Wat je ook van Max Molenaar kon zeggen: niet dat hij ooit de publiciteit had gezocht. Sinds hij met MaxMill Media uitgroeide tot een van de grote spelers op de Europese markt van gedrukte zowel als audiovisuele media had hij alle verzoeken om interviews en uitnodigingen om op te treden in talkshows consequent afgewezen. Altijd is hij een schimmige figuur gebleven, die zich zelden in het openbaar vertoonde en van wie nauwelijks foto’s in omloop waren. Zelfs toen hij afscheid nam van zijn bedrijf om zich voorgoed terug te trekken op een van zijn landgoederen in het buitenland, had hij mijn zoveelste verzoek om een interview laconiek afgewezen met de mededeling dat ‘een molenaar er geen enkele behoefte aan heeft, zelf vermalen te worden.’
Daarom was het geen geringe verrassing toen ik enkele weken geleden werd opgebeld door een van zijn intimi met de mededeling dat Max Molenaar had besloten, voor één keer zijn stilzwijgen te verbreken. Ik wist niet wat ik hoorde: sinds zijn terugtreden had niemand meer iets van hem vernomen. Naar verluidde hield hij zich uitsluitend bezig met het kweken van zeldzame orchideeën. Zijn media-imperium was intussen uiteengevallen in vier of vijf brokstukken die door concurrenten waren overgenomen en even vroeg ik me af of een interview met hem nu nog iemand zou interesseren. Was zijn tijd niet voorbij?
Toen ik doorvroeg naar de reden van zijn verrassende besluit, kreeg ik te horen dat hij waarschijnlijk niet lang meer te leven had. Hij leed aan een ongeneeslijke kwaal en wilde, bij wijze van testament, eenmaal een poging doen om ‘zijn visie op het leven’ samen te vatten. Dat voelde hij, zo werd me te verstaan gegeven, ‘als een verplichting ten opzichte van het publiek.’
Twee dagen later belde ik het opgegeven nummer. Hijzelf nam op en we maakten een afspraak. Nee, geen fotograaf. Geen sprake van.
Hij maakte geen zieke indruk toen ik hem de hand drukte. In tegendeel: hij zag er goed uit voor een man van 75. Met veerkrachtige pas leidde hij me door zijn villa naar een fraai ingericht studeervertrek. Daar wees hij me een leren fauteuil. Zelf nam hij plaats achter een groot bureau, waarop alleen een telefoon en een bureaulamp zich mochten spiegelen in de meedogenloze opgeruimdheid van een glanzend leeg bureaublad.
Ik nam het taperecordertje uit mijn tas en wilde het op het bureau plaatsen, maar hij schudde zijn hoofd, en maakte een wegwuivend gebaar.
Dat is niet nodig. Alles wat in deze kamer gezegd wordt, wordt automatisch opgenomen. Na afloop krijgt u het bandje van mij mee.
Hij boog zich over het bureau en drukte een toets in op een klein paneeltje naast de telefoon. Ik borg mijn taperecordertje op, ging zitten en begon een aanloop te nemen naar mijn eerste vraag, maar nog voor ik uitgesproken was, leunde hij achterover in zijn gerieflijke bureaustoel en onderbrak me:
U denkt toch, hoop ik, niet dat dit een interview wordt, meneer Van Hooren? Daarvoor heb ik u niet laten komen…
Geamuseerd nam hij mijn verbaasde blik op.
U heeft in de loop der jaren een paar keer een stukje aan mij gewijd – stukjes die, in tegenstelling tot de meeste andere verhalen, een tamelijk goed geïnformeerde indruk maakten. Ook al klopte niet alles. Maar ik heb me nooit geroepen gevoeld om te reageren op dingen die over mij geschreven werden, ik had belangrijker dingen te doen. Interviews geven heb ik nooit gedaan, zoals u weet, en dat zal ik ook nu niet doen. Maar omdat u oprecht geïnteresseerd lijkt in mijn handel en wandel, leek u mij de geschikte persoon om als spreekbuis te fungeren.
Lichtelijk geirriteerd zei ik dat ik mij niet als zijn ‘spreekbuis’ wenste te beschouwen, maar hij maakte een paar slaande gebaren, alsof hij mijn woorden een voor een wegsloeg.
Jaja, ik weet het…Ik ken al die journalistenpraatjes, meneer Van Hooren. Maar laat ik eerlijk zijn: wat u van mij wilt weten, interesseert me niet. En hoe de mensen over mij denken interesseert me nog minder. Ik wil iets kwijt, daar gaat het om. Dus laten we afspreken dat ik spreek, en dat u luistert. U stelt alleen vragen wanneer iets u niet duidelijk is. Akkoord?
Hij overdonderde me. Heel even overwoog ik om onmiddellijk op te stappen, maar ik realiseerde me dat het stom zou zijn, deze zeldzame gelegenheid ongebruikt te laten. Ik knikte dus en ging zitten. Hij vouwde zijn handen achter zijn hoofd en keek me een poosje zwijgend aan. Toen ging hij rechtop zitten en begon te praten.
Het is een merkwaardige business, waar ik in heb gezeten, meneer Van Hooren. Daar weet u het uwe van, mag ik aannemen. Maar wat ik weet, dat weten er geloof ik maar weinig. Ik ben een zakenman, en als je als zakenman wilt slagen, dan moet je je eigen plan trekken. Ik ben begonnen bij mijn vader als textielkoopman op de markt, maar ik had al heel snel door dat dat niks voor mij was. Daar zat te weinig dynamiek in – of ik was er te ongeduldig voor. Ik was een baasje dat aan zoveel mogelijk touwtjes tegelijk wilde trekken en zo rolde ik de politiek in. Ik richtte een lokaal partijtje op, ‘Gemeentebelangen’ of iets in die trant, en voerde een succesvolle campagne: twee jaar heb ik het uitgehouden in die gemeenteraad, en toen ik dat gelul twee jaar had aangehoord begon ik te begrijpen hoe de wereld in elkaar stak. Hoe het werkt, en vooral: hoe het niet werkt.
De beste business is de handel in illusies, meneer Van Hooren, dat heb ik in de politiek geleerd. Misschien had ik ook in de politiek carrière kunnen maken, maar ik hou niet van vergaderen. Ik ben een doener, iemand die de dingen snel en efficiënt wil regelen. In een democratisch bestel is dat onmogelijk. Vandaar dat alle doeners vanzelf in het zakenleven terecht komen: het is de enige mogelijkheid om dingen snel en goed te regelen zonder gehinderd te worden door allerlei betweters.
Ik begon een huis-aan-huisblaadje, zo’n plaatselijk advertentiekrantje dat mij goede diensten had bewezen toen ik zelf campagne voerde. Binnen vijf jaar had ik er in de omliggende plaatsen nog vier opgestart. Dat liep als een trein. Toen begon ik regionale kranten op te kopen, want ik kreeg al snel in de gaten dat nieuws ook goeie handel is. Nieuwsgierigheid is de kurk waar de advertentiemarkt op drijft, dus zorg je voor nieuws dat de mensen interesseert. En omdat je zoveel mogelijk mensen wilt bereiken, zorg je voor een zo gevarieerd mogelijk aanbod. Waar het over gaat dondert niet – als er maar een beetje opwinding gecreëerd wordt. Dat is de taak van journalisten.
Dus u heeft mij nu nodig om een beetje opwinding te creëren?
Jahaha! Ik begrijp dat u zich een beetje in de kuif gepikt voelt, meneer. En ik geef toe dat er opwindender dingen zijn dan het geklets van een zakenman in zijn nadagen, maar de krant moet vol, nietwaar? En omdat er straks toch necrologieën zullen verschijnen, zijn een paar goeie quotes nooit weg, dacht ik zo… Niet dat het er veel toe doet, overigens: mensen zijn niet geïnteresseerd in ideeën, maar in produkten, in dingen die te koop zijn.
Pardon, maar u had het net over de ‘handel in illusies’. Dat heeft toch meer met ideeën dan met produkten te maken, zou ik zeggen…
Dat lijkt maar zo, meneer Van Hooren. Dat lijkt maar zo. Uiteindelijk zijn het allemaal illusies, natuurlijk. Of je nu ideeën verkoopt of oorwarmers – het enige wat telt is wat het oplevert. Een zakenman is een goochelaar: waarmee hij goochelt doet er niet toe. Zakdoekjes, speelkaarten, duiven, dames, ideeën – maakt niet uit. Hij schept illusies, en dat is precies wat de mensen willen. Daar betalen ze graag voor.
Ik richtte MaxMill Media op, waarin zo ‘n twintig huis-aan-huisbladen, tien regionale kranten en drie landelijke kranten werden ondergebracht. Met alle waarborgen voor de redactionele vrijheid, natuurlijk. Haha! Daar maken jullie journalisten altijd zo ‘n punt van, maar het is van geen enkel belang: ik liet ze altijd graag schrijven wat ze wilden. Mij interesseerden alleen de oplagecijfers en de advertentie-inkomsten. Waarover geschreven wordt, en hoe – het zal mij worst zijn, meneer Van Hooren. Meningen en opvattingen gehoorzamen net zo goed aan de regels van de vrije markt als al het andere: wie meningen verkondigt die niemand wil horen, die prijst zichzelf uit de markt. De oplagen dalen, en daarmee ook de advertentie-inkomsten – en als zo ‘n blaadje niet meer rendeert, dan verkoop je het of je doekt het op.
Maar begrijp me niet verkeerd: het is een groot goed, die vrijheid van meningsuiting. Ik heb er fortuin mee gemaakt. En het grappige is dat de politici die zich daar zulke zorgen over maakten altijd vreselijk hun best deden om mij voor hun karretjes te spannen. Ik kreeg altijd uitnodigingen voor hun etentjes, besloten discussies, congressen, denktanks, partij-bijeenkomsten enzovoort. Alle grote partijen hengelden naar mijn gunsten. Ik ben er nooit op ingegaan. Ik hoedde me er wel voor, lid te worden van welke partij dan ook. Alleen als het nodig was, maakte ik gebruik van hun diensten, want je moet natuurlijk voorkomen dat je in de wielen gereden wordt door domme wetgeving. ‘Heren,’ zei ik dan tegen ze, ‘U bent zo beducht voor mijn invloed, maar ik heb helemaal geen invloed! Denkt u nu werkelijk dat de directeur van een Casino invloed heeft op hoe het balletje rolt op zijn roulettetafels?’
Politiek, meneer Van Hooren, is een beetje een zielig bedrijf in onze democratische markteconomieën. Het is een circus dat de illusie in stand houdt dat iedereen mag meedoen en meebeslissen, maar u weet net zo goed als ik dat dat godzijdank niet zo is. Als het werkelijk zo was, dan was onze economie allang tot een puinhoop gereduceerd en dan was er allang geen sprake meer van wat voor democratie ook. Het is een luxe die we ons kunnen veroorloven zolang de economie goed draait, en het zijn de zakenlieden die de boel draaiende houden. Zo simpel is het. De mensen winden zich vaak op over de schandelijke rijkdom van geslaagde zakenlieden, maar ze zouden er blij mee moeten zijn, want het is de basis van hun welvaart. En nog blijer zouden ze moeten zijn met onze bescheidenheid.
Daar kijkt u misschien van op, meneer Van Hooren, maar zo is het: wij zakenlieden zijn zo verstandig om ons zo weinig mogelijk te bemoeien met het spel in de zandbak van de politiek. Wij laten ze fijn spelen, en kijken toe als verstandige moeders. Alleen als daar beslissingen dreigen te worden genomen die schadelijk zijn voor de economie moeten we af en toe ingrijpen. En dan is een verstandig gesprek onder vier ogen meestal voldoende. Zaken zijn zaken – dat begrijpen onze politici gelukkig ook – en in zaken moet je reëel zijn. In zaken kun je je niet door illusies laten leiden – daar tellen alleen de cijfers. Wat niet rendeert heeft geen recht van bestaan, en wat geen recht van bestaan heeft, is gedoemd te verdwijnen. Dat geldt ook voor de democratie: zo lang ze de markt dient, dient ze de mensen en heeft ze bestaansrecht. Keert ze zich tegen de markt, dan is het afgelopen.
De mensen verkijken zich altijd op rijkdom. Maar rijkdom is niet interessant. Het gaat erom wat je ermee doet, meneer Van Hooren. Ik had MaxMill Media ook drie jaar na de oprichting al kunnen verkopen en dan had ik rustig kunnen gaan leven van mijn centen. Maar dat vond ik niet interessant. Ik wilde uitbreiden, investeren, want een bedrijf is een soort levend organisme. En wat wil zo’n organisme? Groeien, groeien en nog eens groeien! Dus ik zette commerciële radiozenders op, ik kocht belangen in tv-zenders, ik ging programma’s en films produceren – allemaal onder het motto: ‘Geef de mensen wat ze willen’. Dat is toch uiteindelijk democratie, of niet soms? En wie ben ik om te bepalen wat ze willen? Dat geeft de markt aan: daar hebben we de markt voor… Dus als ze blote meiden willen zien, krijgen ze blote meiden. Willen ze soaps, dan maken we soaps…
Ik ben vaak geportretteerd als een van de machtigste mannen van Nederland – maar daar moest ik altijd een beetje om lachen, meneer. Want wat is macht? Ik gaf de mensen alleen maar wat ze wilden! Ik heb nooit gezegd: dit is wat ik wil en zo moet het gebeuren. Welnee, ik luisterde alleen naar de markt – en de markt is wat de mensen willen… Goed: binnen mijn bedrijf was mijn wil natuurlijk wet. Maar ‘mijn wil’ – dat was toch nooit iets anders dan wat de markt wilde? Dat is het hele eieren-eten, meneer: luisteren naar de markt. Daar ben ik groot mee geworden.
Maar denkt u dat mij dat gelukt zou zijn als ik een Bekende Nederlander was geworden? Als ik gehoor had gegeven aan al die verzoeken om interviews en optredens in talkshows? Als ik mezelf in de schijnwerpers had geplaatst van mijn eigen media? Nee, meneer. Dan was ik elk moment in mijn nek gesprongen en ter verantwoording geroepen door al die mensen die hun brood verdienen in de publiciteit. Door mijn eigen werknemers dus! Stel je voor!
Zaken doen is geen publieke bezigheid. En het stomste wat je doen kunt is er politiek van maken, zoals mijn collega Berlusconi doet. Een noodsprong, maar een levensgevaarlijke noodsprong. Want hij brengt er niet alleen de politiek mee in diskrediet, maar ook het zakenleven. Daar is niemand mee gediend. Hij bevestigt alleen maar het vooroordeel dat zakenlieden schurken zijn. En dat is een gevaarlijk misverstand. Dat zaken het best en het snelst achter de schermen worden geregeld is niet omdat er iets te verbergen valt, maar omdat dat nu eenmaal het handigste is. Als iedereen zich ermee gaat bemoeien, komt er niets van de grond – dat is toch zo klaar als een klontje!
Helaas maken de mensen zich een totaal verkeerde voorstelling van macht. Macht is in deze wereld allang geen kwestie meer van personen, meneer van Hooren. Ik heb in de loop van mijn leven heel wat van die zogenaamd ‘machtige’ mensen leren kennen. Maar dat waren stuk voor stuk niet meer dan verstandige zakenlieden, zoals ik. Dat wil zeggen: mensen die de belangen van hun bedrijf dienden. En verder niks. Mensen die begrepen dat de werkelijke macht iets onpersoonlijks is. Een mechanisme – noem het voor mijn part ‘de dictatuur van de markt’. Je kunt tot op zekere hoogte leren, ervan te profiteren. Zoals een zeiler van de wind profiteert. Maar ook dat heeft zijn grenzen. Dat zal Silvio nog wel merken. En je verzetten tegen dat mechanisme is net zo zinloos als je verzetten tegen het weer… Ja, macht is net zoiets als de dynamiek van de luchtstromingen die ontstaan tussen hogedrukgebieden en lagedrukgebieden, en als macht net zoiets is als het weer, dan is publiciteit zoiets als het weerbericht. Maar de weerman maakt het weer niet, meneer van Hooren!
Publiciteit is een wonderbaarlijke handel. Het is de smeerolie van de markt. Het zet alles om in verhandelbare waar – ook dat wat zogenaamd niet te koop is. Sterker: juist dàt. Publiciteit is de industriële organisatie en exploïtatie van een van de meest gewilde artikelen in deze wereld: aandacht. Er bestaat nauwelijks een ander artikel, meneer Van Hooren, waar zoveel vraag naar is. Zoveel vraag dat het aanbod altijd te kort schiet! Hebt u daar wel eens over nagedacht? Iedereen wil aandacht – hetzij voor zichzelf of voor wat hij te bieden heeft. Maar wie heeft die aandacht in de aanbieding? Wie kan het leveren? De media. Daarom is de handel in aandacht – in publiciteit – een van de meest lucratieve die er bestaat. En bovendien de grote steunpilaar van de democratie: iedereen mag zijn zegje doen, en mag tekeer gaan zoveel hij wil en tegen wat hij maar wil.
Bijna mijn hele leven ben ik een makelaar in aandacht geweest – altijd discreet achter de schermen – en nu het erop zit, leek het mij niet meer dan billijk dat ik één keer zelf mijn zegje zou doen. Dat de mensen tenminste één keer te horen krijgen wat die Max Molenaar, die ‘geheimzinnige mediamagnaat’, nu eigenlijk bezielde. Wel, dat is simpel genoeg: na drie mislukte huwelijken die mij niks als gedonder hebben opgeleverd, en een paar kinderen die meer geïnteresseerd zijn in de erfenis dan in hun vader, zal het duidelijk zijn dat ik altijd alleen getrouwd was met mijn bedrijf, MaxMill Media.
Ik heb maar één fout gemaakt, en dat was dat ik het ooit uit handen heb gegeven. Sinds mijn opvolgers dat levenswerk hebben verkwanseld en in stukken en brokken verkocht, heb ik niks anders meer dan mijn geld, en de bittere nasmaak van een leven zonder illusies.
Dat is de grote grap, meneer: wie handelt in illusies mag er zelf geen hebben. Toch bleek ik er nog een te hebben: mijn bedrijf. En dat is naar de bliksem geholpen… Uche-uche-ach!! Mijn koninkrijk voor een illusie…!
Max Molenaar hoestte nog eens en zweeg toen. Na enkele seconden kwam hij overeind om een paar toetsen op zijn bureau in te drukken. Hij zag er opeens oud en grauw uit. Ik wist niet wat ik moest zeggen.
Nog steeds zwijgend trok hij een la open, overhandigde mij na wat gerommel het bandje en zei: Als over een maand of drie mijn overlijden bekend wordt, is dat een mooie gelegenheid om dit te publiceren, lijkt me.
‘U bedoelt dat u niet wilt dat het eerder gepubliceerd wordt?’
Dat bedoel ik.
‘Maar wat is er tegen een eerdere publicatie?’
Niets speciaals. Maar het lijkt me niet handig. Men zal zich mij pas herinneren als ik overlijd. Dan ben ik nieuws – heel even. Zo werkt het toch? Daarom doet u het precies zoals ik zeg: niet eerder en niet later.
Terwijl ik het bandje in mijn tas het glijden, kon ik het niet laten om te vragen: ‘En wat als het anders loopt?’
Hij legde een hand op mijn arm en leidde me naar de deur.
Och, meneer Van Hooren, u lijkt me een verstandig mens. U weet wat u doen moet. Ik wens u een goede reis terug. Goedenavond.