I. Integriteit

De inleiding die Simon Vinkenoog bij de bloemlezing Atonaal (1951) schreef, is van strategisch belang geweest voor de aanvaarding van de poëzie der Vijftigers, stelt Gerrit de Jager in zijn proefschrift Argumenten voor canonisering. De Vijftigers in de dag- en weekbladkritiek 1949-1959 (1992). Vinkenoog betoogt in zijn inleiding dat deze nieuwe (hermetische) poëzie er wel zo moest uitzien, omdat de veranderde tijdsomstandigheden daarom vroegen of zoals Vinkenoog het uitdrukte: de dichters van deze generatie willen verslag uitbrengen van een tijd ‘die door twee wereldoorlogen en de verbijsterende ontmenselijking der wetenschap’ gekenmerkt wordt. Wat De Jager het ‘Avantgardistisch Scenario’ van Vinkenoog noemt, zou door de recensenten vrij snel worden aanvaard. Critici die een andere literatuuropvatting huldigden dan de Vijftigers, zoals Hans Warren en Hans Gomperts, gingen overstag omdat zij accepteerden dat de opvattingen op grond waarvan de Vijftigers dichtten hoe dan ook integer waren.
Als in 1951 Het Boek Ik van Bert Schierbeek verschijnt, reageert een aantal recensenten daarop eveneens welwillend vanuit de overtuiging dat de schrijver ervan integer is. Ook in dit geval betreft het critici die een andere literatuuropvatting voorstaan dan de auteur. In Elseviers weekblad (1-9-1951) schrijft Michel van der Plas: ‘Als Bert Schierbeek ons in “de eerste experimentele roman in Nederland” (…) van één ding overtuigt, dan is het van zijn oprechtheid. Dit benadruk ik te meer, omdat men “de experimentelen” vaak hoort beschuldigen van door louter technisch onvermogen gedragen willekeur ten opzichte van wat zij zeggen en ten opzichte van de vorm waarin zij het zeggen.’ Schierbeeks oprechtheid valt voor Van der Plas af te leiden uit de spanning die hij achter het boek voelt, een spanning ‘die onmiskenbaar eerlijk hartstochtelijk is’. Gabriel Smit legitimeert Schierbeeks manier van schrijven met een verwijzing naar de tijdsomstandigheden, zoals eerder bij de poëzie van Vijftig was gebeurd: ‘De wanhoop en verwildering der na-oorlogse jeugd wordt door Schierbeek op even wanhopige, verwilderde wijze neergesmeten’ (de Volkskrant 20-10-1951). De mening dat Schierbeek een rechtschapen auteur is, die een specifieke vorm gaf aan zijn ideeën omdat de tijd erom vroeg of omdat zijn literatuuropvatting hem die voorschreef, komt ook in besprekingen van diens latere werk naar voren. Volgens B. Stroman is rechtschapenheid iets dat in het algemeen een rol speelt bij de totstandkoming van Schierbeeks experimentele proza. Naar aanleiding van onder meer Het dier heeft een mens getekend zegt hij: ‘Zijn boeken tonen aan, dat hij met een volstrekt integere bedoeling worstelt om de uitdrukking van zijn benadering van het zijn. Hij doet dat met de volharding waarmee een kind speelt. Met een toegewijde ernst die het onrechtvaardig maakt hem een charlatan te noemen (Algemeen Handelsblad 9-7-1960).
De bedoelingen van Schierbeek mogen dan oprecht zijn, integriteit blijkt geen garantie te bieden voor een positief waardeoordeel. De deformaties in het experimentele proza en de persoonlijke associaties vormen daarvoor te grote obstakels. Zij brengen menigeen tot een overtuiging zoals die is verwoord door Johan van der Woude bij zijn bespreking van Een Grote Dorst: ‘Bert Schierbeek is alleen leesbaar voor “gelijkgezinden”’ (Nieuwsblad van het Noorden 14-9-1968). Het vooroordeel tegen Schierbeeks experimentele proza als zijnde ‘onleesbaar’ zal een hardnekkig leven blijven leiden. Dat konstateert ook Robert Anker die, Weerwerk, Betrekkingen en Binnenwerk recenserend, er zijn verbazing over uitspreekt dat zowel Schierbeek als Lucebert de werkelijkheid deformeren, maar dat alleen ten aanzien van Schierbeek het verwijt van onleesbaarheid volgt. Dit verwijt hoor je nooit bij ‘een gedicht van Lucebert, dat toch niet wezenlijk anders in elkaar steekt dan de “proëzie” van Schierbeek’. Anker, die vooral Weerwerk met zijn hechte structuur een prachtig boek vindt, meent dat het tijd wordt ‘dat het werk van Bert Schierbeek eens uit het verdomhoekje der lezersvooroordelen wordt gehaald. Van Gerrit Krol zegt tenslotte ook niemand, dat hij wartaal schrijft, hoewel zijn aanpak niet wézenlijk anders is. Het is dus tijd voor een herwaardering door een groter publiek.’ Anker doet deze uitspraak in Het Parool (16-3-1983). Tweeëndertig jaar na het verschijnen van het eerste boek met experimenteel proza is het blijkbaar nog steeds nodig dit type teksten te verdedigen tegen vooroordelen en blijkbaar is de kring van lezers nog altijd niet noemenswaardig gegroeid.
In de kritieken op Schierbeeks experimentele proza vallen inderdaad frequent termen als ‘wartaal’ en ‘woordkakkerij’ (Reve). Zijn werk heet duister, ondoorgrondelijk, onbegrijpelijk. Maar er zijn nog andere factoren die een positief waardeoordeel in de weg hebben gestaan. Twee daarvan, die met grote regelmaat in de recensies opduiken, wil ik hier onder de aandacht brengen. Vanaf het moment dat Het boek ik verschijnt, hebben recensenten geprobeerd de publicaties van Schierbeek te positioneren. In tweeërlei opzicht. Zij hebben zich afgevraagd bij welk literair genre een boek moet worden ingedeeld en in welk literair-historisch kader het dient te worden beschouwd. Twee ogenschijnlijk neutrale pogingen om het werk te classificeren.
 
2. Generieke plaatsbepaling
Het Boek Ik, schrijft Gabriel Smit in de Volkskrant (20-10-1951), is ‘in zekere zin nauwelijks een roman te noemen, doch eerder een autobiografisch verhaal in experimentele stijl, bij mijn weten het eerste van dit genre dat in onze taal verscheen.’ J.H.W. Veenstra omschrijft Het dier heeft een mens getekend als ‘poëtisch proza’, maar hij twijfelt tegelijkertijd aan deze classificatie: ‘Poëtisch proza is hier dan eigenlijk niet de goede uitdrukking, want deze van alle gangbare syntaxis en grammatica losgeslagen opeenstapeling van woorden is geen poëzie en geen proza in de gebruikelijke zin en evenmin een mengprodukt’ (Vrij Nederland 2-7-1960). In latere besprekingen blijft men generieke kwesties aanroeren. Zo schrijft Jan van der Vegt in De Nieuwe Linie (1-3-1978): ‘Weerwerk is een boek in een vorm die zowel poëzie als proza kan zijn. De grens tussen die genres heeft bij Schierbeek nooit werkelijk bestaan.’
Wat in de latere kritieken doorklinkt, zijn de relativerende opmerkingen die Schierbeek zelf over genre-indelingen heeft gemaakt. In de hiervoor geciteerde recensie van Het dier heeft een mens getekend haalt J.H.W. Veenstra het interview met John Vandenbergh aan dat Schierbeek achterin zijn boek heeft laten opnemen. Schierbeek wijst er daarin op dat proza en poëzie wel eens een gemeenschappelijk stam zouden kunnen hebben in de stem. Schierbeek: ‘Die stem heeft niet speciaal proza of poëzie voortgebracht ter wille van de administratie van de Nederlandse letterkunde. Die stem kan dankzij de wortels de takken van de boom laten zien, de bladeren, de bloesems en de vruchten.’ Schierbeek verdedigt zijn werkwijze met een realistisch argument: ‘(…) ik wilde de hele boom bouwen en ik heb de vrijheid genomen dat met poëtische zowel als prozaïsche taalmiddelen te doen. Ik heb die afzonderlijk en door elkaar gebruikt, omdat ik dacht dat dat nodig was om de boom zo reëel en natuurlijk mogelijk te bouwen.’
De toelichting van Schierbeek en de alternatieve genre-aanduiding die hij voor zijn werk heeft bedacht, hebben in zoverre effekt gesorteerd dat critici bereid bleken in dezelfde termen te spreken als hijzelf, zoals Kees Fens die in De Tijd (20-7-1968) over Een grote dorst schrijft: ‘Schierbeek heeft voor zijn eigen werk de omschrijving “proëzie” bedacht, daarmee een scheidslijn tussen twee uitingsvormen in taal opheffend. De tekstenverzameling die Een grote dorst is, kan ook het best “proëzie” genoemd worden: ze heeft de dwingende kracht van proza, in zoverre het van a naar z leidt (zij het hier niet volgens een rechte lijn), de woordmiddelen en het effect zijn echter ontleend aan de poëzie zoals Schierbeek die opvat (…)’.
De uitleg die Schierbeek bij het door hem beoefende genre gaf, heeft niet verhinderd dat hij ermee in een tussenpositie terecht is gekomen. Als gevolg van die tussenpositie kon hij niet rekenen op steun van buitenaf, die onontbeerlijk is om een groot publiek te bereiken en geïnstitutionaliseerd te worden. Al in een vroeg stadium voorspelt Th. Oostevaart in De Nieuwe Eeuw (31-8-1957) dat er wel stagnatie moet optreden bij de aanvaarding van Schierbeeks werk. Doordat Schierbeek ongeveer als enige ‘pröezie’ schrijft, neemt het institutionaliseringsproces aanmerkelijk meer tijd: ‘Het kan een kwestie van naamgeving lijken, maar het gevolg is dan toch maar, dat werk als dat van Schierbeek geïsoleerd blijft; noch als proza noch als poëzie wordt bekeken; niet voorkomt in Atonaal; niet besproken wordt in een bundel als Tussen de regels van Rodenko en dus… moeilijk in brede kringen aandacht trekt.’
Nu kan men zich afvragen of de poëziebundels van de Vijftigers niet toch op de een of andere manier een voortrekkersrol hebben vervuld bij de aanvaarding van Schierbeeks experimentele proza. De experimentele poëzie die de Vijftigers hebben geschreven is namelijk redelijk snel geaccepteerd – volgens De Jager kregen zij al tussen 1950-1954 erkenning binnen het literaire veld. Men zou verwachten dat dit een positieve uitstraling heeft gehad naar het experimentele proza van Schierbeek. Maar het omgekeerde lijkt eerder het geval te zijn geweest.
Als Rico Bulthuis voor de Haagse Post (30-7-1955) De Derde Persoon bespreekt, merkt hij op dat er een relatie bestaat tussen Schierbeeks experimentele proza en de experimentele poëzie van zijn tijdgenoten: ‘Zijn verwantschap met de jonge, experimentele dichters is dan ook groter dan men wel aanneemt. De grens tussen proza en poëzie in onze hedendaagse literatuur is nu eenmaal niet altijd aanwijsbaar.’ De vergelijking die Bulthuis hier maakt met de experimentele dichters is, opvallend genoeg, eerder uitzondering dan regel. Mogelijk benam het prozaïsche karakter van Schierbeeks werk het zicht op overeenkomsten tussen beide genres. Feit is dat een dergelijke vergelijking relatief weinig wordt gemaakt. Als dat toch gebeurt dan hoofdzakelijk om te laten zien dat de kracht van Schierbeeks proza-experimenten ligt in het lyrische of om te betogen dat het eigenlijk een vorm van lyriek is. Gerrit Kouwenaar heeft zich als criticus daar fel tegen verzet. In zijn bespreking van De Derde Persoon stelt hij vast dat er een aantal experimentele dichters zijn, maar eigenlijk slechts één consequente experimentele prozaschrijver, te weten Bert Schierbeek, die dus een heel ‘genre’ in zijn eentje moet torsen. De veel gehoorde kritiek dat Schierbeeks proza in feite poëzie is, vindt Kouwenaar onterecht. De argumenten die Kouwenaar  daarvoor geeft en de termen die hij gebruikt, zijn kenmerkend voor de Vijftigers, in het bijzonder voor Kouwenaars eigen poëtica. Vrijwel ongemerkt wordt Schierbeeks proza ingelijfd bij de poëzie van Vijftig: ‘Men heeft Schierbeek meermalen verweten dat zijn proza eigenlijk een soort toegepaste (experimentele) poëzie is. Dat is niet waar, als maakt hij ongetwijfeld gebruik van poëtische elementen. Men zou zijn werk kunnen omschrijven als een poëtisch getinte ritmische epiek. Méér dan enige andere prozaïst tracht hij de volledige mens onmiddellijk in zijn woorden te vangen, d.w.z. niet door symbolische of psychologische trucages, maar door de taal weer een, ik zou haast zeggen: lichamelijke functie te geven. Op dit vlak ligt zijn nauwe verwantschap met de moderne dichtkunst’ (Vrij Nederland 4-6-1955).
Gewild of ongewild wordt het experimentele proza van Schierbeek als poëtisch betiteld. Maar vergelijkingen met de poëzie van de Vijftigers worden niet alleen uit classificatorische overwegingen gemaakt. Zij dienen er ook toe om aan te geven dat Schierbeek het hoe dan ook niet haalt bij Lucebert. Slechts een enkeling, zoals Rico Bulthuis in zijn bespreking van Een grote dorst voor de Haagsche Courant (27-8-1968), verdedigt hem op dit punt, maar dan nog. Bulthuis vergelijkt het poëtisch gehalte in Een grote dorst met de poëzie van Vijftig en komt tot de conclusie dat Schierbeeks experimenten soms ‘dezelfde hoogte [bereiken] als de beste stukken uit de bundels van Lucebert’.
 
3. Literair-historische plaatsbepaling
Zo zelden als er parallellen worden getrokken tussen het experimentele proza van Schierbeek en de experimentele poëzie van de Vijftigers, zo vaak wordt Schierbeeks experimentele proza tegen het licht gehouden van wat Historische Avantgardisten en Modernisten uit het interbellum aan experimenten hebben vervaardigd. Wat daaruit blijkt is dat vergelijkingen met gevestigde auteurs ertoe dienen Schierbeeks werk te classificeren naar zijn aard en kwaliteit. Zo schrijft de recensent van het dagblad Trouw (19-10-1951): ‘Het boek Ik van Bert Schierbeek is een experimentele roman, die, aansluitend bij Dadaïsme en Surrealisme, geschreven onder invloed van Franse en Amerikaanse auteurs als Michaux en Joyce, de raggae en bijna onnavolgbare gevoelens- en gedachtenreeksen van de mens tracht vast te leggen in notities en beelden.’ De hier genoemde aansluiting bij en invloed van avantgardisten en modernisten werd op de flaptekst met zoveel woorden genoemd. Evenals bij de generieke plaatsbepaling heeft Schierbeek wat betreft de literairhistorische positionering van zijn werk sturing proberen te geven. De flaptekst inzake de literairhistorische wortels van zijn proza-experimenten is door menig criticus geciteerd. Maar citeren betekent niet automatisch accepteren.
De vergelijking met Historische Avantgardisten en Modernisten, die Schierbeek zal blijven achtervolgen, is hoofdzakelijke gebruikt om hetzij de vraag naar originaliteit te stellen, hetzij een kwalitatief verschil vast te stellen. B. Stroman bijvoorbeeld staat zeer gereserveerd tegenover het gesuggereerde verband: ‘Het experimentele proza van Schierbeek “sluit aan bij Dada en Surrealisme” vertelt ons de omslag. Maar dan missen we toch de ideologische bezetenheid van Dada en l’ivresse lucide des opiomanes der surrealisten. Wat bij Dada en surrealisme de indruk laat van een bezetenheid, laat bij de experimentele schrijvers (en schilders) van na de tweede wereldoorlog de indruk na van moedwil. Een moedwil, die gewekt is door de schok van de (te) late ontdekking van het werk van schrijvers als Soupault, Kurt Schwitters, Hans Arp, Tristan Tzara, André Breton, Paul van Ostaijen, Joyce en de groep van Transition’ (Algemeen Handelsblad, 3-22-1951). In Het Vaderland van 15 maart 1952 reageert J. Greshoff eveneens op genoemde flaptekst en komt met deze voor Schierbeek harde conclusie: ‘Hij is, om te beginnen, in niet één enkel opzicht met Joyce te vergelijken. Van Michaux’ poëtische ongerijmdheid, Artaud’s verbijstering, Patchens vertwijfeling is hier niets, niet het allergeringste spoor, te bespeuren.’ Volgens Greshoff is Het boek Ik ‘oude kost en namaak’, ‘een halfgaar afkooksel van halfbegrepen buitenlandse gronddenkbeelden’. Zo zal het blijven doorgaan. Ab Visser signaleert in zijn bespreking van Het dier heeft een mens getekend eerst allerlei overeenkomsten met andere schrijvers waarna hij stelt dat deze in elk opzicht Schierbeeks meerdere zijn: ‘Maar het “proza” blijft overwegend een quasi surrealistisch en mystiek gebabbel. Er zit wat van de bijbel in, van de Maya-boeken en de Edda, er zit iets in van Meester Eckehart, van Henry Miller en van James Joyce en ga maar door, maar het mist de magistrale eenvoud en diepte van Eckehart, het mist de liefelijke helderheid van de Maya- en        andere heilige boeken, het mist de profetische allure van de bijbel en de kosmische bezetenheid van Miller en het is bepaald niet zo boeiend als Joyce’ (De Telegraaf, 28-12-1960).
Steeds weer vragen de recensenten zich af in hoeverre de proza-experimenten van Schierbeek aanspraak kunnen maken op originaliteit en steeds weer luidt het antwoord dat Avantgardisten en Modernisten Schierbeek voor zijn geweest. In zijn bespreking van Een grote dorst voor De Gooi- en Eemlander (27-7-1968) mekt Hans van Haaren op dat Schierbeek zich bedient van een typografie ‘à la Paul van Ostaijen, afgewisseld door gekke prentjes. Paul van Ostaijen betrok in zijn bundel Bezette Stad nadrukkelijk de (toen!) opzienbarende typografie in zijn experimenten, zijn poëzie-experimenten. Maar de bundel is een kleine 50 jaren oud, experimenteel kan men dat typografische gedartel niet meer noemen, in 1968.’
Dat Schierbeeks proza-experimenten in het verlengde liggen van soortgelijke experimenten die eerder zijn gedaan in het buitenland laat de mogelijkheid onverlet om ze voor Nederland als nieuw te bestempelen of het eigene van Schierbeek ervan in te zien. Soms lijkt het er hier en daar op dat hem zelfs lof wordt toegezwaaid voor zijn originaliteit. Maar het blijven enkelingen die oog hebben voor de eigen inbreng van Schierbeek, zoals bijvoorbeeld Michel van der Plas, die in Elseviers weekblad (1-9-1951) zijn recensie van Het boek Ik opent met de woorden: ‘Is de experimentele roman in Nederland iets nieuws?’ en op deze vraag antwoordt dat het in Nederland nog ontbrak aan ‘het hyper-individualistische weergeven van eigen, in een wirwar opkomende gedachtenreeksen en fantasie-sprongen van een extra-realistisch karakter. Wat hier nog ontbrak was een James Joyce van Ulysses en Finnegans Wake, maar ook de René Crevel die in de twintiger jaren een roman publiceerde die uit weinig minder bestond dan uit oneindige herhalingen van de woorden “je” en “moi”.’ Daarnaast is een criticus als H.A. Gomperts van mening dat Schierbeek in Het boek Ik een persoonlijke invulling heeft gegeven aan een ‘Surrealistisch experiment’ (Het Parool, 25-8-1951) en ook Rico Bulthuis vindt dat Schierbeek een eigen stempel op de proza-experimenten heeft gezet. In Een grote dorst herkent hij weliswaar Joyce en Van Ostaijen, maar dat leidt bij hem niet automatisch tot een negatief waardeoordeel: ‘Op het eerste gezicht lijkt hij een epigoon te zijn van James Joyce of van Paul van Ostaijen. En wie zich op de typografie verkijkt waarin Bert Schierbeek zijn vreemd poëtisch proza laat drukken, komt in de verleiding om het dan daar maar bij te laten. Wie zich echter verdiept in Schierbeeks werk – alle hulde voor de onverschrokkene die dat volhoudt – moet erkennen dat Bert Schierbeek een geheel eigen weg volgt om de werkelijkheid achter de magie van het woord te ontdekken’ (Haagsche Courant 27-8-1968). Maar onder de critici overheerst de overtuiging dat Schierbeek met zijn experimentele proza niet vernieuwend is en dat hij in dit genre zijn meerdere moet erkennen in Joyce en andere Modernisten.
 
4. Citatenkunst
Menig recensent maakt melding van het feit dat veel van Schierbeeks boeken zijn opgebouwd uit citaten. Wat in het merendeel van de gevallen leidt tot een negatief waardeoordeel. Op uiteenlopende gronden. Allereerst omdat het werken met citaten niet origineel kan worden genoemd. James Joyce, T.S. Eliot en vele anderen zijn hem daarin voorgegaan. Vervolgens omdat het elitair zou zijn. De lezer wordt geacht de citaten te herkennen en de bronnen ervan te achterhalen, wat hem alleen lukt als hij een bepaalde opleiding heeft genoten. Typisch een staaltje van ‘gymnasiumcultuur’, heet het in de kritieken. Ten slotte twijfelt men aan de functie van die stortvloed aan citaten. Bij het herlezen van de in één band uitgegeven drie experimentele romans Het boek Ik, De andere namen en De derde persoon maakt P.M. Reinders een vergelijking tussen Schierbeek en Lucebert wat betreft hun gebruik van citaten. Schierbeek moet het duidelijk afleggen tegen zijn kunstbroeder. ‘De citaten en toespelingen voegen aan de tekst niets toe. Ze geven geen extra dimensie, ze reiken geen sleutels aan, ze resoneren niet mee. Daarin onderscheidt Schierbeeks proza zich van de poëzie van Lucebert of Ten Berge waar het doorzien van verwijzingen het gedicht wèl open kan leggen’ (NRC Handelsblad 2-2-1979).
Op elk van de genoemde punten van kritiek is weerwoord gekomen, zij het uit kleine kring. Dat Schierbeek in de lijn van Modernisten en Surrealisten werkt, sluit een eigen inbreng van de auteur niet uit, menen critici als Gomperts en Bulthuis, en dat Schierbeek citaten gebruikt is nog geen bewijs voor elitarisme, betoogt Riekus Waskowsky in een lovende recensie over Een grote dorst. Daarin vergelijkt hij Schierbeek met Ezra Pound. Schierbeek onderscheidt zich wat betreft het gebruik van citaten juist van deze Modernist, meent Waskowsky: ‘Bekijken we een tekst van dichter-prozaïst Bert Schierbeek dan zouden we in de verleiding kunnen komen er een soort geleerde canto in de traditie van de Amerikaanse dichter Ezra Pound in te zien. Immers, evenals bij Pound en navolgers vindt men in het werk van Schierbeek een stortvloed van citaten uit de wereldliteratuur.’ Er bestaat in de ogen van Waskowsky echter een belangrijk verschil met Schierbeeks beroemde voorganger. Terwijl Pound een appèl deed op eruditie van de lezer – het herkennen van citaten is noodzakelijk om een tekst te begrijpen – doet Schierbeek dat niet. Het al dan niet herkennen van een citaat is van ondergeschikt belang: ‘Schierbeeks werk lijkt mij naoorlogs democratisch. Géén Ezra Pound (een laatste waanzinnige poging om het eruditiespel-voor-elites te redden), maar ondanks de vele citaten uit “geleerde” bronnen: poëzie voor iedereen. Om dit laatste te begrijpen kan men gewoon blijven closereaden maar zonder de vooronderstelling dat de dichter een charlatan is. Men gaat dan nauwkeurig na hoe Bert Schierbeek zijn taal gebruikt, en is het effect ervan dat het herkennen van de afzonderlijke stemmen in het geheel een kwestie van toeval wordt, dan zal dat ook wel de bedoeling zijn’ (NRC 21-9-1968).
Later zullen diverse recensenten die affectie hebben met het experimentele proza in het algemeen en dat van Schierbeek in het bijzonder, een functie toekennen aan die ‘stortvloed van citaten’. In zijn bespreking van Weerwerk voor De Groene Amsterdammer (23-11-1977) beargumenteert J.F. Vogelaar dat hij dit werk van Schierbeek beter vindt dan het vorige omdat de gigantische hoeveelheid divers taalmateriaal, waaronder citaten, volgens een bepaald principe is geordend. J.F. Vogelaar, Anthony Mertens en Cyrille Offermans plaatsen Schierbeeks werk binnen een intertextueel kader. In De Groene Amsterdammer (van respectievelijk 23-11-1977 en 19-12-1979) geven laatstgenoemden toelichting bij de meerstemmigheid, de opzettelijke nevenschikking van tekstfragmenten en het anti-hiërarchische karakter dat de boeken van Schierbeek kenmerkt en dat tegelijkertijd diens visie op de werkelijkheid is. Ook Graa Boomsma bedient zich van dit kader als hij in De Waarheid (25-1-1983) naar aanleiding van Binnenwerk over Schierbeek en diens visie op de mens schrijft: ‘De mens is een mozaïek, een collage van begin tot einde. Ook wat hij leest, of dat nu Roland Barthes, William Gaddis of Octavio Paz is, woekert in hem door en komt er op een gegeven moment weer uit.’
 
5. Acceptatie
In zijn bespreking van Een grote dorst merkt Cees Buddingh’ op dat de verwarring rond het genre waartoe Schierbeeks werk hoort, er mede de oorzaak van is dat het weinig gehoor heeft gevonden : ‘Nederlanders weten altijd graag waar ze aan toe zijn – en de lezer van Het Boek Ik en latere werken van Schierbeek, o.a. De Andere Namen, De Derde Persoon, De Gestalte der Stem, Ezel mijn Bewoner, wisten vaak niet of het nu poëzie was dat de auteur hen voorzette of proza. De mensen zeiden: proza, maar de verwarring nam weer toe, toen Schierbeek voor deze “prozaboeken” de poëzieprijs van de gemeente Amsterdam kreeg. het leidde tot min of meer blijvende verwarring, een verwarring die er ooraak van was dat er over Schierbeek weinig of niet werd geschreven, terwijl zijn boeken toch – heel terecht – een zeer trouw publiek vonden (…)’ (Algemeen Dagblad, 10-8-1968). Dat er weinig over Schierbeek werd geschreven, valt moeilijk vol te houden als men afgaat op het aantal recensies dat zijn boeken hebben gekregen, ook later. Wat dat betreft, kan men zelfs stellen dat zijn experimentele proza integraal is aanvaard.
In de loop der tijd is aan veel voorwaarden voor acceptatie voldaan. Veel aandacht in de pers. Kadrering van het experimentele proza door op dit terrein deskundige recensenten. Acceptatie van de kant van critici die bij voorkeur iets anders lazen dan dit type teksten, wat volgens De Jager (1992: 81) sterk bevorderend werkt voor het canoniseren van literatuur. Een criticus als Tom van Deel bijvoorbeeld die de prozaexperimenten uit de beginperiode, zoals Het boek Ik, nog te retorisch vond, noemt de trilogie Weerwerk, Betrekkingen en Binnenwerk ‘aantrekkelijke lectuur’ en het bewijs dat dit type proza ‘allerminst onleesbaar’ hoeft te zijn (Trouw, 6-1-1983).
Er kan zelfs worden gesproken van een toenemende waardering voor het experimentele proza, met name op het punt van de humor daarin, een waardering die niet alleen afkomstig is van wat men noemt ‘partijgangers’. Cees Buddingh’ en Riekus Waskowsky hebben er al vroeg oog voor gehad. In de jaren zeventig en tachtig begint een groot aantal recensenten met uiteenlopende opvattingen over literatuur plezier te beleven aan het intertextuele spel en de humoristische kanten van Schierbeeks werk. R.A. Cornets de Groot en Wam de Moor wijzen op het humoristische in Inspraak, in respectievelijk Het Parool (9-1-1971) en De Tijd (13-2-1971), Graa Boomsma meent in De Waarheid (4-3-1980) dat er aan Betrekkingen ‘veel lol te beleven’ valt, Alfred Kossmann noemt hetzelfde boek ‘vermakelijk’ (Het Vrije Volk, 7-3-1980), Cyrille Offermans spreekt in De Groene Amsterdammer (22-6-1988) met betrekking tot Door het oog van de wind over ‘een niet aflatend gevoel voor humor’ en Anthony Mertens wijst op het humoristische karakter van Binnenwerk (De Groene Amsterdammer 23-2-1983). Het latere experimentele proza werd bovendien als minder gecompliceerd ervaren dan dat uit de beginperiode. Al die aandacht in de pers, die kadrering door deskundigen en die waardering voor bepaalde facetten uit het experimentele proza van de jaren zeventig en tachtig hebben er echter niet toe geleid dat dit latere werk is geïnstitutionaliseerd. Van Schierbeeks proza-experimenten zijn juist de publicaties uit de beginperiode op redelijk grote schaal geaccepteerd, in de zin dat zij door meerder instituties, waaronder het literatuuronderwijs, zijn opgenomen. Dit alles in weerwil van de kritiek die grote moeite bleek te hebben met de generieke plaatsbepaling van deze proza-experimenten en die bij de literairhistorische positionering ervan tot de conclusie kwam dat het Schierbeek ontbrak aan originaliteit en kwaliteit.