Een voorstelling van verlies

 

Ze maakte me vroeg wakker,

achter haar hakken de koffer als een bruin hondje.

 

Ik richtte me op en keek uit het raam

naar de sneeuw die op de eikenbomen viel.

 

In haar hand een ticket.

 

Toen bracht ze iets zwarts naar haar mond,

een pruim dacht ik, maar het was een astma-inhaler.

 

Ik greep onder het bed naar mijn mentholsigaretten,

ze vroeg of ik wel eens aan kanker dacht.

 

Jawel, zei ik, maar altijd als een boom die nog lang niet in zicht is

ver weg waar het er niet toe doet.

 

En ik veronderstel dat een dode ziel moet terugblikken op die boom,

zo lang de kar getrokken dat het er ook niet toe doet

 

behalve als herinnering aan rust of water.

 

Maar om daar iets van te geloven, dacht ik,

moet je er wel vanuit gaan

 

dat ze me wakker heeft gemaakt.

 

 

Het onnavolgbare vervolg

 

Halverwege de Wilgenstraat

staat een geel bord: Langzaam Rijden Doof Kind,

met het silhouet van een rennende jongen

 

op het verbogen en gedeukte vlak.

Alleen al de paal, zwart geroest,

zegt genoeg.

 

Het kind moet zijn opgegroeid

en heeft de buurt jaren geleden verlaten.

 

En nu is er dit bord.

 

Je kunt je voorstellen hoe zijn ouders naar

het kantoor van de betreffende ambtenaar zijn gegaan.

 

Het papierwerk vreemd en complex,

kwijnend in postbakjes,

zwervend door raadsvergaderingen.

 

Op een ochtend ziet de jongen twee gemeentewerkers

uit een terreinwagen stappen en het felgekleurde bord

planten in de strook gras tussen stoep en straat.

 

Hij ziet het door het raam en weet wat het is,

ziet hoe het de wereld om zich heen verzamelt

als een berg in de Bijbel.

 

Auto’s merken het op, bestuurders speuren links en rechts

in de hoop een glimp van de spelende dove jongen op te vangen.

 

Sommigen stellen zich voor dat ze hem raken, ze minderen nog meer vaart.

Spelen de scène in gedachten, wat ze zouden zeggen,

hoe hun levens zouden veranderen.

 

En de jaren gaan voorbij, zelfs voor het dove jongetje.

 

Hij trouwt, krijgt kinderen.

Misschien verhuist hij naar een dorp in New England

met keimuurtjes en kaarsenmakers.

 

Je kunt je voorstellen hoe hij terugkeert naar zijn oude buurt.

Hoe hij op een herfstmiddag het stille centrum van dit alles binnenrijdt,

zachtjes remmend voor dit oude verkeersbord.

 

Dat zou hij doen, terugkomen.

Alsof het twee keer geschreven was.

 

 

Sneeuw

 

Toen ik met mijn broertje Seth door een veld liep

 

wees ik hem waar kinderen in de sneeuw engelen hadden getekend.

Om de een of andere reden vertelde ik hem dat een groep engelen

was neergeschoten en dat ze smolten toen ze de grond raakten.

 

Wie heeft ze neergeschoten vroeg hij en ik zei een boer.

 

Later stonden we op het dak van het meer.

Het ijs leek op een foto van water.

 

Waarom vroeg hij. Waarom schoot hij ze neer.

 

Ik wist niet waar dit heen moest gaan.

 

Ze bevonden zich op zijn terrein, zei ik.

 

Als het sneeuwt lijkt het buiten een kamer.

 

Vandaag zeiden mijn buurman en ik hallo tegen elkaar.

Onze stemmen bleven samen hangen in de nieuwe akoestiek.

Een kamer waarvan de opgeblazen muren naar beneden dwarrelden.

 

We gingen door met sneeuwruimen, werkten zwijgend zij aan zij.

 

Maar waarom bevonden ze zich op zijn terrein, vroeg hij.

 

 

New York, New York

 

Er wordt een tweede New York gebouwd,

iets ten westen van de oude stad.

Waarom nog één, niemand die het vraagt,

bouw het maar, en dat doen ze.

 

De stad is nu nog afgesloten,

maar niet voor de werklui

die menen dat het een perfect spiegelbeeld is.

 

Iedere man werkt gewetensvol aan de replica

van zijn eigen appartement,

voegt nieuwe accenten toe

zoals luchtverfrissers, rotstuintjes,

en deurknoppen met fameuze hotelinsignes.

 

Hier en daar wat verbeteringen, stiekem uitgevoerd

en niet genoteerd. Geen van de opzichters

merkt het of maakt zich er druk over. Iedereen is goedgehumeurd,

vol grappen, wandelend door de stille straten,

door die ene toegelaten journalist omschreven als

 

“onbezoedeld door het gecompliceerde verleden van de oude stad,

ademt het de melancholieke geur van de beginjaren op aarde.”

 

De mannen beginnen van de vredige stad te houden.

Het wordt moeilijker om ‘s avonds naar huis te gaan,

 

wat de vrouwen zorgen baart.

De kippensoep is koud, de zon alweer onder.

 

De mannen rekken hun pauzes op de brandtrappen,

wuiven in de stille ruimtes naar andere werklui

die op hun topposities mediteren.

 

Tot op een dag…

 

De lucht wordt gevuld met dreigende wolken.

Koppelriemen kletteren in de opkomende wind.

 

Er is iets mis.

 

Een voorman staat in een brede straat,

richt zijn kijker op een massieve grijze vlek

die ons nadert vanuit de oostelijke hemel.

 

Verschillende stemmen, Wat, Wat is het?

 

Duiven, schreeuwt hij over de wind.