4 november 1933
Lieve Claudia Vasiljevna,
Ik heb u de afgelopen tijd twee lange brieven geschreven, maar ik heb ze niet verstuurd. De een bleek te spotachtig te zijn, de ander zo verward, dat ik er de voorkeur aan gaf een derde te schrijven, maar die twee brieven hebben gemaakt dat ik de toon niet meer treffen kan, en al elf dagen lang ben ik nu niet in staat u iets te schrijven.
Eergisteren ben ik bij Marsjak geweest en ik vertelde hem over u. Wat schitterden zijn ogen, en wat vurig sloeg zijn hart! (U ziet wat een volstrekt misplaatste en dwaze zin er weer in is geslopen. Wat een nonsens! Marsjak met vurige ogen!)
Ik ben weg van Mozart. Wat een verbazingwekkende zuiverheid! Driemaal daags boots ik die zuiverheid vijf minuten lang na op uw tsjekan. Ach, floot hij maar eens twintig minuten achter elkaar!
Bij gebrek aan een piano heb ik een citer aangeschaft. Op dat verfijnde instrument oefen ik om het hardst met mijn zuster. Bij Mozart ben ik nog niet aangeland, maar gaandeweg maak ik kennis met de muziektheorie, en ik ben geboeid geraakt door de harmonie van de getallen. Overigens ben ik al lang in getallen geïnteresseerd. Wat een getal is, daarvan weet de mensheid het allerminst af, maar om de een of andere reden wordt algemeen aangenomen dat als een bepaald fenomeen wordt uitgedrukt in getallen en daarin een zekere wetmatigheid wordt ontdekt, zodanig dat het volgende fenomeen geraden kan worden, daarmee alles begrijpelijk is. Zo heeft Helmholtz bijvoorbeeld de getalsmatige wetten in klanken en tonen gevonden en hij dacht daarmee te kunnen verklaren wat een klank is en wat een toon. Dat heeft enkel een systeem opgeleverd, het heeft klank en toon geordend, voor de mogelijkheid van vergelijken gezorgd, maar het heeft niets verklaard.
Want wij weten niet wat een getal is.
Wat is een getal? Is het een verzinsel van ons, dat alleen wanneer het wordt toegepast stoffelijk wordt? Of is een getal iets als het gras, dat wij in een bloempot gezaaid hebben en waarvan wij geloven dat wij het bedacht hebben, en dat er nergens anders gras is, behalve op onze vensterbank?
Het getal verklaart niet wat een klank en een toon zijn, maar de klank en de toon werpen een sprankje licht op de kern van het getal.
Liefste Claudia Vasiljevna, ik stuur u mijn gedicht ‘Het gras’.
Ik verlang zeer naar u en wil u graag zien. Ook al heb ik er zo lang het zwijgen toegedaan, u bent de enige persoon aan wie ik met vreugde in mijn hart denk. Was u hier, dan was ik ongetwijfeld echt verliefd, voor de tweede keer in mijn leven.
Dan. Charms
Uit: Daniil Charms, Ik zat op het dak
Vertaling: Yolanda Bloemen en Jan Paul Hinrichs