I

 

Het verlorene zal ik zoeken
in dit nevel-leven dat ik veins met zwak belichaamd zelf
in deze vermoeide natuur die ik ophef met mijn zachtste erts

 

In het hoofd (jaarringen om de koeieogen)
dat ik vrees in de donkere spiegels van mijn bankroet

 

Valsemunter, reeds bevroedend het verdwenene in de toekomst
in tijdnood redde ik het vuil dat eenzaam brandt
gaf niet op de wil een weerlicht in de nacht te
scheppen, terwijl ik op mijn arrestatie wachtte

 

II

 

Kindse boer die van de bossen en de wolven
droomde, vrijend om de zuiverheid
ondanks het nut dat ik in honderden bevlekkingen
wou telen, voltrokken aan de mannequins van mijn begeerte

 

Hun deeg dat goed was om mijn kiespijn te verzachten
hun knutselen dat ik als kunst verstond: – verloren illusies

 

te pogen het vergeefse, te betrappen het verzuimde
te horen langverstomde ruzies in het verdachte geritsel
van de telefoon (haarscheurtjes in de samenzwering
tegen mijn persoon)
in de paniek, naakt en onherstelbaar
van mijn voldongen zoon

 

III

 

Ziehier mijn zaligheid: in nooddruft het verlorene
te hervinden, te dulden het gemis van grote witte dingen
het verschuldigde uit verboden bron te voldoen
(de bloedpis van een vis, uitmiddelpuntig
zwemmend rond een eiland van ellende)
en me te verzoenen met de legende

 

dat mijn vorst zal komen op een dag

 

o wereldwijze, in solovlucht galopperend
op de valwind
van bevrijdende herinneringen