Het mooiste aan Diderots brieven aan Sophie Volland zijn zijn liefdesbetuigingen. Omdat het zulke lieve liefdesbetuigingen zijn. In augustus 1773 is Diderot in Den Haag en hij staat op het punt om te vertrekken voor zijn grote Ruslandreis, naar zijn weldoenster Catharina de Grote. Hij schrijft aan Sophie, met wie hij dan al 14 jaar een verhouding heeft: ‘Adieu melieve – Het verschil in noorderbreedte zal aan mijn gevoelens niets veranderen; in de buurt van de pool zult u me even dierbaar zijn als u was op de meridiaan van Cassini [= op de breedte van Parijs]’. Zijn behoefte om haar steeds weer te verzekeren van zijn liefde voor haar is ontwapenend en overtuigend. Even ontwapenend zijn zijn oprechtheid, zijn wens om haar te laten delen in zijn leven en in wat hij zoal meemaakt en zijn totale onopgesmuktheid. Diderot komt uit deze brieven te voorschijn als een man die zich nooit aanstelt – misschien deed hij het wel eens, maar hier niet. Zijn geest lijkt daar ook te levendig voor, er is altijd zoveel te vertellen, zoveel om zich voor te interesseren: ‘ik dacht dat ik nooit van mijn leven meer over de Chinezen zou beginnen, maar het is weer zover’ en dan volgen een paar bladzijden met opmerkelijke staaltjes van Chinese deugdzaamheid en eigenaardigheid. Hij gaat uitvoerig in op een keizer die meende dat het niet goed is het hoofd boven de handen te stellen, want als de denkers in al te hoog aanzien staan dan komen er steeds meer leeglopers en nietsnutten die zich denkers noemen ‘en hij vond ook dat voortbrengselen van de geest kil en doods zijn wanneer het genie niet op de passies teert’. Als hij dat allemaal uiteen heeft gezet, in een brief die hij zelf terecht ‘weer een kleine roman’ noemt, schrijft hij tevreden: ‘Mooie gespreksstof, niet? U zou waanzinnig veel van me moeten houden.’

De schat!

Zoiets denkt men niet vaak, de brieven lezend van iemand die al meer dan twee eeuwen dood is, maar bij Diderot laat die gedachte zich eenvoudig weg niet onderdrukken. Wat een leuke geest, wat een grappig mengsel van ernst en brutaliteit, van hartstocht en deugdzaamheid, wat een vrijheid van denken. En wat een liefde voor zijn Sophie, die niet eens Sophie heette, zo licht het voortreffelijke nawoord ons in, dat vertaalster Anneke Brassinga bij deze brieven schreef. Zij schrijft: ‘Geest, intellect en cultuur; wie deze dingen in een vrouw bewonderde en liefhad noemde haar Sophie.’ Dat is dan weer erg achttiende-eeuws.

Wie Sophie Volland was, daarover is erg weinig bekend. Ze heeft een Kenau van een moeder die haar ongetrouwde dochter van boven de veertig voortdurend naar plaatsen commandeert waar zij niet wil zijn en haar verbiedt om te doen wat ze graag zou willen doen: naar Parijs gaan om bij haar getrouwde filosoof te zijn. Zo zit Sophie steeds een maand of zes per jaar op het buiten van de familie Volland en schrijft Diderot haar brieven vol verlangen, tederheid en dagelijkse nieuwtjes. Dus in zekere zin mogen we Madame Volland wel dankbaar zijn, had ze haar dochter wat meer vrijheid gegund dan hadden deze weergaloze brieven niet bestaan. Maar het is wel merkwaardig om in Diderots brieven de meest stoutmoedige praatjes en ongegeneerde verhalen te lezen en dan te bedenken dat hij die richtte aan een vrouw die op haar 45ste uit naam van een of andere deugdzaamheid door haar moeder op een landgoed werd gehouden waar ze uit naam van diezelfde deugdzaamheid, en uit plichtsgevoel en verschuldigde eerbied van een dochter tegenover haar moeder, niet vandaan ging. En nooit zegt Diderot ooit dat Sophie haar moeder ongehoorzaam moet zijn – hij verwenst de moeder, hij moppert, hij wanhoopt, maar ingaan tegen de moederlijke wensen is blijkbaar geen mogelijkheid.

Zodoende schrijft Diderot, die nogal veel van zijn tijd doorbracht op het landgoed Grandval van de baron d’Holbach, aan zijn gehoorzame geliefde alles, of zoveel mogelijk, van wat er daar in die libertijnse kringen gedaan en gezegd wordt. Zouden er ooit vrijer denkende mensen bestaan hebben, of is het Diderot, die Brassinga ‘de allesdenker’ noemt, die zo’n klimaat doet ontstaan, of zelfs misschien in zijn brieven schept? In zijn vriendenkring lijkt men voor geen vraag terug te deinzen, wat bijzonder is in een eeuw waarin de jezuïeten erg machtig waren, de censuur nog vanzelfsprekend bloeide, en men in de gevangenis kon komen voor onbehoorlijke gedachten en geschriften, zoals Diderot korte tijd aan den lijve moest ondervinden. Toch zeggen ze daar op Grandval alles wat in hun gedachten opkomt. Of het zinvol is om van het bestaan van God uit te gaan, werpt bijvoorbeeld iemand op, omdat dat alles alleen maar ingewikkelder maakt. ‘Een ander zei dat een hypothese die alle verschijnselen kan verklaren, daarmee nog niet waar hoeft te zijn; want wie zegt dat de orde der dingen als geheel maar één oorzaak heeft? Dus wat te denken van een hypothese die bij lange na niet het probleem oplost waartoe hij was uitgedacht, maar nog talloos veel meer problemen oproept?’ Dergelijke overwegingen moeten in die tijd regelrecht explosief zijn geweest – en dus zijn de gespreksgenoten erg vrij, want het is altijd moeilijker om te denken wat niet gedacht mag worden dan de gedachten te laten gaan daar waar niemand ze een strobreed in de weg legt. En Diderot schrijft het ook nog eens allemaal op en stuurt het aan zijn Sophie: ‘Ik denk, melieve, dat ons gebabbel bij het haardvuur u nog steeds amuseert, dus ik ga door.’ De aanwezigen filosoferen over het genie en de methode, over de kleinste deeltjes waaruit alles wellicht bestaat (‘O lieve Sophie, – als er in onze elementen een wet van affiniteit werkzaam zou zijn – stelt u zich dat voor, hoe de moleculen van uw tot stof vergane minnaar in beweging zouden komen, op zoek zouden gaan naar de uwe, die door de hele natuur verstrooid zijn!’), over de Chinezen en de Arabieren, over de betrekkelijkheid van deugdzaamheid en gewoontes. Ze roddelen er ook op los en vertellen idiote anekdotes en soms raken ze helemaal door het dolle, zoals de avond waarop Madame d’Aine, de schoonmoeder van de Baron d’Holbach, de abbé berijdt. Ze ziet hem voorover geleund bij een tafel staan, pakt een stoel en springt op zijn rug, waar ze hem de sporen begint te geven terwijl hij hinnikt en steigert. Hun kleren kruipen op, ze krijgen de slappe lach, zo erg dat Madame d’Aine het niet meer houdt en de abbé toeroept stil te blijven staan. ‘En de abbé die niet wist wat hem boven het hoofd hing bleef staan en kreeg een stortvloed van warm water over zich heen, langs zijn broekriem liep het in zijn schoenen, en hij begon op zijn beurt te brullen: “Help, help, ik verdrink.” En wij vielen allemaal op de divans neer, stikkend van het lachen.’ Diderot vertelt nog wat meer bijzonderheden en vraagt dan aan Sophie en haar zuster: ‘Hoe vindt u zo’n verhaal, u stadse dames? Wij grofbesnaarde lieden van Grandval kunnen ons met zoiets wel een dag of wat amuseren.’ Het is niet al filosofie wat de klok slaat.

Diderot lijkt geen enkele selectie te maken in de onderwerpen die hij aan Sophie voorlegt, van moeilijke problemen, morele kwesties, filosofieën en theorieën tot dit soort amusante flauwekul. ‘Wanneer ik u schrijf, praat ik alsof ik naast u zat – Achter elkaar door, pêle-mêle, onvoorbedacht, vertel ik u alles wat er voorvalt in de ruimte die mijn leven is, van binnen en van buiten.’

Dat lijkt volkomen waar. Diderot schrijft zonder terughoudendheid over alles wat hem treft. Hij leeft enorm met zijn vrienden mee en is ernstig bedrukt als er met hen iets niet in orde is, of als ze zich niet gedragen zoals zou moeten. Op een gegeven moment, in de zomer van 1762, ontstaat er onenigheid in de Grandval-kring. Madame d’Epinay, de vriendin van Diderots beste vriend Friedrich Melchior Grimm, is jaloers omdat ze meent dat Grimm te veel aandacht besteedt aan barones D’Holbach, en iedereen begint elkaar te bestoken met vreemde brieven, er duiken steeds meer kandidaat-minnaars van ongeveer elke vrouw op en na een tijdje is iedereen beledigd. De baron en zijn vrouw willen Madame d’Epinay niet meer ontvangen en niemand vertrouwt meer iemand, waardoor de losse en hartelijke omgang die er in de vriendenkring heerste helemaal verdwijnt. ‘Aan alles wordt zwaar getild, want de onschuld is eraf. Ik zie dat alles aan en verveel me dood,’ schrijft Diderot. Hij wordt er diep ongelukkig van, hij probeert iedereen even hoog te achten als hij deed maar slaagt daar niet in, en hij vreest dat deze verwikkelingen in de buitenwereld, waar de filosofen toch nogal eens het mikpunt van spot zijn, bekend zullen worden en opgeblazen. Hij schaamt zich, zo te lezen, voor zijn vrienden, al wil hij dat nu ook weer niet zo hard zeggen. ‘Het laat me geen rust, ik krijg er vapeurs van.’ Zijn groeiende ontgoocheling is te lezen aan zijn beschrijvingen.

Aanvankelijk had hij nog wel plezier in de hele zaak en beschrijft hij met smaak het mislukte aanzoek dat Le Roy, een man die vroeger door hem met de grootste achting beschreven werd, aan de barones doet. ‘Een afwijzing in de liefde brengt altijd geveinsde of echte droefenis met zich mee, gekwetste trots, woede, weeklachten, verdwijning, terugkeer, verwijten, gepruil, zoete en bittere woorden door elkaar heen, en nog talloze blijken meer van vurige passie, waar Le Roy een meester in is, en die hij, te goeder of te kwader trouw, maar zo levensecht als hij kon, vertolkte, want hij is een fatsoenlijke kerel.’ Over dat laatste gaat Diderot in de loop van de brieven anders denken, maar deze beschrijving getuigt nog van vrolijk cynisme, waarbij het fatsoenlijk is om het toneelstuk van de ontroostbare minnaar op te voeren, en minder fatsoenlijk om dat niet, of niet goed, te doen.

Dat fatsoen is iets wat Diderot hoog zit. Met ‘fatsoen’ bedoelt hij veel, en alles wat hij ermee bedoelt, valt onder het woord ‘deugdzaamheid’. Het zijn begrippen die ook in zijn romans belangrijke rollen te vervullen hebben – zoiets deugdzaams als zijn non zie je niet vaak, en ook de neef van Rameau wordt voortdurend op het belang van de deugd gewezen. Diderot bedoelt daar niets kwezeligs mee, aan de voorschriften van de kerk heeft hij maling, en aan die van het brave gemiddelde fatsoen ook, daarvan getuigen al zijn uitspraken en verhalen. Hij schrijft aan Sophie: ‘Onder deugd versta ik, zoals u begrijpt, glorie, liefde, patriottisme, kortom alles wat de groten, de edelmoedigen drijft.’ Zo ziet hij er niets verkeerds in om getrouwd te zijn en een minnares te hebben, maar wel om die minnares te bedriegen. Jaloers zijn is niet verkeerd, maar anderen ermee lastig vallen wel. Een aanzoek doen aan de vrouw van een vriend is laag, maar het geval van de jonge vrouw die bewust ongehuwd moeder wil worden, legt hij heel serieus aan Sophie voor, zonder het minste blijk van afkeuring, integendeel, hij doet zijn best de jonge vrouw, die een kind wil van een man van wie ze niet houdt, zo deugdzaam en verstandig mogelijk af te schilderen. Het is verbluffend dat over zo’n affaire zó geschreven en gedacht kon worden, zonder het geringste hoofdschudden over of dit wel behoorlijk is. Die jonge vrouw moet ook niet voor de poes geweest zijn. En Sophie dus ook niet, nooit heeft Diderot de geringste aarzeling of zij wel in staat zal zijn om haar oordeel te geven met voorbijzien aan de heersende moraal. Mademoiselle Volland moet een grote geest zijn geweest. Eeuwig jammer dat haar brieven niet meer bestaan.

Een enkele keer lijkt Diderot wèl eens iets achter te houden, of geen zin te hebben om zijn deugd-begrip heel streng toe te passen. Tijdens de al genoemde moeilijkheden in de vriendenkring, bereikt hem het bericht dat Grimm blind wordt. Diderot, iemand die wist wat het is om bevriend te zijn, is hevig aangeslagen. Hij schrijft Grimm een brief ‘zo heftig, zo teder, zo gevoelvol als u soms uw vriend in geschrifte hebt gekend, als hij u tot tranen toe ontroerde’. Bij een ontmoeting met Grimm vallen de twee elkaar in de armen – ‘ik heb zijn ogen gekust, word niet jaloers – die mooie ogen waarin ik vroeger de hemel zag, en wier licht nu zal verduisteren.’ Een paar brieven later is er sprake van dat Grimm helemaal niet blind wordt, dat hij dat alleen maar om verschillende redenen heeft verzonnen. Dat is nogal schokkend, maar Diderot weigert zich te veel in deze zaak te verdiepen, waardoor het ook onduidelijk blijft hoe het nu precies zit. Hij wil geloven dat Grimm belasterd wordt en lijkt zichzelf te moeten overtuigen als hij schrijft: ‘Over Grimm zwijg ik; alleen wil ik u zeggen dat ik hem niet tot valsheid in staat acht. Als u in het voorgaande iets bespeurt dat wel in die richting wijst neem ik dat terug. In zijn rechtschapenheid heb ik evenveel of weinig vertrouwen als in die van mezelf. Wat zou ik verbijsterd zijn, wat een kreet zou ik slaken, als bleek dat hij, mijn idool, etc. Maar neen, dat gebeurt niet.’ Hmm. Het is een verdediging geboren uit de wens dat er niets aan de hand is, niet eentje die met behulp van feiten of redeneringen duidelijk maakt dat er niets aan de hand is. Eigenaardig genoeg lezen we in een brief van tien dagen later toch weer dat Grimm blind wordt. Uit die brief valt ook op te maken dat Sophie Volland er niet geheel zeker van was dat alles echt wel klopte, want Diderot schrijft haar: ‘Grimm verliest het licht in de ogen. Beloof me, bij het licht in de uwe, geen kwade woorden meer te zeggen over mijn boezemvriend!’ Niet Grimms gedrag, maar zijn lot lijkt hier de doorslaggevende factor te zijn. En dat hij eenvoudigweg niet mág tegenvallen, want dan wankelt Diderots wereld. Wat Diderot ook durfde denken, niet dat zijn beste vriend minder oprecht en braaf was dan hij hem zag. Het maakt hem innemend, en het laat zien hoe hij voortdurend heen en weer geslingerd wordt door zijn hartstochtelijke natuur en zijn filosofische afstandelijkheid. Diderot moest misschien ook wel zo’n hoog deugd-ideaal hebben om zichzelf in de juiste banen te kunnen leiden. Sophie lijkt trouwens voor hem ook een belichaming van die onwankelbare deugd. Dat neemt hij niet steeds even ernstig, maar hij lijkt haar wel te gebruiken als een soort spiegel, een oog waardoor hij gezien en geoordeeld wil worden – en bemind. Zoals hij haar bemint, het blijkt steeds weer, uit zinnetjes als deze: ‘U slaapt nu, nietwaar. U denkt er niet aan dat er zestig mijl bij u vandaan een man die van u houdt met u zit te praten.’ Met Sophies vermaningen drijft hij een beetje de spot, al heeft hij er haar wel om lief. Zelf schrijft hij haar trouwens ook de hele tijd dat ze voorzichtig moet zijn met haar gezondheid, niet te lang moet reizen, geen enkele kwaal tegenover hem moet verzwijgen. En hij laat zich graag vermanen, hij schrijft eens: ‘Drukt u me nog eens op het hart dat ik matig moet zijn. Ik eet me steeds maar een indigestie.’

Over gezondheidsopvattingen, en vooral over het gehannes van de medische stand, krijgt men trouwens ook de angstaanjagendste ideeën. Diderot is hevig in ziekteverschijnselen geïnteresseerd, is er iemand ziek dan beschrijft hij uitvoerig de rochels en hoe dik of dun of gevaarlijk die zijn, de ontlasting, hoe vaak, hoe veel, van welke kwaliteit, alle pijnen, etters, zweren en ‘kwade sappen’ worden met aandacht genoteerd, alsof hij er de patient mee kon genezen. Want wat in zekere zin zo moet zijn geweest, als Sophies teer beminde zuster Madame le Gendre ziek is, schrijft Diderot een brief met de verschijnselen aan de dokter die op grond daarvan een medicijn voorschrijft… Sowieso gebeuren er bij die genezing de vreemdste dingen, het arme doodzieke mens dat hevige koorts heeft, afschuwelijke pijn in haar ingewanden, vreselijk hoest en geregeld in een soort bewusteloosheid wegzakt, krijgt een enorme trekpleister op haar arm die een grote wond veroorzaakt waardoor de kwade sappen moeten worden afgevoerd. Diderot gaat bij de beschrijving van de zieke over in het verpleegstersmeervoud en schrijft verrukt: ‘Sinds gisteravond hebben we op onze arm een pracht van een grote, pijnlijke kwetsuur die witachtig, stroperig vocht afscheidt, geheel naar wens en in zulke hoeveelheden dat kompressen en linnengoed doordrenkt raken.’ Hij lijkt het verzorgen heerlijk te vinden en is niet weg te slaan bij het bed van de zieke, op wie hij vroeger nogal eens jaloers was omdat er zo’n grote intimiteit heerste tussen haar en Sophie. Hij verdacht de zusters zelfs van seksuele tederheden en laat grommerige geluiden horen over hun verbondenheid. Tijdens de ziekte van Madame le Gendre speelt dat allemaal geen rol meer, integendeel bijna, de enige keer dat Diderot echt kwaad op Sophie is, is in deze tijd. Hij verwijt haar dat ze niet komt (ze zit met haar moeder op het landgoed) en dat ze de ziekte van haar zuster niet ernstig genoeg neemt. ‘Vat u soms alles wat ik over de ziekte van uw zuster schreef op als scherts?’ In deze periode, het is 1766, lijkt Diderot helemaal één te worden met de familie Volland, hij spreekt consequent over ‘onze zuster’ als hij het over één van Sophies twee zusters heeft, en niet zo lang na de ziekte van madame le Gendre lijkt hij zelfs verzoend met mama Volland, een vrouw die hij jarenlang voornamelijk als een wispelturig lastpak heeft beschouwd. De hele omgang met Sophie wordt trouwens steeds familialer. Weliswaar blijft hij haar zijn liefde betuigen – gelukkig maar, want hij kan dat zo overtuigend – maar zijn brieven aan haar veranderen geleidelijk meer in die van een tedere vriend dan van een hartstochtelijk minnaar. De latere brieven zijn steeds aan Sophie en haar zuster gericht (de andere zuster, die hij doodleuk ‘mijn aanbedene’ noemt, met wie Sophie na de dood van Madame le Gendre en haar moeder is gaan samenwonen) en spreken vaker van gezellig keuvelen bij het haardvuur dan van hartstocht en afzondering. Ach, zo moet het ook gaan, en Diderot is er niets minder beminnelijk om, integendeel eigenlijk. Hartstocht brengt bijna altijd brieven voort, maar brieven uit vriendschap en echte liefde zijn zeldzamer. In de laatste brief, geschreven in Den Haag na de terugkeer uit Rusland, september 1774, schrijft hij onverminderd gretig: ‘Ik moet u allen dringend weerzien’ en hij schetst er een beeld in van zijn laatste tien jaar – alsof hij wist dat het er tien zouden zijn. Rust is daarin het sleutelwoord. Wat niet wil zeggen dat de filosoof geheel uitgeblust is geraakt, hij zit nog steeds vol vrolijke zelfspot waar hij schrijft: ‘Ik dacht dat de vezels van het hart zich zouden verharden met de jaren. Geen sprake van. Ik vraag me zelfs af of ik niet ontvankelijker ben geworden. Alles raakt me, alles roert me; ik word de huilerigste oude kerel die u ooit gezien hebt.’ Ze zullen het heus nog wel naar hun zin gehad hebben daar aan dat haardvuur in Parijs, Sophie, haar zuster en de oude filosoof. ‘Adie, lieve vriendinnen. Adieu. Spoedig daag ik weer aan uw einder, om nooit meer te verdwijnen.’

Het is een beetje mal om te zeggen dat Diderot ook aan onze einder etc. en nooit meer verdwenen. Maar in zekere zin is het wel zo. Wie deze brieven leest, verlangt er als vanzelf naar een man als Diderot waard te zijn, een Sophie te zijn, een Grimm, iemand die onbevooroordeeld en met echte denkinspanning naar de wereld kijkt. En die daarbij ook nog eens zoveel humor en tederheid zou weten op te brengen, of het alleen maar zou verdienen om die te ontvangen. Dat zou al heel wat zijn. Het blijft een zegen, dat Diderot geleefd heeft. En geschreven. Vooral aan Sophie.