zachter, verder ging. Maar even later bedacht ik wanhopig, Alleen vlak bij haar, over haar heen gebogen, zal ik het zeker weten, en ik maakte rechtsomkeert en verdween nu echt, vervuld van twijfel. Maar een paar weken later keerde ik, meer dood dan levend, terug naar de bank, voor de vierde of vijfde keer sinds ik hem vaarwel had gezegd, op nagenoeg hetzelfde tijdstip, onder nagenoeg dezelfde lucht bedoel ik, nee, dat bedoel ik ook niet, want het is altijd dezelfde lucht en nooit dezelfde lucht, hoe zeg je zoiets, ik zeg gewoon niets en daarmee uit. Ze was er niet, en toen opeens was ze er, hoe dat kan weet ik ook niet, ik had haar zien noch horen komen, terwijl ik toch op de uitkijk stond. Laten we zeggen dat het regende, er gaat niets boven verandering, al is het maar van weer. Ze had een paraplu opgestoken, uiteraard, kasten vol spullen moest ze hebben. Ik vroeg haar of ze iedere avond kwam. Nee, zei ze, alleen af en toe eens. De bank was drijfnat, dus we liepen maar wat heen en weer, gaan zitten durfden we niet. Ik pakte haar arm vast, uit nieuwsgierigheid, om te zien of ik er plezier aan zou beleven, maar ik beleefde er geen enkel plezier aan, en liet maar weer los. Waarom toch die details? Om het uur U uit te stellen. Ik zag haar gezicht nu wat duidelijker, een normaal gezicht leek me, zoals er miljoenen zijn. Ze loensde, maar daar kwam ik later pas achter. Het zag er jong noch oud uit, haar gezicht, als was het ergens tussen ongerept en verlept blijven steken. Zo’n gebrek aan duidelijkheid verdroeg ik slecht, destijds. Of het nu mooi was, haar gezicht, of mooi geweest, of wel eens mooi zou kunnen worden, daarover wist ik me, dat geef ik toe, geen mening te vormen. Ik had wel gezichten gezien, op foto’s, die ik misschien mooi had kunnen noemen, als ik zelfs maar vaag geweten had waar schoonheid uit diende te bestaan. En het gezicht van mijn vader, op zijn doodsbed, had me doen vermoeden dat er misschien toch zoiets als een esthetiek bestond die ook de mens in haar wetten kan betrekken. Maar de gezichten van de levenden, met hun eeuwige grijns op de rood aangelopen kaken, laten die zich als objecten beschrijven? Ik gevoelde, ondanks de duisternis, ondanks mijn verwarring, bewondering voor de manier waarop stilstaand of licht stromend water omhoog reikt naar dat wat erin valt, als werd het door dorst gekweld. Ze vroeg me of ik wilde dat ze iets voor me zong. Nee, antwoordde ik, wel wilde ik dat ze iets tegen me zei. Ik dacht dat ze zou zeggen dat ze me niets te zeggen had, dat zou typisch iets voor haar geweest zijn. Zodoende was ik aangenaam verrast toen ik haar hoorde zeggen dat ze een kamer had, hoogst aangenaam verrast, hoewel ik zoiets al vermoed had. Wie heeft er tenslotte geen kamer? Ik hoor het getier al. Ik heb twee kamers, zei ze. Hoeveel kamers hebt u nu precies? zei ik. Ze antwoordde dat ze twee kamers en een keuken had. Het huis werd alsmaar groter. Straks wist ze zich nog een badkamer te herinneren ook. Twee kamers zei u toch? zei ik. Ja, zei ze. Die op elkaar aansluiten? zei ik. Eindelijk een gesprek dat die naam waardig was. De keuken ligt ertussen, zei ze. Ik vroeg haar waarom ze me dat niet eerder gezegd had. Ik was buiten mezelf destijds, dat moet wel. Ik voelde me niet echt op mijn gemak als ik bij haar was, maar wel, en dat was al heel wat, vrij genoeg om aan iets anders dan aan haar te denken, eerst aan de oude vertrouwde dingen, een voor een, en tenslotte, heel geleidelijk, als iemand die zich tree voor tree laat zakken in diep water, aan niets meer. En ik wist dat ik, als ik bij haar wegging, die vrijheid weer zou verspelen.

Het waren inderdaad twee kamers die door een keuken van elkaar gescheiden werden, ze had er niets van gelogen. Ze zei me dat ik beter eerst mijn spullen had kunnen ophalen. Ik legde haar uit dat ik geen spullen had. We zaten op de bovenste verdieping van een oud huis, van waaruit je de bergen kon zien liggen, zij die dat wilden tenminste. Ze stak een olielamp aan. Hebt u geen elektriciteit hier? zei ik. Nee, zei ze, maar ik heb gas en stromend water. Aha, zei ik, wel gas dus, Ze begon zich uit te kleden. Als ze niet meer weten wat ze doen moeten, kleden ze zich maar uit, en dat is ongetwijfeld nog het beste wat ze kunnen doen. Ze trok alles uit, traag genoeg om een olifant op stang te jagen, behalve haar kousen, mijn begeerte moest kennelijk tot het uiterste geprikkeld worden. Op dat moment zag ik dat ze loensde. Gelukkig was het niet voor het eerst dat ik een vrouw naakt zag, ik kon dus blijven, wetend dat ze niet zou exploderen. Ik zei haar dat ik graag de andere kamer zou zien, die had ik immers nog niet gezien. Had ik hem wel gezien, dan zou ik gevraagd hebben of ik hem nog eens mocht zien. Kleedt u zich niet uit? zei ze. Ach, weet u, zei ik, zo vaak kleed ik me niet uit. Dat was waar, ik ben nooit iemand geweest die zich zo maar te pas en te onpas uitkleedt. Wel deed ik vaak mijn schoenen uit als ik naar bed ging, dat wil zeggen als ik alles in orde bracht (in orde!) om te gaan slapen, en soms nog wel wat bovenkleding ook, als de temperatuur het toeliet. Ze moest dus, uit wellevendheid, wel een ochtendjas omslaan en me voorgaan met de lamp. We gingen door de keuken. We hadden net zo goed via de gang kunnen gaan, daar kwam ik later achter, maar we gingen door de keuken, waarom weet ik ook niet, misschien was dat wel korter. Ik bezag de kamer met ontzetting. Zoals die stond volgepakt met meubels, dat tart iedere beschrijving. Ik moet die kamer dus ergens gezien hebben. Wat is dit voor iets? riep ik uit. De salon, zei ze. De salon! Ik begon de meubels via de gangdeur naar buiten te dragen. Ze keek toe, een beetje verdrietig, dat veronderstel ik tenminste, want wat weet ik er tenslotte van? Ze vroeg me wat ik aan het doen was, maar ik denk niet dat ze een antwoord verwachtte. Ik droeg ze stuk voor stuk naar buiten, zelfs met twee tegelijk, en stapelde ze op in de gang, tegen de buitenmuur. Het waren er honderden, grote en kleine, tenslotte stonden ze tot voor de deur zodat je er niet meer uit en, sterker nog, ook niet meer in kon. De deur zelf kon weliswaar nog steeds open en dicht, want hij ging naar binnen toe open, maar als doorgang was hij volkomen onbruikbaar geworden, hoewel, wat is volkomen? Zet uw hoed dan tenminste af, zei ze. Over mijn hoed heb ik het misschien later nog wel eens. Uiteindelijk was de kamer leeg, op de sofa na, en een paar planken die tegen de muur bevestigd zaten. De sofa sleepte ik weg tot achter in de kamer, vlak bij de deur, en de planken schroefde ik er een dag later af, waarna ik ze in de gang deponeerde, bij de rest. Terwijl ik bezig was ze eraf te halen, vreemde geheugensprong, hoorde ik het woord fibroma of brona, ik weet niet meer welk, nooit geweten ook, wat het betekende wist ik evenmin en ik heb ook nooit de behoefte gevoeld om het op te zoeken. Wat een mens niet allemaal bijblijft! En wat hij niet opschrijft! Toen alles aan kant was, plofte ik neer op de sofa. Ze had geen vinger uitgestoken om me te helpen. Ik zal lakens en dekens halen, zei ze. Maar lakens hoefde ik niet. Kunt u de gordijnen niet sluiten? zei ik. Het raam was bedekt met ijsbloemen. Echt wit kon je ze niet noemen, omdat het nacht was, ze gaven echter wel een zwak licht af. Ik mocht dan met mijn voeten naar de deur zijn gaan liggen, toch had ik hinder van dit flauwe kille schijnsel. Ineens stond ik op om de sofa te verzetten, dat wil zeggen dat de rugleuning, die ik aanvankelijk tegen de muur had geplaatst, andersom kwam te staan, naar de kamer toe, zodat nu de voorzijde, of landingsplaats, tegen de muur aan stond. Vervolgens kroop ik erin, zoals een hond in zijn mand kruipt. Ik zal de lamp hier laten, zei ze, maar ik vroeg haar vriendelijk hem mee te willen nemen. En als u vannacht nu iets nodig hebt? zei ze. Dat werd kibbelen, ik voelde het aankomen. Weet u waar het toilet is? zei ze. Ze had gelijk, daar had ik niet meer aan gedacht. Jezelf in bed van overtollig vocht ontdoen hoeft op het moment zelf niet onprettig te zijn, maar daarna lig je niet meer zo comfortabel. Geeft u maar een po, zei ik, maar die bezat ze niet. Ik heb wel een soort kamergemak, zei ze. Ik zag de trotse grootmoeder er al op zitten, recht als een bonestaak, ze had hem pas gekocht, pardon, opgedaan bij een fancy-fair, of misschien wel gewonnen bij een tombola, echt antiek natuurlijk, ze was hem aan het inzitten, of uitproberen, ze zou haast gewild hebben dat iemand haar zag. Laat ik alsjeblieft rustig blijven. Geeft u me toch een gewone pot, zei ik, ik heb geen dysenterie. Ze kwam terug met een soort bakpan, het was geen echte bakpan want er zat geen steel aan, hij was ovaal van vorm, met twee oren eraan en een deksel erbij. Mijn stoofpan, zei ze. Het deksel heb ik niet nodig, zei ik. Hebt u het deksel niet nodig? zei ze. Had ik gezegd dat ik het deksel nodig had, dan zou ze gezegd hebben, Hebt u het deksel nodig? Ik stopte het stuk huisraad onder de dekens, ik heb graag iets in mijn hand als ik slaap, dat stelt me gerust, en mijn hoed was nog steeds drijfnat. Ik draaide me om, naar de muur toe. Ze pakte de lamp van de schoorsteenmantel, waar ze hem had neergezet, laat ik alsjeblieft nauwkeurig blijven, zodat haar schaduw gedurende een ogenblik over me heen gleed, ik dacht dat ze weg zou gaan, maar nee, ze kwam bij me staan en boog zich over de rugleuning heen naar mij toe. Allemaal familiestukken, zei ze. In haar plaats was ik op mijn tenen weggeslopen, maar dat was niets voor haar, ze verroerde geen vin. Mijn liefde begon al te tanen, en dat was het belangrijkste. Ik begon me al weer wat beter te voelen, haast fit genoeg, jawel, om weer te beginnen aan mijn trapsgewijze afdalingen en langdurige onderdompelingen, die ik door haar toedoen zo lang had moeten ontberen. En ik was nog maar net binnen! Eerst maar slapen. Probeert u me nu maar eens de deur uit te krijgen, zei ik. De strekking van deze woorden, en zelfs het geringe geluid dat ze voortbrachten, leken pas een paar seconden nadat ik ze had uitgesproken tot me door te dringen. Ik was het spreken dusdanig ontwend dat mijn mond wel eens vanzelf open ging om een of meer zinnen door te laten, waar grammatikaal niets op aan te merken viel, maar waarin het ontbrak, ik zal niet zeggen aan betekenis, want die hadden ze wel op de keper beschouwd, soms zelfs meer dan een, maar aan inhoud. De klanken zelf hoorde ik echter wel op het moment dat ik ze voortbracht. Nooit had mijn stem er zo lang over gedaan om mij te bereiken. Ik draaide me op mijn rug om te zien wat er gaande was. Ze glimlachte. Even later ging ze weg. De lamp nam ze mee. Ik hoorde haar door de keuken lopen en de deur van de kamer achter zich sluiten. Eindelijk alleen, eindelijk donker, meer zeg ik er niet over. Ik dacht dat ik, ondanks de vreemde omgeving, een flinke nachtrust tegemoet ging, maar nee, het werd een uiterst woelig nachtje. De volgende ochtend werd ik gebroken wakker, mijn kleren totaal verfomfaaid, de dekens niet minder, en Anna naast me, naakt natuurlijk. Wat moest die zich uitgesloofd hebben! Ik had nog steeds de stoofpan in mijn hand. Ik keek erin. Ik had er geen gebruik van gemaakt. Ik keek naar mijn geslacht. Als dat had kunnen praten! Meer zeg ik er niet over. Dat was mijn liefdesnacht.  Mijn leven begon in dat huis een regelmatiger verloop te krijgen. Ze bracht mijn maaltijden op de door mij vastgestelde tijdstippen, ze kwam af en toe kijken of alles goed met me was en of ik niets nodig had, ze leegde de stoofpan, eens per dag, en eens per maand deed ze de kamer. Ze kon niet altijd de verleiding weerstaan om tegen me te praten, maar over het geheel genomen had ik niet over haar te klagen. Soms hoorde ik haar op haar kamer zingen, het lied ging door de deur van haar kamer heen, vervolgens door de keuken, door mijn kamerdeur, en drong aldus tot mij door, zachtjes maar duidelijk waarneembaar. Als het tenminste niet door de gang kwam. Het irriteerde me niet bovenmatig om af en toe eens wat gezang te horen. Op een dag vroeg ik haar een hyacint voor me mee te nemen, een levende, in een pot. Een dag later nam ze er een voor me mee, die ze op de schoorsteen zette. De schoorsteenmantel was in mijn kamer nog het enige plekje waar je iets op kon zetten, tenzij je het op de grond wilde zetten. Iedere dag keek ik naar mijn hyacint. Het was een roze. Ik had liever een blauwe gehad. In het begin deed hij het goed, er kwamen zelfs een paar bloemen aan, maar toen gaf hij het op, en weldra was er alleen nog maar een slap steeltje over, met een paar zielige blaadjes eraan. De bol, die half uit de aarde omhoog kwam, alsof hij naar zuurstof hapte, rook verre van fris. Anna wilde hem weg halen, maar ik zei dat ze hem moest laten staan. Ze wilde een nieuwe voor me kopen, maar ik zei haar dat ik geen nieuwe wilde. Er was een ander geluid dat me wel danig irriteerde, een onderdrukt gegiechel en gekreun dat op bepaalde tijden ‘s nachts, en zelfs overdag, overal in het appartement hoorbaar was. Ik dacht niet meer aan Anna, nooit meer, maar ik had ook stilte nodig om op mijn manier te kunnen leven. Ook al hield ik mezelf voor dat lucht tot functie heeft het lawaai dezer aarde te transporteren, en dat dit lawaai nu eenmaal voor een groot deel uit gegiechel en gekreun bestaat, toch bleef ik erover tobben. Ik kon er maar niet achter komen of het steeds dezelfde kerel was, of dat het er meer waren. Hoe moeilijk is het niet het ene gekreun of gegiechel van het andere te onderscheiden! Ik had zo’n hekel, destijds, aan dat soort deprimerende onduidelijkheden, dat ik iedere keer weer de vergissing beging om te trachten ze opgehelderd te krijgen. Ik heb er lang over gedaan, mijn hele leven kan ik wel zeggen, om tot het besef te komen dat de kleur van een oog, vluchtig waargenomen, of de herkomst van een ver geluid, meer met Giudecca te maken hebben, in de hel der onwetendheid, dan het bestaan van God of het ontstaan van protoplasma of het bestaan van een ik, en het nog minder waard zijn dat een wijs mens zich er druk over maakt. Het is wel wat lang, een heel leven, om tot die opbeurende conclusie te geraken, je hebt amper nog tijd over om ervan te profiteren. Het was dus een flinke stap vooruit toen ze me, nadat ik haar daarom gevraagd had, vertelde dat het klanten waren die haar met regelmatige tussenpozen kwamen opzoeken. Ik had natuurlijk op kunnen staan om door het sleutelgat te kijken, als dat tenminste niet was afgedekt, maar wat zie je eigenlijk nog door dat soort gaten? Dus u leeft van de prostitutie? zei ik. Wij leven van de prostitutie, zei ze. Zoudt u ze misschien kunnen vragen om wat minder lawaai te maken? zei ik, alsof ik geloof hechtte aan wat ze me zojuist verteld had. Of een ander soort lawaai, voegde ik eraan toe. Ze moeten er wel bij keffen, zei ze. Dan kan ik niet blijven, zei ik. Ze haalde een paar oude wandkleden uit het rommelhok en hing ze op voor onze deuren, haar deur en de mijne. Ik vroeg haar of ze me, als dat mogelijk was, af en toe eens pastinaak wilde voorzetten. Pastinaak! riep ze uit, alsof ik om een maaltje Joods babyvlees verzocht had. Ik vestigde haar aandacht op het feit dat de tijd voor pastinaak weldra voorbij zou zijn en dat ik haar dankbaar zou zijn indien ze me, voor het zover was, alleen maar pastinaak wilde voortzetten. Alleen maar pastinaak! riep ze uit. Pastinaken smaken naar viooltjes, vind ik. Ik houd van pastinaken omdat ze naar viooltjes smaken en van viooltjes omdat ze naar pastinaken ruiken. Was er geen pastinaak op deze wereld, dan zou ik niet om viooltjes geven, en bestonden er geen viooltjes, dan zou pastinaak me even onverschillig laten als knolraap of radijs. En zelfs zoals de zaken er nu voor staan, op deze planeet bedoel ik, waar pastinaken en viooltjes het klaarspelen om eendrachtig naast elkaar te bestaan, zou ik ze met het grootste gemak beide missen. Op een dag had ze de brutaliteit me te komen melden dat ze zwanger was, de vierde of vijfde maand al, en nog van mij ook! Ze liet me haar buik zien, van opzij, en kleedde zich zelfs uit, waarschijnlijk om aan te tonen dat er geen kussen onder haar rok verborgen zat, en natuurlijk ook om het plezier van het uitkleden zelf. Misschien is het alleen maar gas, zei ik, om haar op te monteren. Ze keek me aan met haar grote ogen, waarvan ik de kleur vergeten ben, met één groot oog eigenlijk, want het andere stond zo ongeveer gericht op de overblijfselen van de hyacint. Hoe naakter ze was, hoe meer ze loensde. Kijk, zei ze, zich over haar borsten buigend, mijn tepels beginnen al donkerder te worden. Ik verzamelde mijn laatste krachten en zei, Snel een abortus, daar zullen ze van opfleuren. Ze had de gordijnen open gedaan om haar diverse rondingen goed te laten uitkomen. Ik zag de bergen liggen, ongenaakbaar, geheimzinnig, vol spelonken, waar ik van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat alleen nog maar de wind en de wulpen zou horen, en het verre zilverachtige geklingel dat werd voortgebracht door de hamers van de steenhouwers. Overdag zou ik de warme hei op gaan met zijn geurige bremstruiken, en ‘s nachts zou ik de verre lichten van de stad zien, als ik dat wenste, en de andere lichten, die van de vuurtorens en lichtschepen, waarvan mijn vader me de namen had bijgebracht, toen ik klein was, namen die ik terug zou kunnen vinden in mijn herinnering, als ik dat wenste, dat wist ik. Van die dag af begon de sfeer in dat huis in versneld tempo achteruit te gaan. Niet dat ze me verwaarloosde, ze had me nooit genoeg kunnen verwaarlozen, maar de manier waarop ze maar door bleef zaniken over ons kind, waarbij ik dan telkens naar haar buik en haar borsten moest kijken en moest aanhoren hoe het ieder ogenblik geboren kon worden, en dat ze het al voelde trappelen. Als het trappelt, zei ik, dan is het niet van mij. Ach, zo slecht had ik het niet eens getroffen in dat huis, het was niet ideaal natuurlijk, maar dat was nog geen reden om de voordelen ervan uit het oog te verliezen. Ik wist niet of ik gaan moest of blijven, de bladeren vielen al, ik zag op tegen de winter. Het is niet goed om tegen de winter op te zien, ook die heeft zijn goede kanten, met zijn sneeuw die de warmte vasthoudt en het rumoer doet verstommen, en zijn kleurloze dagen die in een wip voorbij zijn. Ik moest nog leren, destijds, hoe mild deze aarde zijn kan voor hen die alleen haar nog maar hebben, en hoe je er, als levende, nooit lang naar een graf zult hoeven zoeken. Uiteindelijk moest ik het afleggen tegen de geboorte. Ik werd er wakker van. Het moet voor dat kind een verschrikking geweest zijn. Ik vermoed dat er een vrouw bij haar was, af en toe meende ik voetstappen te horen in de keuken. Het ging me aan mijn hart een huis te moeten verlaten zonder dat ik eruit gezet werd. Ik kroop over de rugleuning van de sofa heen, trok mijn jasje aan, zette mijn hoed op, ik hoop dat ik niets vergeet, knoopte mijn veters dicht, en opende de gangdeur. Een enorme berg rommel versperde de doorgang, maar daar wist ik me, met het nodige geweld en kabaal, doorheen te worstelen. Ik heb het woord huwelijk gebruikt, het was ondanks alles een soort verbintenis. Mezelf bedenken zou zinloos geweest zijn, niets of niemand had zulke kreten kunnen voortbrengen. Het moet haar eerste geweest zijn. Ze achtervolgden me tot buiten toe. Ik bleef staan bij de voordeur en luisterde. Ik hoorde ze nog steeds. Had ik niet geweten dat er binnen iemand gilde, dan had ik het waarschijnlijk niet gehoord, maar nu ik het wist, hoorde ik het ook. Ik wist niet zeker waar ik was. Ik zocht tussen de sterrenstelsels naar de Grote en Kleine Beer, maar kon ze niet vinden. Toch moesten ze er zijn. Mijn vader had ze me als eerste aangewezen, nog andere ook trouwens, maar alleen, zonder hem, wist ik altijd alleen maar de Grote en Kleine Beer terug te vinden. Ik begon met het gillen te spelen, ongeveer zoals ik met het liedje gespeeld had, weglopen, terug, weg, en weer terug, als je dat tenminste spelen kunt noemen. Zolang ik bleef lopen, hoorde ik het niet, dank zij het geluid van mijn voetstappen. Maar zodra ik bleef staan, hoorde ik het weer, steeds minder luid weliswaar, maar dat is bijzaak, gillen is gillen, de hoofdzaak is dat het ophoudt. Jarenlang heb ik gedacht dat het op zou houden. Nu denk ik dat niet meer. Misschien hadden andere liefdes uitkomst kunnen brengen. Maar dat is het nu juist, liefde laat zich niet dwingen.

 

(1945)