I
Toeval is onze God… De kultuur is niet geschreven. Schrijven is de geest beletten zich temidden van de vormen te bewegen als een voluit ademen… Ik debuteerde met teksten die toen ik ze schreef me vol mislukkingen leken te zitten. Ik zei dat ik geen gedachte had. Altijd was het naast het grote, het wezenlijke dat ik had te zeggen. Maar nu ik er na twintig jaar weer naar kijk, sta ik versteld. Niet dat ze ten aanzien van mezelf zijn geslaagd, maar ten aanzien van het onuitsprekelijke.
Artaud heeft het zelf gezegd.
Wie dit schrijft is gek. Wie dit vertaalt is gek. Wie dit leest is… Wie is wie?
De jonge Artaud kampt met het probleem dat hij geen gedachte heeft, althans geen gedachte die raakt aan de essentie van het bestaan. Als hij oud is, doet voor hem de vraag er niet meer toe of hij gestoord is. Alleen het feit blijft dat de gedachte reddeloos ontspoort. Schrijft hij, dan lijkt de zin een moment vóór de gedachte zich kristalliseert aan het papier te zijn toevertrouwd. Erger nog: als lezer krijg je het vermoeden dat zich een fractie voor je met lezen begon een ontploffing in de zin heeft voorgedaan. De gedachte zelf is logischerwijs niet meer te volgen, maar bezit nog zoveel kracht dat zij de zin als verschijnsel overeind houdt. Wel is de bom al gebarsten: ramen, stukken muur van het gebouw worden weggeblazen; maar nog valt het geraamte van de vroegere constructie min of meer te onderscheiden.
De ‘werkelijkheid’ is binnen de grenzen van het produktieapparaat getrokken. Ik ben met andere woorden van mezelf, van de essentie van het bestaan vervreemd.
De taal is voos, de woorden hebben hun beeldend vermogen verloren, hun innerlijke kracht. De taal is het kerkhof van de geest.
Ik kan wel aan het citeren blijven.
Als je dat schrijven noemt…
Zo is het schrijven, pardon, het leven van Artaud: een wanhoopskreet, gierende communicatiestoornis.
Hem vertalen, voor wie denken (of schrijven) en doen een en hetzelfde is, komt er op neer de gedachte te reconstrueren zoals deze er al niet meer staat om haar daarna weer op te blazen en op het Artaudiaanse moment aan het papier toe te vertrouwen.
Dit kan dus niet. Dit is een miskraam van onze gedachte.
Het vertalen van een mededeling die gestoord overkomt, loopt wanneer je je niet precies voor kunt stellen
wat het bericht had moeten zijn, maar heel sporadisch uit op een mededeling die gestoord is
en maar al te vaak op een pure on-zin.
Artaud was in de eerste plaats een schrijver die toneelspeelt. Hij speelde in de eerste plaats toneel. Hij zat te schrijven op het toneel.
Een rol vertolkte hij niet. In een zaal die zo groot als de wereld werd, speelde hij met inzet van zijn leven. Hij speelde met zijn leven.
Maar weinig toeschouwers beseften dat het zijn spel niet was, dat het het leven zelf was dat schokkend was en wreed.
Beseften dat de hemel op hun hoofd kon vallen.
Zagen met lede ogen toe. Ledepoppen op de bank van het theater. Het ware theater is als de kultuur nooit geschreven.
In het avant-gardistische theater bij Pitoëff speelt hij zijn rol niet, hij is bezeten van de geest die hij vertolkt.
Zijn bewegingen zijn hortend, stotend.
Pitoëff zegt hem minder gespannen te spelen.
Ondanks zichzelf speelt hij met zijn hele lichaam.
In die dagen zagen zijn collega’s Artaud La Coupole binnenkomen als een veroveraar en tegelijkertijd als een gejaagd dier. Vreemd, het leek wel of de akteur het spel doorvoerde tot buiten het theater.
Het was verontrustend om te zien.
Tijdens de repetities van Pirandello’s Zes personages op zoek naar een auteur, waarin hem de rol van souffleur is toegewezen, komt Artaud plotseling niet meer opdagen. Men treft hem thuis aan, op bed. Hij leest het Bardo Thodol, het Tibetaanse dodenboek. De repetities is hij vergeten.
II
Van nu af aan zet Artaud iedere regisseur overboord. Na het ‘Théâtre de la Cruauté’ zichzelf incluis. Hij weigert de rol te spelen die hem van welk huis dan ook wordt opgedragen.
Was dit niet het verhaal dat ik wanhopig lang geleden schreef.
Vanheim ging het theater in. Geen mens te zien.
In de film ‘De Akteurs’ werd een toneelstuk ingestudeerd.
Terwijl Artaud schreef op de rand van de waanzin, staarde hij in de donkerten van het onderbewustzijn, in de afgrond van de rede.
Soms was het even of hij zichzelf als door kristalglas zo helder zag. Dan weer speelde de literatuur hem parten.
Pas langzamerhand werd hij zich bewust dat hij het zelf was die op de repetities verscheen.
Hij was de hoofdrolspeler, maar hij wist dat hij niet geschikt was voor zijn rol. In ieder geval speelde hij die niet tot tevredenheid van de regisseur.
Liet hij daarom de regisseur vallen? Waarom liet de souffleur het scenario vallen, de regisseur achterna?
Hij leerde van Artaud dat werkelijk spelen bestaat uit het afwerpen van het masker, het vergeten van de rol die op het lijf geschreven is.
Slaafs de auteur navolgen, je onderwerpen aan de tekst?
Dan laat je je wel in een droevige boot nemen!
Het gaat om de geest, niet om de letter van de tekst!
Toeval is onze God, zei hij, en hij werkte de regisseur het raam uit.
Nu eindelijk zijn rol verloren was gegaan, besloot ik Artaud niet meer te vertalen.
Ik heb Artaud nooit vertaald. De confrontatie met Artaud werd een confrontatie met het onmogelijke. Geschokt besefte hij dat wat onmogelijk gezegd kan worden, bij elke verwoede poging daartoe, elk pogen onherroepelijk aan het vuur toevalt. Artaud voedde het vuur.
Vanheim begreep dat hem, de dader, niets anders restte in de bouwval van bewustzijn die het produktieapparaat hem liet, dan zelf de schrijver te worden die zich en zijn medespelers uit een impasse schrijft.
Hij stapte het toneel af en maakte de vrije val, pakte zijn pen en sprak de zin die hij schreef.
Nu gaan we beginnen, zei hij.
Op dit moment valt de intrige van Moord in de Onvoltooide tijd van mijn schrijfbureau, zo in de prullebak.
III
Wij schrijven de zolder waar Vanheim de grote afwezige is.
Er staat een stalen bureau, het blad is van grijze kunststof. Op het grijs staan zweterige vingerafdrukken.
De wand links is een groot raam. Als in een slecht schilderij stelt een brede streep grijs, schuin over het glas gestreken, de buitenlucht voor.
De achterwand is een filmscherm waarop de droom van de hoofdpersoon in beeld gebracht wordt (Moord in de onvoltooide tijd bijvoorbeeld). Uit een gat in het doek, onder in het scherm, puilt een gebroken klok. De beelden lopen over de klok. De rechterwand (wij mogen het voor de hand liggende niet uitsluiten) is een gebarsten spiegel.
De lezer dient zich bewust te zijn dat iedere mogelijke handeling die plaats vindt op de zolder of geprojecteerd wordt op het scherm hem in een drama kan betrekken dat uitmondt in de werkelijkheid.
De kamer is leeg, op het scherm wordt de hal van een fabriek zichtbaar, een lopende band met spoelmachines, geratel. Uit kartonnen dozen worden glazen potten met randen van aangekoekte mosterd gepakt en op de band gezet. Een pot springt stuk, een scherf dringt diep in een pols, het bloed spuit in een dikke straal en vult een mosterdglas.
Vanheim, in close-up, loopt de fabriekshal uit, weg van de kontinue beweging, het rad zonder avontuur.
Het geratel verflauwt, het beeld vervaagt.
Er klinkt een harde slag, ratelend. Het onweert. Het raam is ingevallen, de spiegel verzakt. Door openingen links en rechts valt een flakkerend schijnsel. Vlammen? Staat de stad in brand?
Het is nacht buiten. Minutenlang verdwijnt de flikkering en alles wordt zo zwart als zwart verdienen.
De stad geeft niets meer aan, geeft niet meer af, ligt kleurloos in de nacht.
Wie te lang in de zon heeft gekeken, ziet bengaals vuur in de kom van een azuren hand, dan wordt het nacht.
Alsof het een herdenking was (het is het al niet meer) staat daar het meisje uit een vroeger denkbeeld. Zó, het gezicht overbelicht, tenminste de linkerwang, met zwart colbert en leverkleurig vest, is ze helsmooi.
In ieder geval is ze niet op de zolder waar Vanheim haar de vraag hoort stellen:
‘Wat geloof je nu nog?’
In de schrijver voltrekt zich een reactie.
Het deel dat op de zolder achterbleef, waar Vanheim de grote afwezige is, en dat al die tijd een spookachtig bestaan heeft geleid, buiten de werkelijkheid, vergaat tot as.
Hoe het Vanheim verging?
Opnames van branding. Schuim uit de zee, gedachten die aan komen rollen en verdwijnen. De woorden worden overstemd. Stilte.
Waar hij de samenleving onder ogen zag, het ijlen van de geest vertaalde, wordt hij door het deel in hem dat Artaud ontmoette, gedwongen een spookachtig bestaan ter hoogte van de asfluit af te zweren.
Hij zweert het af. Ik zweer het af.
Op de zolder neemt een man met hoornen bril, kortgeknipt blond plaats achter het bureau en slaat een dossier open. Op het scherm wordt een wachtkamer geprojekteerd, mensen. Iemand die veel wegheeft van Vanheim zit te lezen.
De man achter het bureau maakt een aantekening in het dossier, kijkt op zijn horloge en trommelt met de vingers op het blad. Hij pakt een microfoon, en in de wachtkamer op het scherm klinkt:
‘Artaud, vierde etage, kamer vijf.’
De lezer in het beeld slaat zijn boek dicht.
Zijn voetstappen klinken hol over een smalle, kronkelende trap van hout. De man achter het bureau knipt een felle lamp aan. Op de vierde etage beland, maakt Artaud kamer vijf open.
In het halfduister, net voor het licht geheel dooft, ziet hij aan de rijen met klapstoelen dat hij in het theater is.
Hij neemt plaats, hij is de enige toeschouwer.
De letters op het scherm komen hem tegemoet.
ter hoogte van de asfluit
Grafzwarte titel in laaiend parelmoer, onderhuids vlammen.
Het parelmoer op het scherm, de vlammen verbleken, en hij wordt zich de kleine lettertjes bewust:
een dodenboek
Achter hem zegt traag een metalen of bestorven stem, alsof iemand spreekt in een lege kamer:
Er zijn momenten in je leven, periodes dat je doodgaat. De oude mens afleggen, wordt dat genoemd. Zoiets kan de besten overkomen.
De kamera zoomt in op de hoofdpersoon. Hij zit in een rijdende bus. Achter het levensgroot op het scherm geprojekteerde gezicht trekken rivieren, de zeespiegel voorbij. Af en toe komt de bus met een schok tot stilstand, het dekor wisselt voortdurend: landschap, straten, steden verschieten. Soms is het ook of de man met koolzwarte ogen zit in een kamer met brandende ramen: buiten schijnt alles in beweging, maar het is een toevallige beweging die de innerlijke atmosfeer bepaalt.
Intussen spreekt de stem als in trans verder:
De hoofdpersoon van dit verhaal weet dat het leven achter hem niets meer is dan een stukje in zijn neus.
Close-up van de oude, bijna seniele Artaud, die in de bus in zijn neus zit te peuteren. Hij maakt een rollende beweging met duim en wijsvinger, en schiet het propje met een knip van zijn vinger weg.
De lippen bewegen en vormen de woorden die de stem – aan het eind van het verhaal – niet langer als monologue intérieur murmelt, maar met verve en nadrukkelijk zegt:
Denkbeeldige graven zullen u het zwijgen opleggen.
De enige toeschouwer, Artaud, ziet dat hij het zelf is, Antonin Artaud, die speelt, en vloekt:
Godverdomme.
En op het scherm antwoordt Artaud met zijn seniele grijns: Artaud, je vloekt! Zoiets gaat toch altijd ten koste van je verhouding tot God.
Deze tekst sluit aan bij het verhaal Moord in de onvoltooide tijd in: Raster 23.