Gisteravond ben ik gaan lezen in Peter Handke’s De last van de wereld. Het boek heeft als ondertitel: een journaal (november 1975-maart 1977), en het bevat observaties, gedachten, beschrijvingen van gevoelens, die Peter Handke heeft vastgelegd met, voor zover die na honderd bladzijden te overzien valt, één rode draad, die van de tijd. Vanochtend, bladerend in het, zoals dat heet, ‘kloeke’ boek, voelde ik sterk de behoefte iets over De last van de wereld te schrijven, maar ik besefte dat een ‘gewone’ bespreking alleen algemeenheden zou opleveren; zoals in de tweede zin van deze alinea de algemeenheden ‘observaties, gedachten, beschrijvingen van gevoelens’ niets naders over De last van de wereld zeggen. Ik zou op zoek kunnen gaan naar thema’s en motieven, maar dat lijkt me, zeker gezien de opzet die Handke in zijn voorwoord omschrijft (‘Ik trainde mij er nu in om op alles wat op mij afkwam onmiddellijk met taal te reageren, en ik ontdekte dat op het moment van het beleven juist deze tijdsprong lang ook de taal ging leven en meedeelbaar werd…’), nogal geforceerd omdat elke zin uitdrukking geeft aan de thema’s die Handke bezighouden – er staat wat er staat. Ik zou kunnen gaan inventariseren (hoeveel keer kom je het woord angst tegen?) of de onvolledig weergegeven, aan bepaalde observaties ten grondslag liggende gebeurtenissen kunnen reconstrueren, ik zou het boek kunnen gaan plaatsen in het oeuvre van Handke, en daarna Handke’s journaal gaan vergelijken met journalen van andere auteurs.
Nee, ik neem me voor heel subjectief, heel expliciet, zonder me huichelachtig achter schijnbaar objectieve uitspraken te verbergen, op De last van de wereld ‘onmiddellijk met taal te reageren’. Ik zal dadelijk noteren wat me bij het lezen te binnen schiet, opvalt, ontroert, opwindt, verdrietig stemt.
Omdat ik nu volgens deze methode een stuk ga schrijven, moet ik opnieuw beginnen met lezen. De vertaling van Hans Hom, verschenen in de Privé Domein-reeks van de Arbeiderspers, en de oorspronkelijke Duitstalige versie liggen voor me. Ik wacht met lezen tot vanavond.
Eerste dag: blz. 11-45.
Weinig verrassende opmerkingen heb ik op de eerste bladzijden gelezen. Ik heb niets met de notities kunnen doen, ik voelde er niets bij, dwaalde voortdurend af naar dingen die ik me nu niet meer herinner. Ik besef dat Handke zichzelf erin geoefend heeft om ook die gedachten vast te leggen; maar op de eerste bladzijden ontbreken de eindelijk vastgelegde ‘vluchtige’ gedachten, tot nu toe heb ik slechts herhalingen gezien.
De zinnen die ik las na mijn eerste notitie te hebben geschreven zogen opeens alle aandacht op. Ik ben pas geconcentreerd wanneer ik me er niet van bewust ben dat ik ademhaal, en dat was zojuist het geval, een hele bladzijde lang bestond slechts Handke’s tekst voor me, was ik mezelf kwijt (en tegelijk zo gevoelig als een wond).
Gisteravond, bij de eerste lezing, deed een bepaalde passage mij aan een gestorven vriend denken. Nu, bij het herlezen, herinner ik me dat ik hierbij gisteravond aan een gestorven vriend heb gedacht. De volgende keer zal ik bij die passage aan deze zinnen denken.
Hevige ontroering bij het plotselinge besef dat al die verschillende, los van elkaar staande, vaak moeizaam geconstrueerde opmerkingen eigenlijk maar één raakvlak kennen: angst. Die zinnen zijn voor Handke drijvende planken (maar dan wel ter grootte van een splinter) op een chaotische zee.
Het verbreken van banden als een onvermijdelijke beslissing, zoals in De linkshandige vrouw; het innerlijke isolement doorbreken-en daarmee het isolement voltooien – door de kunstmatige band met de omringende wereld (het ‘doen alsof, het gehoorzamen aan gedragsregels) niet meer in stand te houden; eindelijk lopen je eigen innerlijk en uiterlijk gelijk, schopje een irritante bezoeker daadwerkelijk de deur uit, durf je iemand in de tram tien minuten lang te fixeren, kleed je jezelf uit tijdens een krampachtig gezellig etentje met vrienden (zoals in Het uur van het ware gevoel), handelen zoals je je voelt, nee tegelijkertijd, als een reflex, dat lijkt me een wens van Handke.
Tweede dag: blz. 45-77.
Bij een notitie van Handke een ‘flash-back’. Op het einde van een reeks sketches spuugt één van de komieken bij wijze van afscheid naar de zaal; het publiek lacht, ik lach ook ofschoon ik op mijn broekspijp een paar schuimende druppels speeksel heb ontdekt, die me doen kokhalzen. Ik lach en klap mee, me krampachtig bij het enthousiaste publiek aansluitend, alsof het speeksel op mijn broek de beste grap van de avond is; terwijl mijn speeksel bijna uit mijn mond druipt en ik nu niet durf te slikken (want de wippende adamsappel zal me in één klap naakt maken).
De herkenning van een zelfde idée fixe: de angst onder het schijten te sterven, en dan bij mij niet zozeer de angst voor de dood als wel de angst voor de reakties van de mensen die het weggezakte lichaam vinden: de stront, mijn reet, de onderbroek op mijn schoenen.
Bij het voortijdige verlaten van een drukke winkel nadrukkelijk op je horloge kijken, ten teken dat je haast hebt en niet kunt wachten tot je aan de beurt bent.
Zoals Handke’s vroegste herinneringen: droefheid, smart, omhoogkijkende ogen, verkrampte handjes – het prille besef van de stille onmacht tegenover reusachtige huizen, bomen, deuren.
Als kind: ‘s Nachts schreeuwden de pauwen, die in het hertenkamp van het nabijgelegen park rondstapten, mijn naam.
Op de regenachtige ochtend van de ambtenarenstaking, onder het lekkende afdakje van een tramhalte, drie in de verte starende gastarbeiders.
Toen ik rustig praatte, mijn mede-tafelgenoten een anekdote vertelde, schoot me te binnen dat de twee mannen tegenover mij, van wie ik wist dat ze homofiel waren, met elkaar vrijden in het bed dat achter me in het vertrek stond – waarna ik, als om die gedachte af te straffen, met een opvallend grote aandacht naar hún anekdote luisterde (en door de concentratie op het spelen van ‘de aandachtige’ niets hoorde).
Zelf verbouwen in je eigen huis: na het betreden van vreemde huizen nu niet meer kijken in de boekenkasten maar naar weggebroken muren, stucwerk, scheuren in de plafonds.
Als men mij zegt dat ik gesticuleer, terwijl ik er mijzelf nooit op betrapt heb, voel ik me onzeker en denk ik: hoe kan iemand die zijn armen niet beheerst ooit zijn gedachten beheersen.
(Ik sla enkele bladzijden om omdat ik me het ziekenhuisverblijf herinner en wil weten waar die passage begint. Vanaf dat moment waren bij de eerste lezing Handke’s notities niet alleen uitnodigingen om eigen ervaringen voor de geest te brengen en te vergelijken, maar vooral levenstekens, signalen ‘voor wie het aangaat’ – zo luidt het motto van het boek-, de verstilde monoloog van iemand die plotseling met zijn haperende lichaam wordt geconfronteerd. Ik blader terug.)
Zojuist de bladzijden gelezen die vooraf gaan aan de opname in het ziekenhuis. Ontdekt dat de hartaanval (of wat het ook was) zich heeft aangekondigd, dat de angsten en pijnen hem radeloos door zijn huis en buurt hebben gejaagd. Herkenning van dezelfde in de borststreek groeiende, zich steeds verdiepende en ten slotte alles opslokkende angst: de gevaarlijke stilte na beëindiging van de televisieuitzendingen, het zenuwachtige zoeken naar een boek dat afleidt, het innerlijke lawaai en de suizende stilte buiten, het verlangen naar slaap dat echter de huiver voor de duisternis doet toenemen, het hart dat bijna uit de oren barst, de aanblik van de maag die met de hartslag meetrilt, de twijfelachtige gedachte dat het ochtendlicht de redding zal zijn, de angst de afgelopen nacht voor het laatst geschreven te hebben, de hoop op verandering (genezing), verdriet.
Derde dag: blz. 78-109.
De opmerkingen in het ziekenhuis getuigen van zijn verliefdheid op het leven – ondanks de angsten die alle uren door hem heen trekken. Soms wordt zijn panische doodsangst verdrongen door zijn verlangen de wereld om hem heen (bij voorbeeld een ziekenhuis) te beleven; in, via een raam van zijn ziekenhuiskamer waarneembare, natuurverschijnselen ontdekt hij (projecteert hij) de mogelijkheid van een nieuwe levenshouding, die doet denken aan de naar een nieuwe, meer gelijkwaardige verstandhouding met de materie zoekende Gregor Keuschnig in Het uur van het ware gevoel. Handke’s romanhelden (en hij zelf waarschijnlijk ook) proberen zich te verlossen van de vanzelfsprekendheden waarmee ze zijn opgegroeid en waarvan ze afhankelijk zijn geworden. De angsten, plichten en idées fixes van het bestaan als homo consumens worden (door welke literaire oorzaak dan ook) plotseling herkend, en er ontbrandt een strijd om zich van het loodzware juk van het gecorrumpeerde ego te ontdoen – maar dan begint de oorlog pas echt, want dat ego heeft zichzelf alleen in angsten, plichten en idées fixes kenbaar gemaakt: als triomf schijnt er slechts leegte te zijn. Handke’s helden moeten kiezen uit de koestering van de angsten of de angst voor de leegte. Maar zo nu en dan (zoals Gregor Keuschnig enkele malen ervaart) schemert er achter het oorlogsgewoel de ervaring van een wezenlijke verbondenheid met de werkelijkheid:
De gele, zich woelig bewegende goudenregenstruik buiten: hij verbergt iets heel belangrijks diep in het inwendige; ik doe mijn ogen dicht om er achter te komen – en plotseling voel ik geel afgevende bloemstampers in mijn gezicht! Het gaat zo ver door eer je bij het inwendige komt van de voor mijn ogen deinende gele struik, dat er steeds nog veel meer geel is dan ik in één keer in me op kan nemen, een zacht, een louter geel, een in zijn diepte aangrijpend en daarbij geheel en al stil geel onder de onrustig golvende oppervlakte: als was dit volkomen windstille hart van geel in het landschap iets voor mij, zonder mij; als begon het eigenlijke geel pas onder de zwiepende takken, (blz. 87)
Het hoopvolle beeld van kinderen op weg naar school.
De met het stompje van zijn rechterarm om vrijgevigheid smekende bedelaar van de Kalverstraat, die voor mij op het postkantoor zijn muntgeld inwisselt voor enige bankbiljetten.
Anderzijds kun je je zieleleven op de lange duur ook weer niet in standhouden met de aanblik van een in de avondwind glanzende struik, (blz. 97)
Gewoonlijk kijk ik uit angst over één kam geschoren te worden met de omstanders, die in de listig opgezette val gaan trappen en thuisgekomen het overbodige prul in een kast zullen wegstoppen, als ‘een kenner’ naar standwerkers: goedkeurend, glimlachend (zowel op markten als in warenhuizen).
Gedachte: zo dadelijk schrijf ik op hoe heerlijk Handke het vindt om buiten het ziekenhuis weer rond te kunnen lopen, en hoe hij geniet van de dingen om hem heen; en hoe heerlijk was deze gedachte voor mij, alsof die ervaring van Handke pas geldig kon worden door mijn leesarbeid, alsof ze al die tijd klem had gezeten tussen de pagina’s.
Vierde dag: blz. 110-142.
(Vanmiddag heb ik geprobeerd om tijdens een wandeling door de stad net als Handke ‘op alles wat op mij afkwam onmiddellijk met taal te reageren’.)
De momenten van opluchting, waarschijnlijk alleen ontstaan door het contrast tussen de stille ziekenhuiskamer en de levendige drukte buiten op straat, worden geringer in aantal. Handke krijgt nu het gevoel te worden gedood door ‘al datgene wat me niet interesseert, maar wat ik toch steeds gedwongen ben op te merken’, (blz. 110)
Vanmiddag in de stad een kind dat zijn ballon niet meer kon grijpen en stil huilend de armen van zijn moeder om zich heen legde met op het gezichtje een volwassen verdriet om de verloren droom.
De stompzinnige uitdrukkingen op de gezichten van de ouders, die hun, wegens emotionele en contactuele stoornissen een dagverblijf bezoekende, nu naar een vakantiekamp vertrekkende kinderen ‘s ochtends vroeg uitzwaaiden – de gespeelde zorgeloosheid, het er zo duimendik opgelegde ‘blije’, de somberheid na het vertrek van de bus, de ontdekking dat eensklaps het alibi om daar te staan was weggevallen, de haast waarmee men zich van de ‘plaats des onheils’ verwijderde; kinderen als emotionele en contactuele bumpers: verkreukeld en spoedig verroest.
In een reclameboodschap te lezen dat het leven mooi is, voel ik als een tegen mij persoonlijk gerichte onbeschaamdheid, (blz. 117)
Maarten ‘t Hart nadoen: met een hoge stem over vrouwen praten.
De neiging hebbben om, net als Bruno S. in Jeder für sich und Gott gegen alle, in korte, afgebeten mededelingen te praten (maar alleen tegen mijzelf).
Tegen de neiging vechten om bij een voetbalwedstrijd alleen naar de speler aan de bal te kijken.
De eenzame! noemde Theo Koomen de op een grote afstand achter de kopgroep rijdende geletrui-drager.
Lezen over de moeheid van Handke, waarna ik me bewust word van mijn eigen misselijk makende moeheid, en mijn ogen langzaam dichtvallen.
Vijfde dag: blz. 143-188.
De gevoelloosheid die anderen soms bij je menen op te merken komt uit niets anders voort dan uit hun onmacht de last van de wereld te dragen (die onmacht heeft hen immuun gemaakt voor het ervaren van echte literatuur-Peter Handke – en ontvankelijk voor de giftige gezelligheid van het ‘winkeltje om de hoek’).
Tegen de avond de deur van het balcon openen en voor de eerste keer van de dag de buitenlucht op je huid voelen (de ervaring ook lichamelijk te bestaan).
Door de Kalverstraat lopen met een uitdrukking op het gezicht van: ik ben hier ook maar toevallig, op doortocht! (Je alvast verontschuldigen tegenover eventueel te passeren bekenden).
Tegen bezoekers zeggen: ‘Doe alsof u thuis bent!’
De behoefte aan een catastrofe in de buurt (vaak gevoeld bij laag overkomende vliegtuigen en aanhoudend gejank van sirenes).
Nu niets anders kunnen schrijven dan: ja ja, maar dit te banaal vinden (en er daarom deze vorm aan gevend).
Zesde dag: blz. 189-208.
Volstrekte leegte vandaag waaruit niets gezogen kon worden door Handke’s notities. Alles ‘voor kennisgeving aangenomen’, slechts toegekeken, afzijdig gestaan. Het gevoel alsof het doorgeefluik naar mijn hersenen is dichtgeklapt; vandaar de zwaarte in mijn schedel en de leegte in mijn ogen. Staren als de enig mogelijke houding. Het lichaam als de enige vanzelfsprekendheid.
Zevende dag: blz. 208-238.
(Tijdens een telefoongesprek met een vriend verdween mijn somberheid door over mijn notities bij De last van de wereld te praten – het lezen van de vaak neerslachtige opmerkingen van Handke ervaren als opluchtend.)
Door Handke de behoefte krijgen om in elke jas een notitieboekje te steken.
Plotseling de gedachte: bijna elke gedachte is de moeite waard; en deze gedachte willen opschrijven (nu heb ik de gedachte opgeschreven).
Bij het horen van mensen die ‘laconiek’, ‘ironisch’ over hun verdriet vertellen (tenminste zij die dat ‘laconieke’ of ‘ironische’ in hun monoloog als entertainers brengen, alsof zij als zij over hun verdriet vertellen telkens dezelfde grapjes, dubbelzinnigheden, glimlachjes en knipoogjes te voorschijn weten te toveren) bekruipt me vaak een gevoel van diepe minachting voor hun zwakte het lijden net zo intens te beleven als de spaarzame momenten van geluk (dat geluk wordt door hen echter ‘woordloos’ ervaren als een onbegrijpelijke emotie; wanhopig stotterend, zenuwachtig op hun stoel schuivend, proberen zij aan hun geluk te denken, en als dat niet lukt zoeken zij radeloos naar steun – of maken een grapje).
Oneigenlijk gebruik van de geschiedenis: tegenover opmerkingen van mijn moeder over de gezelligheid in de vooroorlogse Amsterdamse jodenbuurt plaats ik altijd de bittere armoede van het joodse proletariaat; op de vrolijkheid van de twintiger jaren antwoord ik met de Mars op Rome en Mein Kampf; Baader-Meinhof kaats ik terug met de 19de eeuwse anarchisten, huidige dictatoren met een handvol historische.
De mooie jonge vrouw die door de lelijkheid van haar vriend ongeloofwaardig wordt; haar schoonheid is vergeefs.
De voorstelling dat ik nu, tijdens het lezen van De last van de wereld, zou sterven; dat ik gevonden zou worden met open ogen en open boek.
De ongerijmdheid dat het in een blauwe blazer en grijze broek gestoken rechtenstudentje ooit recht zal kunnen spreken!
In openbare gebouwen: bij het pakken van de portefeuille uit de binnenzak altijd het gevoel voor een rover aangezien te worden die zijn pistool trekt (invloed van films).
De nieuwslezer: ‘De overstroming zette een gebied blank met een totale bevolking van 50.000 zielen.’
Blijven staan en je breed maken om de aandacht te trekken van iemand die je meent te kennen; je hoopt dat diens zinloze, geruststellende gepraat over de gemoedstoestand van gemeenschappelijke bekenden de bedrukking van het moment zal verminderen – en de schaamte als hij niet degene blijkt te zijn voor wie je hem hield.
Achtste dag: blz. 238-266.
Handke ervaart zijn bestaan als ledig, dom en lui. Hij is er in geslaagd om in zijn eigen leven afstand te nemen van de zingevingen die voortkomen uit religieuze en ethische systemen. De moeilijkheden die hij bij politiek ervaart houden verband met zijn onmacht zich een zinvol politiek systeem voor te stellen – wat hij niet zichzelf maar de politiek verwijt. Hij heeft de knellende banden van de gecorrumpeerde politiek en conservatieve traditie aan den lijve ondervonden. De achterlijke bekrompenheid van het Oostenrijkse platteland, een van de meest trieste resultaten van eeuwenlange politieke en religieuze onderdrukking, achtervolgt hem zelfs in zijn slaap. Zijn moeder heeft de strijd met de ingewoekerde, ten slotte deel van het ‘ik’ geworden ontgoocheling enige jaren geleden opgegeven en zich van het leven beroofd (zie Ongezocht ongeluk). De angsten en twijfels van zijn moeder zijn Handke niet vreemd. Maar hij kent de mogelijkheid van de literatuur. Als lezer valt het absolute isolement van het (zijn) individu slechts te herkennen; dat isolement daadwerkelijk doorbreken is illusoir. Binnen dit kader moeten, lijkt mij, de notities van De last van de wereld bekeken worden. Handke verdiept zijn isolement, hij probeert met een poëtische blik te kijken, wil de wereld om hem heen niet alleen beschouwen maar vooral ook ervaren. Elke emotie, hoe smartelijk ook, wil hij geestelijk én lichamelijk voelen. Handke probeert de grenzen van zijn bestaan te onderzoeken; zijn literatuur geeft van dat onderzoek verslag.
Vier uur slapeloosheid-buit: twee korte zinnetjes; daarna weldadige, zwarte moeheid (als werden alle actuele zorgen en angsten als het ware om en om gewenteld totdat ze stuk voor stuk om zo te zeggen ‘doormoeid’ een stille plaats in het bewustzijn gevonden hadden: heilzame slapeloosheid) (blz. 240)
Net zoals ik vaak maar iets afwezig doe, denk ik soms afwezig (de inspanning die ik lever om nu al een jaar lang elk ogenblik te letten op wat me door het hoofd gaat) (blz. 243)
Eigenlijk is de dreiging van de dood niet eens de angst voor het niets maar veeleer de angst voor de eenzame gang langs de graven van gestorven vrienden (een vroege plotselinge dood als redmiddel).
Leven in het besef dat literatuur de redelijkheid is die de verlokkingen van de blinde agressie vergeefs maakt.
Het zich gehaast voortbewegende meisje dat in de spiegeling van de etalageruit tevreden naar haar dansende borsten keek.
Negende dag: blz. 266-286.
Tijdens het lopen op straat vaak de gedachte dat de uitdrukking op mijn gezicht passanten zal ergeren, mijn lijden is op zulke momenten zo onbeschaamd openlijk dat het de onbezorgd- en vrijblijvendheid van voorbijgangers verstoort – ik als drager van de last van de wereld.
In een recensie over de dagboeknotities van C. Buddingh’; ‘Het is vrijblijvende lectuur, die zelden tot kritisch commentaar noopt: take it or leave it.’ En: ‘Over de liefde zwijgt hij, zoals gewoonlijk. De intimiteit van een goed gezin is zijn privé-domein.’
Dikwijls lijkt mij de eigenschap van mensen om geil te zijn volkomen absurd: de slager die het vlees afsnijdt, de lokettiste die een blokje postzegels afscheurt, de stratenveger, de minister-president. En de part-time cassière bij de Bijenkorf! Het zou belachelijk zijn haar opgewonden hijgend de rits van haar rok te zien opentrekken, haar haastig uit haar panty te zien stappen! Of C. Buddingh’ met een trotse bobbel in de intimiteit van zijn broek!
In een metrotrein die door de Bijlmer rijdt vraag ik me af of ik deze mede-reizigers in de Parijse metro als ‘typisch frans’ zou hebben aangeduid.
Me iedere nacht hondsmoe lezen om de verlaten ogenblikken in bed met de grote behoefte aan slaap zo kort mogelijk te houden.
Het overkomt me vaak dat tijdens het uitspreken van een argument me een tegenargument te binnen schiet – een beschaamd gespartel met woorden is daarvan het resultaat. (Soms probeer ik met de moed der wanhoop het tegenargument aan het argument te rijgen om aldus op een objectieve, boven de partijen staande autoriteit te lijken, maar ik weet zeker dat mijn hulpeloze blik me verraadt.)
Zekerheid: dat de VS er ‘in werkelijkheid’ net zo uitziet als op de tv (maar misschien iets minder echt).
Training: het radeloos zoeken naar een van de tafel verdwenen pen, die daar ‘hoort’ te liggen, zo lang mogelijk uitstellen.
Op gezellige bijeenkomsten altijd de neiging voelen over de last van de wereld te praten, terwijl op droevige bijeenkomsten door de rituelen altijd de lachlust wordt opgewekt; nooit een gevoel hebben (zoals een pak hebben, of een overhemd) dat bij de gelegenheid past.
Zekerheid: dat in mijn jeugd de gevoelens van geborgenheid alleen tijdens het lezen van Dik Trom zijn ervaren.
Iemand zei: ‘Het was een tijdje mode om Songs in the key of life van Stevie Wonder overproduced te vinden.’
Plotseling de behoefte aan getallen: Handke’s notities van november 1975 tot en met februari 1976 zijn per maand gegroepeerd. Hij begint op I maart 1976 (blz. 29) met dagelijkse aantekeningen, waarvan de eerste vier dagen slechts anderhalve pagina beslaan. Van 5 maart tot 8 mei slaat hij geen enkel etmaal over. Gemiddeld maakt hij 2 bladzijden aantekeningen per dag. Van 8 mei tot 19 mei verbleef hij in de VS, waar hij geen journaal bijhield.
Op 20 mei begint hij opnieuw, nu met een gemiddelde van i bladzijde per dag. De volgende kloof is de periode 3 juli-31 augustus 1976. (Hij vertelt nergens waarom hij deze twee maanden heeft overgeslagen.) Vanaf 1 september tot en met 31 oktober noteert hij weer met een gemiddelde van 1 bladzijde per dag. De aantekeningen van de periode november 1976 tot en met maart 1977 zijn per maand gegroepeerd en beslaan in totaal 50 pagina’s.
Tiende dag: blz. 287-316.
‘We moeten samen even praten’ – ‘Ja, natuurlijk.’ (Ze gingen zitten.)
‘Denk je nog wel eens aan me?’ – ‘Ja, bij de zelfbevrediging. Daarna vergeet ik je meteen.’ (blz. 293)
Blik op de notitieboekjes, en ik word van een rustige zekerheid vervult, van binnen uit, vanuit het midden van de borst; gevoel van kracht enkel en alleen doordat er zich binnen in mij iets zachts afspeelt (‘Mijnpersoonlijke epos,’ dacht ik) (blz. 306)
Na de jarenlange ontgoocheling wist hij niets beters te doen dan, als een bruid geheel in het wit gestoken, door de stad te flaneren.
De zekerheid dat ik, eindelijk tegenover Handke gezeten, naar niets anders zal kunnen vragen dan naar zijn lievelingsgerecht.
Of ik zou hem de hand schudden, zeggen: ‘Ik heb al uw boeken ervaren, maar nog nooit uw handdruk’ – en ik zou hem de rug toedraaien en de trein terug nemen.
De behaaglijke veiligheid die ik voelde toen iemand tegen me zei: ‘Je ziet er net zo onopvallend uit als een bakkerszoon uit de provincie!’
‘Het is zijn lust en zijn leven,’ noemde de vertederde moeder de hobby van haar zoon.
Een bekende, die het over haar man heeft, voortdurend willen onderbreken met: ‘En toch blijft ie ‘s nachts vaak weg.’ (Ten einde die mismaakte glimlach van haar gezicht te jagen met ‘de waarheid’ over haar man.)
Als iemand praat niet luisteren maar kijken alsof je luistert.
Als iemand een ander bepaalde slechte eigenschappen toeschrijft, meteen over die eigenschappen gaan praten alsof ze inderdaad tot die ander behoren (om het gevoel te bestrijden dat die eigenschappen evenzeer deel van jezelf zijn).
Als iemand opmerkingen maakt waaruit je op kunt maken dat hij je niet begrepen heeft, dan niet willen verklaren maar snel door willen gaan (troosteloosheid).
Weigeren de last van de wereld als een baal veren te beschouwen (de last loodzwaar willen voelen).
In de avondschemering de laatste notitie gelezen. Starend naar het boek het schrille getjilp van vogels in de bomen langs de gracht horen en wachten op de ontroering die nu toch zou moeten komen.
En je pakt het boek, legt het op je hoofd en neemt je voor De last van de wereld zo lang mogelijk met je mee te dragen.