Toen Gottfried van Kempen in Keulen eind 1587 een nieuwsblad over de Kroatische ganzen- en eendenstrijd drukte, verbond hij dit mirakel met een kleiner, maar even opzienbarend wonder. Op 24 december 1587 zou ten zuiden van Noorwegen een drietal bijzondere haringen zijn gevangen. Ze zagen er op het eerste gezicht onopvallend uit, maar wie beter keek zag dat er letters in hun schubben stonden: gouden letters die zich met een beetje fantasie lieten lezen als ‘Vici Malum’, ‘Ik heb het Kwaad overwonnen’.

Misschien ontleende Van Kempen dit onderwerp aan een eerder verschenen houtsnede van Leonhard Heussler in Neurenberg. Ook daarop ging het om drie van tekens voorziene haringen, die in één trek onder Noorwegen zouden zijn binnengehaald. Een pamflet van Christoffel Diebel uit Lübeck is preciezer over de vangstplek. Volgens Diebel lag die ‘bey Solterör / 6. Meilen vom Marstrant Norden gelegen’, dat wil zeggen even noordwest van het huidige Zweedse Göteborg.

Gezien deze vangstplek ligt het voor de hand meer geloof te hechten aan een bericht uit Lübeck, dan aan Neurenberger of Keulse pamfletten. Maar dan zijn er opmerkelijke verschillen in de berichtgeving. Diebel dateert de vangst Op 28 november 1587 – een maand eerder dus – en beweert dat de letters op beide haringflanken zwart waren. Bovendien betrof het volgens hem maar één enkele haring.

Die opvatting werd door minstens twee pamfletdrukkers gedeeld, zij het met afwijkende data. Bartholomäus Käppeler in Augsburg dateerde de vangst weer Op 24 december 1587, en een onbekende Nederlandse kopergraveur stelt de vondst zelfs een week eerder dan de Lübeckse houtsnede. Zijn ‘Warachtich conterfeytsel’ toont één zijde van de haring, ‘gevangen aen de costen van Maeslandt, onder Norwegen, den 21. van November 1587.’ De tekst meldt – in het Latijn, Frans en Nederlands – dat de vis als enige in het net bleef hangen, hoewel de zee in die tijd wemelde van de haringen. De vissers hadden het dier aan keizer Rudolf 11 gezonden, en die stuurde het naar de universiteit van Rostock.

Het wetenschappelijke onderzoek van de Noordduitse geleerden zal zich vooral op theologische verklaring hebben gericht. Het duurde overigens niet lang of ook elders doken vissen met teksten op; begin 1588 al waren er vier bij Denemarken gevangen en op 23 mei van hetzelfde jaar werden er nog eens twee op het strand van Gripswald in Pommeren gevonden. Curieus ook was een Deense vangst Op 28 november 1615. Volgens een houtsnede van Liborius Schlintzing in Augsburg zou de vis die toen werd binnengehaald de tekst ‘WeWeWeDenMe’ op de schubben hebben gedragen. Ook dit dier belandde in vorstelijke handen, ditmaal van de Deense koning Christiaan IV, die net als de keizer heel geleerd Europa uitnodigde om een mening te geven.

God alleen was bij machte om de tekens op de wondervissen te ontraadselen – daarover waren de theologen het eens. Het ging hier ook zeker om een hemelse waarschuwing en aansporing tot boetedoening. Dat het wel een beetje vreemd was dat de Schepper zich daarvoor in orakeltaal uitte, ontging de godsgeleerden allerminst. Maar, stelde de theoloog Jerankurius: hier moest men dan ook duidelijk verband zoeken met de Openbaring van Johannes en de profetieën in het Oude Testament.

In de tussentijd bleven her en der zeemirakels opduiken. Monsterlijke vissen soms, met een domineeskraag en een handje dat een roede hief. Of een zwemmend fort, zoals dat in de Vistula bij Warschau in 1623 werd gevangen. Het had een gekroond mensenhoofd, hield het kruis tussen de tanden, droeg musketten op de flanken en een kanon op de rug, en kon te land vooruit op een berenpoot en een vogelklauw.

Zelfs in ons land dook een staaltje van Gods letterkunsten op. In 1633 werd bij Rotterdam een schol gevangen met op de rug een roe, een andreaskruis en vier Griekse lettertekens. Twee anonieme Duitse liedbladen, verlucht met een houtsnede van de vangst, bezingen de betekenis van dit wonderdier. De openingsregels volstaan: ‘Es ist gewisslich an der Zeit / das mercket wohl ihr Frommen / der jüngste Tag ist gewiss nicht weit / Warzelchen sieht man kommen.’

________________________ 

Bronnen
Bubb Kuyper, Haarlem, veilingcatal0gUS 29, 2 en 3 december 1998, nr. 3595, ill. plate LXXXIX (ed. Christoffel Diebel, Lübeck 1587);
‘Harengus hic piscis captus fuit 21. Novemb. 1587, inter Daniam et Norvegiam,’ anonieme kopergravure, z.pl. 1587 (Collectie Maas-Rooijakkers, Veldhoven);
Walter L. Strauss, The German Single-Leaf Woodcut, 1550-16oo, New York 1975, P. 426 (ed. Leonhard Heussler, Neurenberg 1588), 482 (ed. Bartholomäus Käppeler, Augsburg 1587), 500 (ed. Gonfried von Kempen, Keulen 1587), 852 (ed. Mattliäus Ranch, Neurenberg 1599);
Dorothy Alexander, Walter L. Strauss, The German Single-Leaf Woodcut 1600-1700, New York 1977, p. 466 (ed. Liborius Schlintzing, Augsburg 1615), 468 (ed. Jacob Schmaritz, Praag 1624) en 766 (anoniem 1624), 588 (cd. Paul Sesse, Praag ca. 1610), 734 (ed. anoniem, Ravensburg 1633) en 778 (anoniem 1633), 1350 (ed. anoniem 1588);
Eugen Holländer, Wunder, Wundergeburt und Wundergestalt, Stuttgart 1921, p. 196, 199 en 334.