Aardschijnsel 1

‘Fuck you, fuck you,’ herhaalde hij terwijl hij over de zandweg reed
Tamarisktakken schuurden langs de zijkant van het busje;

wat schuurt in de geest terwijl die zich openspert in het duister;

‘Jodido,’ schrok hij en het wit van zijn ogen draaide tevoorschijn;

‘Wat uit het duister komt, sla ik met duister’;

wie hoort er een nachtbloeiende cactus
een witte bloesem ontvouwen bij de vensterbank?

geknisper van vlammen in de open haard;

het klotsen van golven tegen de rotsen
terwijl een reuzenmanta zwenkt en zich voedt met plankton;

de ‘oh’ toen zijn blik op de overlijdensberichten viel;

de ‘oh’ toen zij het gevlekte rijstpapier openvouwde en een handgezet
gedicht vond;

sprint naar goud van een lucifer als hij de witte waskaarsen aansteekt;

zij laat haar haar tussen zijn tenen doorglijden;
hij wrijft over haar tepels met zijn handpalmen;

‘Wat uit het licht komt, sla ik met licht’;

zijn enkels kraakten terwijl hij op zijn tenen naar de badkamer liep;

wakker worden van een kat die in het donker op een muis zit te kauwen

 

 

Aardschijnsel 2

Lopend over een pad in het arboretum van de Monoa Valley
gebaart hij mij te stoppen terwijl hij probeert
te onderscheiden of er zojuist een roodoorbuulbuul of
een roodbuikbuulbuul op een tak is neergestreken.
Ik ontdek een macadamianoot op de grond, kijk
omhoog in een boom ernaast en schrik van
twee enorme nangkavruchten die aan de stam hangen.
Een inzicht verschijnt nooit zoals een varenblad zich
in de nevel ontvouwt, het verschijnt terwijl ik over een wortel struikel,
een mug op mijn arm plet. Wij gaan verder maar stoppen
voor vliegjes die in een wolk opstijgen als we in een hoop
rozenappels trappen die op de grond liggen te rotten
Ook al lopen we een doodlopend pad af naar waar water
van een steile rotswand stroomt, de geest stopt hier:
hier laten de vliegenzwammen een wolk sporen los
in de koele augustuslucht; hier werpen geliefden
aardschijnsel op een wassende halve maan; hier
gaat de telefoon over en hoor ik van een zelfmoord,
een speldegat groeit uit tot een eclips; hier
druppelt water terwijl ik afdaal in een hellende zwarte lava tunnel.

 

 

Aardschijnsel 3

Zeg tanden;
zeg knarste met zijn tanden in zijn slaap;
zeg iedere lente schraapte hij afbladderende blauwe verf van de vensterbank;
zeg de oceaan flikkert;
zeg een kronkelige krijtstreep piepend over het schoolbord opent een zwarte kloof;
zeg op een woonboot stijgt in de houtkachel gele cederrook op;
zeg branden;
zeg verfrommelde witte vellen rimpelen en schieten dan uit in gele vlammetjes;
zeg parallelle lijnen raken elkaar in het oneindige;
zeg afbladderen;
zeg stoplicht gepiep ga groen lach;
zeg gepiep, scheur, knal, dreun, lichaam schuurt, bloedt tot op het bot;
zeg hyena;
zeg rode lynx volledig gevild;
zeg een zwarte krekel tjirpt in een hoek van de kamer;
zeg hangen;
zeg ossenschouder hangt aan een haak;
zeg rozen snoeiend sneed zij haar linkerpols door;
zeg stront-streep haar-zwaai blad-goud vocht;
zeg barsten;
zeg een wijnglas breken in een wit servet brengt een scherf oerlicht terug;
zeg ei-wit oogbal plons;
zeg spoelen;
zeg naar de aarde buigen, een enkele stengel vinden van ontluikend goud.

 

 

Aardschijnsel 4

Hij hing zich in het bosque op aan zijn riem
is niet langer een zweep die de huid schroeit en scheurt.
‘Ezelpis’ knalde hij eens – maar wie
weet hoe het licht siste en een gat brandde
dat knaagde en knaagde zodat hoe meer hij
spartelde hoe meer hij vastdraaide in een pikzwarte put?
Oranje daglelies bloeien langs de oprit;
langstelige delphiniums buigen naar de grond.
Vuurwerk ontploft witgoud en barst open
in een groen geflonker. Hij laat tandafdrukken
achter in haar nek; zij kreunt en toont het wit
van haar ogen. Als een auto voorbijraast op een natte weg
hoort hij een werkman zand tegen een zeefscherm gooien
en beseft ineens dat hijzelf drieëntwintig jaar geleden
zand tegen een zeefscherm gooide. Nu terwijl hij
de pezen streelt van haar linkerpols zucht zij.
Zij zijn nu nergens overal niet zoiets;
zij zijn geen terug kijk tijd maar volle maan eerste licht.

 

 

Aardschijnsel 5

Ze zei dat hij in zijn slaap ‘maan’ zei;

als hij door de dikbuikige telescoop keek
deed het licht van de volle maan hem huiveren

hij moest in het duister turen
en kon dan van de Mare Cognitum tot aan de Mare Serenitatis kijken;

het doet bijna zeer aan je geest om op zo’n afstand zo scherp te zien;

toen zij de blaffende hond hoorde
scheen zij met een zaklantaarn en ontdekte op het dak een stekelvarken;

zoals je een hert zou vangen in een lichtkegel;

bij de keuken glijdt een slang onder de roodhouten veranda;

hij kust haar schouders
masseert haar voetzolen;

zulke scherven brengt de geest op één lijn;

zeg libel, kwarts, lisdodde, stemvork, golf;
zeg aardster die in alpiene lucht openbarst
zeg c²

zeg ook de heilige gerstedrank schift als hij niet geroerd wordt,
en zie hoe je, geroerd, rust kunt vinden

 

 

Aardschijnsel 6

Muntthee drinkend in de wegebbende hitte van de dag,
herinner ik me hoe we op een wasbeer stuitten
bekneld tussen platen die tegen een hek leunden,
donderkopjes wriemelend aan de rand van een meertje.
Op de tafel in de woonkamer staan zesendertig pioenen
in een vaas te drogen die als je ze aanraakt zo licht
als crêpepapier blijken. Gisteren gaf je blauwe chamisa water
langs de weg, terwijl ik het woestijngras onder de wilg
water gaf. Ik herinner me dat ik een bruine, vochtige
doos opende en verbouwereerd een handvol morilles
oppakte, het donkere aroma van aarde opsnuivend.
Wat anders is het dat we elkaar geven – goud, haareivin –
dan een vernieuwd gevoel voor het wonderlijke?
Nanao volgde een bliepje op het radarscherm; later
toen hij de flits zag dacht hij dat de vulkaan Fuji
in een explosie van licht uitbarstte. Muntthee drinkend
op de langste dag van het jaar dringt tot me door hoe
de balans van een leven schommelt en door een blaadje kan omslaan.

 

 

Aardschijnsel 7

Een kalme avond met de maan in het eerste kwartier;
talloze kraters langs de terminator zijn vlijmscherp;

Ik kijk naar de spookachtig blauwige gloed van aardschijnsel
en voel dat de maan geen permanente schaduwzijde heeft.

Een paard hinnikt bij het hek van prikkeldraad;
vanaf de veranda dragen we, sjokkend door een nat veld,

in een mand een bijennest, plaatsen het in een oksel
van een zilverpopulier. Zullen ze tot leven komen in de lente?

Ik zie doorns op de kale takken van Russische olijfbomen;
jij ontdekt coyotedrollen voor de v-vormige poort.

Wij lopen naar waar de Pojoaque en de Nambe samenkomen –
het is wonderbaarlijk hoe wij in elkaar bloeien

Af en toe hoor ik het gedruis van auto’s op highway 285,
hoor hoe de levenden zich in rook uitblazen

en de doden de geesten van de levenden koortsig maken.
Wanneer ik uitadem tegen een koud raam zie ik

de altijd verschuivende grens langs de terminator;
en terwijl de schaduw die de kraterrand van Theophilus werpt

over de kratervloer glijdt voel ik hoe het licht groeit
tot een honingraatachtig goud – het gaat en komt allemaal tegelijk.