Toen er nog geen kaarten waren, moet het reizen moeizaam geweest zijn. De Romeinen, die ons in veel opzichten mooie voorbeelden hebben nagelaten, moesten zich cartografisch behelpen. Het is een raadsel hoe zij met hun beroemde Peutinger kaart uit de vierde eeuw na Christus uit de voeten konden. Noord, zuid, oost en west zijn relatieve begrippen op deze kaart, waarop slechts de Middellandse Zee en Britannia goed zijn te herkennen. Kan de Peutinger kaart met enige goede wil nog als een praktische schets gezien worden (de symbolen die de kaart voor steden gebruikt lijken trouwens verrassend op die voor luxehotels in de rode Michelingids), de middeleeuwse mappamundi, letterlijk wereldkaart, had vooral een mystiek en symbolisch karakter. De Christelijke wereld werd er geplaatst tegenover de wereld van de duisternis en dat alles onder een uiteindelijke goddelijke bestemming.

Hoezeer de mappamundi de mens ferm onder het gezag van het hogere plaatste, de pelgrim op weg naar Rome of Santiago had er weinig aan bij het vinden van zijn weg. Dat kwam neer op eindeloos vragen naar onbekende en naamloze wegen en paden, terwijl straatnaamborden en wegwijzers ontbraken. Alle kans voor onbetrouwbare lieden om de verkeerde weg te wijzen en hinderlagen te leggen. Aansluiting bij andere pelgrims diende dan ook praktischer doelen dan louter sociaal contact.

Niet alleen pelgrims, maar ook veldheren en hun legers kampten met grote oriëntatieproblemen. Het zou tot de uitvinding van de driehoeksmeting in de zestiende eeuw duren eer er een begin gemaakt kon worden met het tekenen van enigszins betrouwbare landkaarten. Langzaamaan kon zo in de behoeften van de militairen worden voorzien. In onze streken speelde de strijd tussen opstandelingen en Spanjaarden een belangrijke rol in de ontwikkeling van de cartografie. Nadat al eerder Cornelis van Deventer de opstandige gewesten voor de burgerlijke overheid in kaart gebracht had, tekende cartograaf Christiaan Sgrooten de Nederlanden in opdracht van Filips ii. Dat er van uitwisseling van topografische gegevens geen sprake kon zijn, sprak vanzelf in een tijd dat het inwinnen van topografische inlichtingen ‘verspieden’ werd genoemd. Evenmin bestond er uniformiteit in symboolgebruik, of waren er regels voor het vergelijken van kaartschalen, laat staan een afspraak dat de bovenkant van de kaart het noorden aangeeft.

De expansie van het Franse Rijk na 1789 en de aanzetten van het Napoleontische regime tot uniformering betekenden een krachtige impuls voor de cartografie. Maar ook nieuwe bestuurlijke verhoudingen vroegen om nieuwe cartografie, ook in Nederland. Zo gaf het Uitvoerend Bewind van de Bataafse Republiek al in 1798 opdracht voor het samenstellen van een kaart ten behoeve van de nieuwe administratieve indeling. Uiteindelijk kwam in de jaren 1850-1870 een gedrukte Topografisch Militaire Kaart tot stand op een uniforme schaal van 1:50.000. Daarna zouden nog vele edities volgen. Verspreiding van dit soort gedetailleerde topografische kaarten bleef echter beperkt tot het leger en specialistische overheidsdiensten. Pas in de jaren zeventig van deze eeuw werd het populair om aan de hand van een topografische kaart zelf wandel- of fietstochten uit te zetten.

De opmars van het volksonderwijs vanaf het midden van de negentienesde eeuw betekende een krachtige impuls voor de geletterdheid van debevolking. In deze tijd van toenemend natiebesef kreeg ook de school-aardrijkskunde haar kans. Naast lezen leerden de leerlingen kaartlezen. In deze tijd verschenen de eerste moderne schoolatlassen; de eerste druk van de Bosatlas dateert bijvoorbeeld uit 1877.

Dergelijke atlassen zijn een weerspiegeling van de ziel van de natie en van haar preoccupaties, veel meer dan de betrouwbare en precieze topografische kaarten. De noodzakelijke reductie en generalisatie van geografische gegevens leidde tot versimpeling en opende de weg voor bewuste manipulatie. De populaire pers ging kaarten afdrukken met propagandistische doeleinden. Een voorbeeld is de Carte drôlatique de l’Europe pour 1870 die in het jaar van de Frans-Duitse oorlog verscheen. De verschillende landen van Europa hebben hier menselijke vormen aangenomen, Frankrijk verdedigt zich zoals het hoort, maar de begerige Pruis strekt zijn handen uit naar Holland en Oostenrijk, Rusland is de boeman die de mand op zijn rug verder wil vullen. Verder gaan de propaganda-kaarten die tijdens en na de Eerste Wereldoorlog het licht zagen. In 1918, het jaar van de Duitse nederlaag verscheen (in Amerika!) de Atlas Polski die de omvang van de staatloze Poolse natie gedetailleerd aangaf. Het mag geen verbazing wekken dat de grenzen van de toekomstige staat wat ruim getrokken waren.

Voor de heersers in de hoofdsteden lijkt de staatkundige kaart van Europa de enige echte. Of Frankrijk rood, groen, of paars gekleurd is, doet er niet toe, als het maar een egale kleur heeft, en iedereen binnen de eenmaal door veroveringen getrokken grenzen zal er Frans spreken. De visie van de heersers druppelt via het onderwijs door en vindt door middel van atlassen haar weg naar de onderdanen. Voor Duitsland geldt hetzelfde. Het is dan een eigenaardige gewaarwording dat de mensen aan de overkant dezelfde taal blijken te spreken. Zo gaat dat bijvoorbeeld in het land van Kleef, waar iedereen oppervlakkig beschouwd slechts Duits lijkt te spreken, totdat het ijs breekt en je in het Nederlands verder kunt gaan.

Ook de opkomst van het toerisme in het laatste deel van negentiende eeuw en de opmars van de auto in de twintigste eeuw leidden tot verdere verspreiding van kaarten (en gidsen) onder het volk. Baanbrekend was het werk van de firma Michelin – in rubberbanden, kaarten en gidsen. In de beginjaren van de auto was het belangrijk om de schaarse benzinepompen te vinden. Al snel ging het echter om het vinden van fraaie toeristische routes.

Elke kaart heeft zijn eigen invalshoek, hoezeer ze ook tracht de suggestie van volledigheid te wekken. Zo beperkt de door Michelin geïntroduceerde groene lijn langs landschappelijk fraaie wegen zich tot die trajecten waar het voor de automobilist aangenaam rijden is. Een onverharde weg wordt soms nog wel aangegeven, zo nauwkeurig is Michelin wel, maar zal het altijd zonder de groene lijn moeten stellen. Voor de wandelaar begint het hier echter pas aangenaam te worden. Voor elke doelgroep is er een eigen kaart. Zo liet de – toen nog voluit – Algemeene Nederlandsche Wielrijders Bond in 1917 aparte kaarten maken voor de langeafstandswandeling tussen Amsterdam en Arnhem.

De scherpgestoken lijnen van kaarten en atlassen voorzien in een diepe behoefte. Maar welke van de vele werkelijkheden die een kaart bevat, is de echte. Is dat de werkelijkheid van de fysiek aanwezige geografische kenmerken: bergen en dalen, zeeën en rivieren? Welke menselijke artefacten worden toegevoegd: steden, dorpen, kanalen, wegen en spoorlijnen? De werkelijkheid van administraties is een heel andere. Over de zichtbaar aanwezige elementen wordt een onzichtbaar web van administratieve grenzen gelegd. Landerijen, hoeven, dorpen en steden krijgen een naam. Voor administrateur, tolgaarder en reiziger is dat makkelijk, dan weten ze tenminste waar ze het over hebben. Waar moet leger of politie ingrijpen, waar dient de belasting vergaard, waar is de gereserveerde herberg? Een naam op een kaart is zelden willekeurig gekozen. Toegegeven, vaak is het een naam die van vader op zoon, van moeder op dochter overgeleverd is, maar vanzelfsprekend is dat allerminst. Dat blijkt al wanneer een streek meertalig is. Zijn de machtsverhoudingen

tussen de taalgroepen uitgekristalliseerd, dan vinden een, twee, of zelfs drie namen hun weg naar de kaart. Hoe veeltalig een streek ook mag zijn, hanteert men in het onderhavige land de knoet, dan telt het numeriek argument niet en wordt de taal van de overheerser gebruikt. Sommige overheersers zijn daar milder in dan andere. In de Schotse Hooglanden, in de 18e eeuw met geweld door de Engelsen onderworpen, zijn de veldnamen vaak Keltisch, doch zodra een vlek er maar enigszins toe doet, wordt een Engelse of verbasterde naam gehanteerd.

Elders duiken officieel weggeretoucheerde talen opeens weer op wanneer de macht van het centrale bestuur verschuift naar de regio’s. Twintig jaar na de dood van de generalissimo is de kaart van Catalonië weer Catalaans geworden. Het conservatieve Galicië was een stuk trager, maar tegenwoordig is op de kaart een nieuwe, een Galicische werkelijkheid ontstaan.

In Spanje is de cartografische illusie van de uniforme natiestaat verdwenen. Maar elders is de werkelijkheid van de kaart een andere dan die van de ontmoetingen in het terrein. In dat opzicht speelt ook de schaal een vertekenende rol, hoe kleiner de schaal, des te beperkter het blikveld.

De namen op de kaart zijn nog maar één aspect van de bijziendheid van de cartograaf. Merkwaardig blijven met name op grootschaliger kaarten de grenzen. Op de officiële kaarten van Ecuador is het land bijna twee keer zo groot. Door het midden van het land loopt een dunne rode lijn ‘Línia del protocolo de Río de Janeiro de 1942’. In de werkelijkheid van alledag begint hier het territorium van erfvijand Perú. Maar ook Italiaanse kaarten kunnen er wat van. Hier is het niet zozeer de grenslijn die op de ‘verkeerde’ plaats ligt, maar veeleer de naamgeving. Italiaanse namen reiken tot voorbij Rijeka (It. Fiume) dat tegenwoordig diep in Kroatië ligt.

Over wereldkaarten en projecties is al vaak geschreven. Europa ligt op Europese kaarten altijd in het middelpunt, maar hetzelfde geldt voor China of de Verenigde Staten. Kaarten bepalen de visie op de wereld. Alleen al het kijken op de eigen wereldkaarten van de diverse imperia kan in dat opzicht verhelderend werken. Wat zou het mooi zijn om zonder vooringenomenheid de werkelijkheid voor eens en altijd vast te leggen. Enkele jaren terug stond in de Volkskrant een verhaal over de ideale atlas. Als ik de strekking goed begrepen heb, dient de ideale atlas een afspiegeling te zijn van de werkelijkheid en geen vertekeningen in schaal te zien te geven. Kamtsjatka, een schiereiland aan de verste rand van Siberië zou op dezelfde schaal moeten worden afgebeeld als Nederland, en datzelfde moest ook gelden voor verafgelegen eilandloze zeeën. Natuurlijk zou het leuk zijn als een dergelijke atlas bestond. Op het moment dat ik mij voorneem om naar Corvo te reizen, een 16 km2 grote vlek in het midden van de Atlantische Oceaan, wil ik het eiland in al zijn glorie zien, en subito. Zulke pleidooien gaan meestal gepaard met geklaag over de overgrote aandacht voor Europa en Noord-Amerika. Maar het fascinerende aan atlassen is nu juist hun ego- of etno-centrisme. Iedereen weet dat de gebroken arm van de buurvrouw belangrijker is dan een rampzalige stormvloed in Bangla Desh. Atlassen vormen een getrouwe weerspiegeling van deze fundamentele karakterfout.

Dat betekent niet dat cartografen niet met hun tijd meegaan. Minder dan vroeger laten zij zich leiden door politieke vooringenomenheid. Het is fascinerend hoe snel en accuraat de veranderingen na de val van de muur in atlassen hun weerslag vonden, de splitsing tussen Tsjechië en Slowakije, het uiteenvallen van Joego-Slavië, de situatie in de Kaukasus. Hier en daar blijft de oude reflex doorschemeren. Op de overzichtskaart van Zuid-Amerika in de meest recente Bosatlas horen betwiste grensgebieden weer ongegeneerd tot Suriname, terwijl de Bos van 1908 ze nog onbekommerd aan Brits en Frans Guyana toedeelt. Het is een kleinigheid. Over de grens gaat het wel anders toe, zoals in de schaamteloos-politieke Atlas de la Langue Française (1995), waar bijkans de pinguïns op de zuidpool Frans spreken. In manipulatief opzicht is deze atlas een hoogtepunt. Het gebruik – en soms juist het bewust weglaten – van kaarten, statistieken en verklarende teksten geeft het oude cliché: ‘hele waarheden, halve waarheden, leugens en statistieken’ een nieuwe dimensie.

Deze vorm van cultuur-imperialistisch stratego mag een spel lijken, een blik op de recente geschiedenis van Rwanda en Burundi leert anders. Lees het boek ‘The Rwanda Crisis (1959-1994) – History of Genocide’ van de Franse Afrikakenner Prunier. In hun Oegandese ballingschap hadden de Rwandese Tutsi-rebellen, de huidige machthebbers in Kigali, Engels geleerd. Reden genoeg voor de Franse regering om à tort et à travers het Hutu-regime te blijven steunen. De Franse aanwezigheid in Afrika mocht niet in gevaar komen door de stiekeme opzetjes van ‘Angliches’ en ‘Ricains’, gezworen vijanden immers van het Frans, zo niet van Frankrijk. Paranoïde wanen of geopolitiek, de gevolgen zijn er niet minder gruwelijk om.

Laten we ons overigens hoeden voor een beeld waarin alleen de arme kaartentekenaar bedremmeld naar het klokhuis in zijn hand staart. Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Maar risicoloos of onschuldig is het bedrijven van de cartografie allerminst.