Het gesprek. Het is weliswaar warm, zij het lang niet de 33 graden zoals te lezen staat in de beginregel van het boek waarvan ik de (magistrale) aanhef maar niet kwijtgeraak, deze minuten. Ik bevind mij ook niet op de, tengevolge de vermelde hitte volkomen verlaten Boulevard, maar sta met gespreide benen op de uitkijk in het station, het gonzende Station Zuid van de halve Europese hoofdstad Brussel. Evenmin zullen High, de essayist, en Durk, de dichter, zonen van het befaamde expertenkantoor Higghins Higghins en Durkheimer, uit een verschillende richting komen aanzetten, ze zullen sàmen arriveren, arm in arm bij wijze van spreken, ik ben er zeker van. Om eerlijk te wezen, ik word niet verondersteld van hun aankomst in het station getuige te zijn, integendeel, de reiziger ben ik, aan hen de taak mij te verwelkomen. Ofschoon het ook weer niet belangrijk is, ik bedoel: niet belangrijk wie wie opwacht, verwelkomt, de gastheer de gast, de gast de gastheer. Er moet iets zijn misgelopen. Maar kijk: ik krijg niet eens de tijd mij in de onrust te vermeien, reeds zie ik hen beiden de ongemakkelijke trap naar beneden komen. Het (geometrisch logische) labyrint dat dit station met alle grotestadstations ter wereld gemeen heeft, moet het voorzeker zo hebben beschikt dat de jongens opwaarts naar de perrons zijn gesneld om mij als het ware uit de trein te heffen, juist op het ogenblik dat ik van hetzelfde perron maar in een ander trapgat naar beneden ben verdwenen. Nou, eind goed al goed. Durk draagt een aandoenlijk wit, High een donker pak. Hun baarden zijn vrijwel identiek, vol en viriel, op dit stuk zijn de kerels alvast niets veranderd, niet van elkaar vervreemd. Warmte voor deze zoons doorstroomt mij. Je vrienden, net als je ware zoons, kies je niet, je maakt ze ook niet, ze zijn er. High heeft een paraplu in de hand waarmee hij, halfweg de trap, vrolijk zwaait zodra hij mij opmerkt bij het krantenstalletje. Durk houdt de doos met de taart voor zich uit. Ik herken de doos direct, de perfecte wiskundige vorm en het rose lint met de sierlijke strik eromheen, omzichtig te dragen!, de letters erop in goud en gothisch, kan ze van hieruit al bijna aflezen, grote naam dure faam. Tot vanavond, het uur waarop ik, op invitatie van een niet te veronachtzamen letterkundig genootschap, aan de tand zal gevoeld worden door een gerenommeerd professor, zullen zij mij verwarmen, bijstaan. Tot zolang zal de lach niet uit de lucht zijn, ik weet het, begin er al mee. Lachend vallen we mekaar in de armen, paraplu en taart de moeilijk te nemen hindernissen achter rug en onder oksel.

‘Welaan vrienden,’ vraag ik, de begroeting tot een goed einde gebracht, ‘wat is het ophefmakende nieuws in dit fiere land?’

‘Een tijdperk afgesloten,’ zegt High, de essayist. ‘Achter de epoque Beckett is voorgoed een punt gezet.’

‘De era Marquez aangebroken,’ zegt Durk, de dichter, ‘het is officieel geannonceerd.’

‘Zo,’ zeg ik, ‘de Derde Wereld die Europa ter hulp schrijft. Terug naar Hoe het groeide.’

‘Of Houtekiet,’ zegt High, en het is met de beste wil niet uit te maken of er trots schuilt in zijn stem of zoiets als milde spot.

‘De klok terugzetten,’ zegt Durk, ‘we blijven ermee doorgaan.’

‘Mm, heerlijk!’ zeg ik. ‘Ik ruik de taart dwars door de doos.’

‘Terug is soms vooruit,’ zegt High, snuift, beroepspassend.

‘Moet je weten,’ zegt Durk, ‘ik ben grootgrondbezitter, in Zuid-Amerika alsjeblieft, mijn broertje heeft daar een hoender- en varkensfokkerij. Maar dit zal mij niet beletten het op te nemen voor…’

‘Hu, de Ieren,’ zegt High. ‘Onze lokale nationalisten hebben altijd een zwak gehad voor de Basken, de Bretonnen en de Ieren. Allemaal terroristen. Zijn zelfs afgezakt tot in Triëst toe, ik meen de Ieren.’

‘Geef je ons een primeur vandaag, zoals in de heuglijke tijd toen je nog alle dagen tussen ons vertoefde?’

‘Zeker, vrienden,’ zeg ik, ‘zeker.’

‘Toch niets pornografisch, hoop ik,’ zegt Durk. ‘Ik heb namelijk eerst een afspraak om middernacht. Grote goden, een achterronding als een wereldbol met illuminatie, lig er al weken van wakker.’

‘Stil,’ zegt High, ‘onze reiziger is in gedachten.’

‘Verwijlt bij Beckett, zie je zo,’ zegt Durk.

‘Misschien Marquez,’ zegt High.

 

‘Het concert,’ zeg ik, ‘de hele morgen al word ik weer bijzonder in beslag genomen door het concert.’

‘Op ermee,’ zegt Durk.

‘Ze hadden ook nog frambozentaart,’ zegt High, ‘nauwelijks enig prijsverschil.’

‘Niet koud laten worden,’ zegt Durk.

‘Het is duidelijk chocoladetaart,’ zeg ik, ‘daar durf ik mijn neus op verwedden.’

‘Van uitstel komt achterstel,’ zegt Durk, ‘staat zelfs in het woordenboek.’

‘Chocoladetaart, inderdaad,’ zeg ik. ‘Hoe heb ik ook maar kunnen twijfelen!’

‘Geen getreuzel,’ zegt Durk. ‘Daar zie ik een bank.’

‘Goede vrienden,’ zeg ik.

‘Je hebt,’ zegt High, ‘gelijk, wat de taart betreft.’

 

Het concert

Waarvoor werd hij gestraft? Of was dit geen straf misschien, deze aaneenschakeling van, zeg in afwachting maar: ongelukken, het precieser woord korre later? Op het podium daarbuiten – de verweerde zijgevel van de kathedraal van de Heilige Sifrin het adequate (immers: ‘antieke’) folderdecor voor dit zuiderzomers openluchtavondfestival de la danse et de la musique, du théâtre et de la chanson, toerisme voedt kunst – op het podium was de viool reeds ter bijstand gesneld, de nestor van de virtuozen. Samen met deze Amerikaanse celebriteit op de affiche, daarvoor was hij gezwicht, godnee niet daarvoor, niettemin: twee generaties (hij (te) jong, niet eens dertig, de andere in de glorie vergrijsd), twee instrumenten (gene de viool, hij de piano), twee componisten (Mozart voor de viool, Bach voor hem – waarom Bach?, lag hem al niet zo, zwoegwerk), twee kaarten: die van het succes, opnieuw, wacht maar, en die van de straf, van de ongelukken, van. Het orkest (uit Oostenrijk) speelde onberispelijk, tot zoveel oordelen was hij nog wel in staat, de dirigent schoof Salzburg naar de Middellandse Zee toe en slaagde. M’sieur! De viool kon haar bravoure niet op, irriteerde hem.

 

Psst!… M’sieur! Maître! Hij wist het al: de sleutel bleef onvindbaar. Dit was niet het laatste wat over hem zou neerdalen, nog altijd waren ze slechts bij het begin van deze vermaledijde dag, avond, nacht. Hoe laat was het? Hij stampte op de grond, riep: Continuez! Cherchez! Parten! Applaus. Vanmiddag was, jawel, de vleugel stuk gevallen. Schrijf dit naar huis, naar je moeder, je vrouw, Evariste je boezemvriend, ze rennen om een dokter. Iets brak, ‘n touw, ‘n riem, een rug, in ieder geval de piano aan diggelen. Strijkers hebben hun instrument onder eigen hoede, zij, de toetsentokkelaars, zijn overgeleverd aan deze/gene lokale uitrusting. Achter zijn rug stommelden dirigent en solist podium-af en podium-weer-op. Kreten. Bravo! Bravo! Bisnummer onvermijdelijk. Pauze kon volgen, nog een laatste keer twintig minuten respijt. Het Festival zou, moest gered worden: een nieuwe – veel te nieuwe – piano werd zonder verwijl uit een verderaf gelegen uitstalraam feestwaarts getoverd en bleef heel. Sinaasappelkist. Grenehouten kast met hoestspijkers, rook naar een mengsel van vrouwurine en nagellak. Maar hij zou niet begeven, ook hierop Bach te lijf gaan. Toen, zo bleek tot aller ontsteltenis, was de sleutel zoek. De onnavolgbare virtuoos van de viool, galant, gentleman, had met hem te doen, legde zelfs vier goudvingers op zijn bovenarm, nam hiermee meteen afscheid, taak volbracht. De dirigent vertrok geen spier, zei alleen: Zuiderlingen!, pakte al zijn misprijzen samen in de manier waarop hij zich door de orkestleden liet omringen, afschermen. Waar bleven ze in ‘s hemelsnaam met de sleutel? Daarstraks was hij al een eerste keer voor het voetlicht getreden: Mesdames, messieurs, gelooft u mij, gelooft u mij niet, de piano, jawel, zo’n dag is het vandaag, de piano is stuk gevallen. Ontsteltenis eerst want volslagen stilte, en ongeloof, dan gelach, hier en daar. Meevoelen ook. Impossible!… Comment, mais le pauvre! Hij weer, z’n handen sussend voor zich uit op de lucht gelegd: Wees gerust, mesdames, messieurs, niets onherroepelijks, een andere piano is al op komst, in afwachting gaan we verder met Mozart, ik wil zeggen, dames, heren, het vioolconcerto, in la-majeur, KV deux cent, deux cent dix, deux cent dixneuf, excuus voor het kleine incident, voor, dank! Handenklappertje links en rechts. Nu moest hij voor de tweede keer het podium op, boog maar weer, de blik gefixeerd op het wazige gevulde amfitheater, de vlekken, gezichten-hemdenjurken, handen, een soort nachtelijk vijverbeeld-met-lelies, Monet, ter plekke opgeroepen. Hoogvereerd publiek, de vervangpiano, wees gerust, wees gerust, de vervangpiano is gearriveerd. Ah!… Non… Oui!… Alleen, hoogvereerd publiek, even geduld, ‘n minuutje, we zoeken, nou, een kleinigheid, we zoeken namelijk nog naar de sleutel. Jaja, zo’n dag is het. Buigen, minzaamheid tentoon spreiden. Niettemin liet hij er op volgen, bars voor zijn doen: En zo zijn we maar weer in de middeleeuwen!, verliet hard stappend het podium onder stijgend geroezemoes, gezoeremoes, ge. Bijna struikelde hij inderdaad. Toen eindelijk de sleutel in zijn handpalm lag weigerde hij te geloven, lachte, met hikjes, verrast omdat het lukte: het deksel klapte open. Helaas, met de klank die bovenkwam viel, als hij die uitdrukking mocht gebruiken, geen land te bezeilen, zelfs eenmaal gestemd zou op deze doos iedere poging tot muziek onder de maat blijven. Voor het eerst voelde hij waarachtig grond verliezen, een overgeleverde tussen nacht en morgen, zo stond hij daar. Welhaast iets van tranen welde op. Stemmen!, schreeuwde hij, sito prestissimo dit ding te vullen met. Noten. Kon het zelf niet aan, ineens weer wel. Van het hollebuizenstaketselgedrocht met het wachtend publiek erop neergestreken, opgepind tegen het hemelzwart, klonk herhaald geroep van ongeduld. Je zou voor minder. Het protest ging spontaan over in applaus, jubel: de piano werd – moeizaam, schoksgewijs – het podium op geduwd. Olé! Duwen, Olé! Duwen. Er school nog humor in de stad, de nacht, de nachtstad, maakte eerbiedig plaats voor de (veel te lang) uitgestelde wijding. Een voor een, op kousevoeten, schoven de leden van het (kamer)orkest naar hun plaatsen. Hij voelde de adem van de dirigent in zijn nek terwijl ze zich op hun beurt naar Bach op weg begaven, eenzaam plus eenzaam. Zijn handen boven de toetsen herkenden de winter die opsteeg uit het instrument, kleumden. Hij zag het wel: de maatstok bewoog, in de bril van de dirigent lag schijnwerpergeblikker, weerkaatste zijn kant uit. Werktuiglijk drukte hij op de toetsen. Gebeente. Waar bleef Bach? Rond hem steeg muziek op, jaja, maar in hem, uit hem? De vermaledijding van de dag lag met weerhaken op zijn schouders, zijn ledematen: communie met de goden verspeeld in aanraking met. Met? De maatstok bleef hangen, zakte weg. Tonen haperden en vielen uit, een voor een, die indruk. Bestraffende blik uit Oostenrijk. Gegeneerd kuchen op de banken die opglooiden tot hoog boven het plein, boven hem. Hij maakte met zijn handen een gebaar als om iets uit te wissen, een misverstand. Excuus, excuus, laten we vriendelijk blijven. Maatstaf en bril meldden zich inderdaad opnieuw. Geblikker uit bekkeneel. Johan Sebastian waar ben je? Als kind maakte hij fraai geïllustreerde catalogi van zijn bezit: locomotief met rode wielen, doodshoofd met kaars, kanon met huzaar, drie kleurpotloden. Later werden het programmabladen voor gefingeerde concerten met monsterachtige krullen en gigantisch zijn naam erop. Zondag Groot Concert In De Oude Stalhouderij. Uit de piano kwam een geluid dat weerbarstig in tegenspraak bleef met zijn vingers. Iedereen Welkom. De naam, groot groter grootst. Het hielp niet: klanken haakten (alweer) af en gingen hups weegs, verdwenen naar de sterren daarboven, zie het maar zo. Bestraffing uit Oostenrijk niet eens meer gegund. Salzburgse kin bleef kleven op de borst en wachtte gelaten. Zou hij dan toch ten onder gaan, deze mediterraanse festivalnacht, tot niets (meer) in staat? Wat had hem gedreven? Waren er niet afdoende argumenten aanwezig geweest voor een zwierig adieu: z’n instrument in de prak, een zeepkist ervoor in de plaats, etcetera etcetera, wat wil je meer? Tegen wie/wat vocht hij? Wat/wie wilde hij (wat) bewijzen? Indien bij voorbeeld bidden maar iets bijbracht: muziek bij mirakel opklinkend uit piano, geloof doorstromend naar enkels en polsen! Hoelang zou zo’n staat-van-goedwilligheid nog aanhouden, riep daar al niet iemand? Een verwensing? Helder en stimulerend drongen de orkestklanken – derde keer goede keer – tot hem door zodat hij vanzelf antwoord gaf met kracht en glimlach. Dialoog geaccepteerd. Aanslag zonder aarzelen, koel accuraat. Ach, min of meer accuraat. Wie verraadde wie? Hij Bach, Bach hem? Afgronden als deze bleven dus mogelijk. Zo kwam onafwendbaar – het zou wel in de kaarten te lezen staan – het einde nabijgeklungeld: de dirigent stak, bij wijze van spreken, z’n maatstok op zak, rustig, stapte van zijn optredje. Rustig verliet hij het podium. De vier eerste violen, de vier tweede violen, de drie altisten, de twee cellisten en de contrabas, de onthoofde bemanning bleef aan dek, voorlopig, schip niettemin duidelijk op zinken. Het krijten en fluiten dat begon op te stijgen van de wal werd (althans voor zijn oor) even nog versmoord door een soort van gonzende stilte, de verbijstering als een stolp over het hele oostelijke kerkplein, daaronder het honderdvoud verzwegen:

 

Wat nu? Wie van de orkestleden, vroeg hij zich af, zou het eerst van zijn zitje komen, het voorbeeld van de dirigent volgen? Haha, kleuterspelletje inleggen tegen het grote grove spel in? Stand houden, ondanks alles. Alhoewel. Een van de altisten was een meisje. Zulke ogenblikken heb je, van plots bemerken wat je al lang hebt gemerkt. De contrabas zat het dichtst bij de coulisse-voor-verdwijnen, liep op zijn tenen. Toen bleven er nog dertien. De twee cello’s deden het samen, besnaarde tweeling, ieder zijn vergroeiing. Toen bleven er nog elf. De storm verbrak voorgoed stolp en versperringen, barrières van fatsoen, van medelijden, van ongeloof. C’est honteux! C’est honteux! Hij zat er nu middenin, in de roepgolven, het taalgeweld… teux!… teux!… Zij met haar altviool sloeg de ogen neer omdat hij, omdat hij wàt precies, iets in zijn blik, smeekte hij? Ze stapte op – zwarte jurk witte huid – een halve podiumlengte achter d’r collega aan. Toen bleven er nog negen.

 

Impossible! Inadmissible! Incroyable! Inacceptable!

Het moest, vanop de publieke tribune, een deerniswekkende aanblik zijn: de jonge, in kringen van kenners eigenlijk al roemrijke homo novus onbeweeglijk voor zijn piano op het langzamerhand leeglopende podium – alsof hij tot op het hemd, het bot werd uitgekleed, daar zou het op lijken-, de schijnwerpers, de kreten ongenadig. Niet alleen de muzikanten, ook de dames, de heren uit het publiek schoven weg, niet allemaal, de verbolgenen, hij zag het wel, verbeeldde zich de gezichten, van muziek geen kaas gegeten maar vanavond dure carnaval-, excuus festivalgasten, in ‘t dagelijkse leven, ach wat, eerbare beroepen, daar niets van, maar klokkeluiders op aangewaaide momenten als deze, geboren (aan)klagers, vreugdevolle melders van onheil, nee, van. Falen was er ook bij, mocht hij niet verhelen, eerlijk was eerlijk. De wraak, altijd de wraak bij de hand hebben. De waarschuwing was er weer, hij had haar ooit tijdens een heroïsche kroegnacht meegekregen van een orgelbouwer die uit het verre noorden was uitgeweken naar Venetië en die haar op zijn beurt cadeau had van een gerenommeerd plantenkundige uit de Oriënt, een achtergebleven markies: Denk erom, als ze komen, de klokkeluiders, om je uit te luiden vóór tijd en stond, altijd de wraak bij de hand hebben. Een van de nog resterende eerste violen knikte hem toe, doorzag iets, begreep iets, in ieder geval gàf iets, een oogdruk. Toen bleven er nog drie… ible! iblel… able! able!… In ganzegang vertrokken de laatste muziekmeneren. Toen – daarginds ook de schreeuwsyllaben verstorven – bleef er geeneen. Veertien verlaten stoelen, de lezenaars ervoor, de verlaten partituren, le pupitre du chef, de piano. Hij daartussen, aan de rand, meer alleen dan ooit. Voor de derde keer richtte hij zich tot het vereerde publiek, diegenen die nog present waren, de zittenden (de wakenden/wachtenden), de staanden (de aarzelenden), de gaanden die zich al dadelijk omdraaiden tot staanden bij zijn eerste woorden, opnieuw plaats namen. Niets ontging hem meer, geen nacht zo donker. Mesdames, messieurs, dit alles is voorzeker mijn schuld, voorzeker heb ik Bach onvoldoende ingestudeerd, voorzeker zijn de omstandigheden verwarrend geweest, maar, mesdames, messieurs, laat mij toe iets te herstellen, iets te bewijzen, laat mij voor u spelen, alleen, voor u, als dank voor uw. Debussy, tot uw dienst. Tot wie anders zou hij zijn toevlucht nemen, stond hij niet reeds wereldwijd als zodanig bekend, als vertolker van deze? Had hij nu al dan niet de titel meegedeeld? Och toch, wie gebleven was om te luisteren zou ook de muziek herkennen, de aartsengel herkennen, dixit de essayist. Hij kende het handboek, de goede woorden erin uit het hoofd, ze kropen/klopten in zijn vingers keer op keer wanneer hij inzette met vaste hand en overgave, de toetsen, Debussy beroerde met al de hoop die in hem was: En wanneer in de finale van ‘Le Martyre de Saint-Sébastien’ de hemelse fanfares opklinken, dan is hun klank – meer nog dan in ‘Parsifal’ – de klank van de zilveren trompetten der aartsengelen. Muziek, taalgroet, majesteit van de aartsengel, stem, huid, zuiverhuid van de aartsengel. Even kwam iets van wind opzetten, lang geen mistral, neenee, een verfrissend waaien van de nacht, van de aartsengelen zeg nu maar. Een waaien, purifiërend als deze muziek die hem na was, het saluut van de sublieme Verstoorder die ook en tegelijk de sublieme Hersteller was, hoor maar, het vooruitzien (de opbouw) al in het afscheid (de afbraak) begrepen, de evolutievinger wijzend van aanvang-eeuw naar uitloop-eeuw, regelrecht, naar Boulez om zo’n naam te noemen, of Dalla, picco. Of Messiaen. Ha hij, Deb de Revolutieman, coloristisch stilistisch ritmisch, ha hij, de Paradoxist, ook al, of bestaat het niet, mag dit niet, het onmogelijke woord? We bevinden ons te midden van de (Wiener) gestrengheid maar dit is dit blijft zingen, hoor maar het kan!, het kan!, genot voor de pupillen en de papillen, oorgestreel neusgestreel, hoor: de feestkleur, bevoel: het kleurfortuin, proef: de triomf van de koninklijken, het kan, het kan, geen zintuig onberoerd. Het is waar, straks, naar het sterven toe, komen de Etudes voor de definitieve nacht, dit wil zeggen: met de Grote Afsluiting onafwendbaar in zicht ook het geheim (weer) naderbij, het verzwijgen, de stiltes, de leegte, de tekst (meer dan ooit tekst en niets dan) weer naderbij. Zelfs muziekmakers gaan dood op een dag, de cirkel beschreven. Waarachtig, was dit applaus dat opklonk, feest dat vergleed in ander feest? Hij kwam overeind en groette, een en al dankbaarheid. Merci! Merci! Misschien stond hier en daar wel iemand bovenop de bank, hard klappend in de handen. Hij keek niet, bleef buigen. Ineens wilde blijkbaar niemand meer weg. Mesdames, messieurs, pour finir en dignité. Feu d’artifice, hij had het wel degelijk geannonceerd dit keer. De wind hield aan. Het ontging hem niet hoe vlakbij een partituur als het ware opstond van de lezenaar, en daar nog een. Witte bladen, rozig in het licht van de schijnwerpers – of door de muziek, zijn muziek, getint – die opdwarrelden en af en aan dansten over het podium. De geboorte van een vogel, zo’n gedachte kwam (spélend) in hem op, flamingo’s uit het moeras, des petits flamants. Dwars door het klankdecor gleden ze, een komen en gaan, vallen en opstaan, opwieken, op vleugels meegekregen van de muziek, de wind, de muziekwind. Er viel niet aan te twijfelen, de zege was compleet. Het gejuich weerkaatste langdurig tegen de brokkelige gevel van de kathedraal, deed zowaar de wind gaan liggen, de flamants neerstrijken op de bodem van de festivalnacht. Merci, merci.

 

Toen hij de volgende dagen de kranten opensloeg werd nergens melding gemaakt van het incident. Geen woord over de stukgevallen piano, het weggelopen orkest, niets over de eerste schande, de tweede schande, de derde schande. Derhalve ook niets over zijn ondergang, de (weder)Opstanding. Het festivalconcert was glad en onder het oogsten van stormachtige bijval verlopen.