‘Als groot voorstander van training met de hartslagmeter kamp ik met het volgende probleem. Als ik met mijn partner of de loopgroep train hebben we regelmatig last van storing op elkaars hartslagmeter. Lastig! Voor degene die zijn hartslagmeter alleen gebruikt voor de bewaking van de onder- en bovengrens van zijn inspanning, is dat nog niet zo’n ramp. Die zorgt dat de afstand met zijn loopmaatje wat groter is en drukt op reset. Vervelender is het voor mensen zoals ik, die hun trainingsresultaten bij thuiskomst inlezen in de pc en gebruiken voor het bijhouden van trainingsschema’s en statistieken. Keer op keer zijn alle resultaten die ik uitlees onbruikbaar of onvolledig. Is hier iets op te bedenken? Of moet ik, om het probleem te verhelpen, al mijn trainingen in bittere eenzaamheid volbrengen?’

Het antwoord van de deskundig redacteur op deze ingezonden brief is hier niet terzake. Het gaat om het beeld van een troepje hardlopers, die stuk voor stuk een elektronisch aura hebben, opgewekt door een zendertje op hun borst. Via elektrodes in een band over de borst wordt de hartslagfrequentie opgemeten en door een zendertje omgezet in een radiosignaal. Aan de pols zit een gecomputeriseerd polshorloge dat het signaal opvangt, toont en opslaat. Zwaaiend met hun polsen bewegen de lopers soms de ontvangers door elkaars aura en meten dan ongewild elkaars hartslag. Of een hartslag, die van niemand is, behalve dan van de op hol geslagen hartslagmeters.

Het beeld is dat van een veruitwendigd, een buiten boord hangend hart. Al is is het een symbolisch hart, een symbool voor de activiteit ervan. Dat symbool is een uit elektrische pulsen bestaand getal dat wordt overgeseind van borst naar pols. Er zijn mensen die een uur met zo’n apparaat op hun lijf door een bos hollen en thuis de grafiek van hun hartslagfrequentie op de pc bewonderen. Wat vertelt dit beeld? Is dit een voorbeeld van sportverdwazing; grotesk, door de vermenging met nieuwe technologische middelen?

Iedereen die ja zegt op de bovenstaande vraag heeft blijkbaar een duidelijk omlijnd idee van wat hardlopen c.q. sport ‘eigenlijk’ is of hoort te zijn. Anders is het onmogelijk om dit beeld aan te merken als een teken van verdwazing, oftewel verdwaald raken in het verkeerde of oneigenlijke. En laat me raden, de mensen die ja zeiden vinden dat sport eigenlijk niet meer zou moeten zijn dan een viering van de verbintenis tussen mens en natuur, in de vorm van bewuste en gezonde lichaamsoefening. Sport en spel kunnen naar hun idee ook wel een ethische kant hebben. Je kweekt er idealiter doorzettingsvermogen, teamgeest, opofferingsgezindheid, zelfvertrouwen, incasseringsvermogen, zelfbeheersing en eerbied voor de geest en regels van het spel, en meer van dat soort mooie menselijke eigenschappen mee. Volgens dit klassieke negentiende-eeuwse ethos sterkt sport het karakter en is het een soort van zedelijk droogzwemmen, een training voor het echte maatschappelijke leven.

Strikt genomen zijn records, topprestaties en technologie van ondergeschikt belang; sterker, ze corrumperen de echte sport door haar uit te leveren aan een vermaakindustrie, waarvan nieuwsmedia, kledingfabrieken, makelaars, ritselaars, overheden, snoepfabrikanten en marktkooplui profiteren. Commercie, technologie en agressie verraden de humanistische idealen die schuilgaan achter dit idee van sport. Het menselijk lichaam heeft een rol te vervullen als ethisch geworden natuur.

Op de website van een bedrijf dat hartslagmeters maakt was deze aanprijzing te lezen: ‘Be a better animal’. De spijker op de kop. De gedachte dat hardlopen met een hartslagmeter onnatuurlijker zou zijn dan zonder is even absurd als de bewering dat grillen natuurlijker zou zijn dan stoven. Trainen is net als het koken van voedsel een vorm van complex menselijk gedrag. Het zijn bezigheden waarin kennis, techniek, bijgeloof en persoonlijke voorkeuren meespelen. Typisch menselijke manieren om intensiever met de natuur om te gaan dan dieren dat kunnen. Mensen die hardlopen zonder hartslagmeter natuurlijker vinden vergeten de techniek die in hun kleding, hardloopschoenen of stopwatch verborgen zit en de wetenschap die achter hun trainingsschema’s schuilt. Het is meer een kwestie van al dan niet hinderlijk in het oog springende technologie dan een kwestie van meer of minder natuurlijkheid.

Het is misschien niet zo natuurlijk om de natuur te willen begrijpen en je voordeel te doen met die kennis, maar je kunt er wel een beter dier door worden. Tenslotte verwijst de reclamekreet naar fundamentele fysiologische mechanismen, die het verbeteren van een sportieve prestatie bepalen. En die zijn hetzelfde voor mens en dier.

Ik heb jarenlang een uitgesproken afkeer van hartslagmeters gehad. Dat had met het idee van natuurlijkheid of een afkeer van technologie niets te maken. Hardlopen is een bezigheid die een sterke illusie van toegenomen vrijheid kan oproepen. Al dravend door veld en duin kan de loper zich bevrijd van zorgen, onafhankelijk en een vrij man voelen. Dat wekt, in combinatie met de inspanning, een vorm van vreugde op, die oorzaakloos lijkt en dus onderdompelend werkt. Mijn bezwaar was altijd dat hartslagmeters teveel aandacht kosten tijdens het lopen en de sfeer daardoor zouden bederven. Die heerlijke zorgeloosheid zou steeds weer doorschoten worden door informatie over mijn hartfrequentie, die natuurlijk aanleiding geeft tot interpretatie en aanpassing van het tempo, misschien zelfs wel tot zorgen! Waarom zou ik mijn plezier bederven? Een hartslagmeter, vond ik, was niets voor mij.

Toch veranderde dat en inmiddels loop ik een paar keer per week met een hartslagmeter. Het hoort nu bij het spel dat hardlopen is en verhoogt het plezier in plaats van het te bederven. Waardoor ging ik er anders over denken? Ik vermoed dat het kwam door mijn ontmoeting met medische meet en scanapparatuur. In een maand tijd ging ik op röntgenfoto’s, werden er herhaaldelijk elektrocardiogrammen gemaakt, maakte men een mri-scan van mijn hersens, een Doppler-echo van mijn hart en liep ik een dag lang met een kastje om mijn nek dat via zeven elektroden mijn hartritme registreerde. Gelukkig leverde de speurtocht helemaal niets op. Maar het maakte wel dat ik anders ging denken over het delven van informatie uit mijn lichaam.

Een neurologisch incident dat er verder niet toe doet had de medici ertoe aangezet hun apparaten van stal te halen. Er ontstond een onheilspellende sfeer; ieder moment verwachtte ik de ontdekking van iets vreselijks dat mijn hele leven op de kop zou zetten; of erger. Er kwam niets. Iets anders werd wel duidelijk met al die op niets uitlopende metingen en visualiseringen van mijn binnenwerk: dat mijn lichaam slecht te begrijpen was als een machine of een ding. Het was eerder iets als een veld waar zich een veelvoud aan onderling verbonden processen afspeelt. Een tijdruimte, die alleen kan bestaan door een veelzijdige en chaotische wisselwerking met de omgeving. Het is onder andere een ingewikkeld en verre van overzichtelijk opererend netwerk van informatiekringlopen. Hormonen, zenuwen, zintuigen, afweersysteem, ze vormen een wolk aan seinen, commando’s en gegevens. De hele energiehuishouding is een daar weer losjes mee verbonden netwerk. Aan de ene kant werd ik overspoeld door informatie uit mijn lichaam. Godzijdank geruststellend van aard. Ze wekte vertrouwen op. Aan de andere kant had die overdaad aan informatie een vervreemdend effect. Samen met twee neurologen stond ik voor de lichtbak met de mri scans van mijn hersens. Als twee doorgewinterde toeristen bewonderden ze het uitzicht. ‘Zie je, ook hier, mooie wijde aderen,’ zei de een en tikte met een potlood op een vrolijk kronkellijntje dat ergens in mijn hoofd moest zitten. In het hoofd dat zij aankeken en toelachten, in de hersens die de woorden aan elkaar regen die ik tegen ze sprak. In de weken na het technowetenschappelijk verkenningsoffensief kon ik al hardlopend onmogelijk nog denken dat ‘ik’ daar liep en mijn lichaam me droeg en gehoorzaamde. Mijn denken, mijn ik, was maar een kleine subroutine in het veld aan processen en wisselwerkingen dat mijn lichaam geworden was. Ik dacht aan een stuurman op een zeilschip midden op de oceaan. Een klein zeilschip op een oceaan waar het ging stormen. De aanblik van een hartslagmeter had, om eerlijk te zijn, altijd onheilspellende medische associaties opgewekt. Zo’n zwarte band dwars over de borst, het deed toch denken aan ziekenhuizen, hartpatiënten, angst en zorgen om dreigende infarcten. Hardlopen deed ik om vrij en buiten te zijn, om mijn lichaam te gebruiken, niet om mijn aandacht erin te laten wegzinken. Hartslagmeters spuwden informatie die ik destijds liever niet tot me wilde nemen.

Dat was veranderd. De wereld die de medische apparaten opriepen was niet griezelig. Eerder ondoorzichtig, wonderlijk; een sprookjeswereld, die barstte van de logica, maar ook van de raadsels. Dat alle metingen en scans geen enkele verklaring voor het neurologisch incident hadden kunnen vinden maakte wel duidelijk dat ook die indrukwekkende apparatuur niet alles vermocht. Ik voelde een sterk verlangen me te vereenzelvigen met alles wat die apparaten aan informatie en beelden over mijn lichaam konden geven. Ook al begreep ik die informatie niet goed en wist ik dat mijn lichaam niet zomaar te begrijpen was door wat die apparaten konden meten en waarnemen. En toch was ik dat, maakte dat wat ‘ik’ zei, deel uit van hetzelfde veld dat de medische apparaten gecodeerd en in fragmenten toonden.

Ja natuurlijk had het iets van het bezweren van angsten, maar er was ook een kinderlijk element van nieuwsgierigheid en de lust te spelen met de gegevens en beelden die de apparaten opriepen. Kortom, de magische kant die ook wetenschappelijk vervaardigde technologie heeft liet zich gelden. En de gedachte aan een hartslagmeter wekte geen afkeer meer. Ik werd nieuwsgierig naar het ding. Wat kon ik ermee te voorschijn toveren in het wonderlijke en maar deels bekende veld dat mijn hardlopende lichaam was? Hoe zou het me helpen een beter dier te worden?

Goed, je bindt een hartslagmeter om en hangt elektronisch je hart buiten boord zodat je naar de werking ervan kunt kijken op je polshorloge. Wat is het nut en eventueel de lol van het veruitwendigen en kwantificeren van je hartslagfrequentie? Trainen is berekenend gedrag dat pas op de lange termijn rendeert. Als hardloper dresseer je je verbranding en je spieren, en vooral je hartspier. Door de verschillende typen trainingen veranderen spieren en hun vermogen. Ze wennen aan inspanningen van een bepaalde intensiteit met een bepaalde duur. De hartspier ook en hij groeit van trainen, net als een biceps van het gewichtheffen. Met de leeftijd gaat de maximum hartslag naar beneden, maar alle mensen van dezelfde leeftijd hebben ongeveer dezelfde maximum hartslagfrequentie.Het verschil tussen getrainde en ongetrainde mensen zit niet in dat maximum aantal slagen per minuut, maar in de kracht en omvang van de hartspier. Oftewel, aan de cilinderinhoud van de motor. Honderdvijftig cilinderslagen van een solexmotor leveren minder vermogen dan honderdvijftig slagen van een zes liter Ferrari motor. Trainen is niets anders dan je lichaam dresseren meer vermogen op te wekken met minder inspanning. Oftewel: niet 10 kilometer per uur gaan bij een inspanning van 145 hartslagen per minuut, maar 15!

Trainen is een proces van gewenning, belasting en herstel. Fysiologisch werkt het zo dat er voor verschillende doelen (sprinten, tien kilometer, marathon) verschillende combinaties van die drie elementen ideaal uitwerken. Bij ieder van die elementen horen verschillende niveaus van intensiteit van de inspanning, dat wil zeggen, verschillende hartslagfrequenties. Iemand die traint voor de marathon zou bijvoorbeeld ongeveer zeventig procent van zijn tijd moeten lopen op een inspanningsniveau dat flink onder dat van de wedstrijd ligt. Zo traint hij het allerbelangrijkste: uithoudingsvermogen. De resterende dertig procent moet hij besteden aan intervallen en sprints om zijn beenspieren en hart niet te veel te laten wennen aan die lagere inspanningsniveaus en de snelheid die voor de wedstrijd nodig is niet te verliezen. Inspanningsniveau is gewoon een ander woord voor het aantal hartslagen per minuut.

En daarom is een hartslagmeter zo nuttig; als je het goed doet kun je je hartspier groter en sterker zien worden. Hetzelfde stuk loop je in dezelfde tijd, maar je hebt er minder hartslagen per minuut voor nodig en dat is het beste bewijs dat je vermogen of conditie is vooruitgegaan. Het is ook een bewakingsinstrument: om te zorgen dat je jezelf niet tegenwerkt door te veel bij een te hoge hartslag te trainen. En dan vertelt de hartslagmeter ook allerlei dingen over de nacht ervoor, over slaapgebrek of goede nachtrust, over alcoholgebruik, over verkoudheid. Verder is het de hartslagmeter die aantoont dat inspanning en tempo niet hetzelfde zijn: hij vertelt dat windkracht zeven bij hetzelfde tempo acht slagen per minuut extra kost en ook wat het verschil in hartslagen is tussen een droog bospad en het bospad na een paar dagen regen. Ieder viaduct en heuveltje is behalve een gevoel in borst en benen ook een reeks getallen, die een aanvullend verhaal vertellen.

Een hartslagmeter is geen prothese, het is geen vervanging of uitbreiding van een lichaamsdeel. Tenzij je het deel van het brein van de loper dat bezig is met het trainingsschema en het vermijden van blessures zo noemt. Wat is het wel? Zoiets als het kompas van een bergwandelaar, de wichelroede van een waterzoeker, de toverstaf van een goochelaar? Mijn ervaring is dat het niet zozeer de lichamelijke beleving van het hardlopen reduceert tot een medisch/technologisch objectief feit, maar omgekeerd een instrument is dat als een vergrootglas werkt op allerlei vage indrukken en vermoedens die je al lopend en trainend hebt. Een hartslagmeter werkt eerder als een instrument om een compleet beeld te maken, waarin de gewaarwording van je hardlopende lichaam, de afgelopen week, de afgelopen nacht, het na te streven trainingsdoel, het weer en het landschap in elkaar passen. De verspringende getallen in het display van de hartslagmeter toveren alle gedachten en indrukken tot een geheel, als een alles verbindende stem. Geheimzinnig is dat niet, dat komt omdat de hartslagfrequentie ook feitelijk naar het dragende en verbindende element verwijst: de inspanning. De eerste indruk is natuurlijk dat een hartslagmeter een versimpelende, technologische uitwerking op de beleving van het hardlopen heeft, door een veronderstelde reductie tot kwantificeerbare data en schema’s. Mijn ervaring is dat de omgang met instrumenten als de hartslagmeter (maar ook met fitnessapparaten) eerder appelleert aan de magische verrijking van de sportieve bezigheid.

De getoonde hartslag is dus meer dan een nuttig feit. Het heeft iets magisch om bij iedere heuvel of na ieder interval precies te kunnen zien hoe sterk ik ben, hoe snel mijn lichaam herstelt of juist aan het eind van zijn latijn raakt. Natuurlijk voel ik dat soort dingen zelf wel, maar nu heb ik een objectief teken aan mijn pols. Het werkt als een magisch, sprekend amulet.

De hartslagmeter intensiveert mijn beleving van wat ik aan het doen bent, momentaan en op de langere termijn; hij geeft letterlijk stem aan de krachten in dat chaotische, veelvoudige, oneindig veranderende veld waar ik als denkend ‘ik’ deel van uitmaakt: mijn lichaam. Er zit een grote dosis magisch denken opgeslagen in de ontmoeting van technologie en menselijk lichaam. Het is het technoanimisme van de hedendaagse sportcultuur dat daar op in speelt. Het bezielde, door Idolen en hun Beelden bezeten lichaam, dat zich in ceremonies en rituele nabootsingen spiegelt aan de Hogere Wezens; zelfs als dat puur symbolisch gebeurt in gebaren, kleding. Dat is een sportcultuur waarin nu juist een essentiële rol is weggelegd voor de media, de commercie, de technologisering. Het oude sportethos normeerde de lichamelijke inspanning langs de meetlat van een ideaal mensbeeld, waarin rationaliteit, orde, ethische aangepastheid, onthechting van nut, sociale status en geld (als men zich dat veroorloven kon) hoog werden aangeslagen. In feite was het een ontkenning van de wonderlijke, wilde en verre van ethische en beheersbare werkelijkheid van het lichaam. In de hedendaagse sportcultuur woekert een nieuw, technoanimistische beleving van het lichaam. Daarin zijn technologie, roem, erotiek, sociale status, geld, agressie niet uitgesloten of verdacht, maar juist de drijvende krachten.