De hoogspanningsincarnatie

Toen ik nog snel de kabels van het dak wilde rukken

bloeiden er handen gilden er kaken werd ik haast gegrepen

afgehouden van dit leven

O stroomkanalen O teugels van de triomfwagen

jullie bedekken me met glitter dossen me kakelbont uit voeden

mijn schedelnaad er zingt een schreeuw in de lucht

boven onze dans je ramt het me met boerderijen

die je aan en uit duistert gevoelloze afzichtelijke sterke vriend

Tooma en Geehi tieren en gonzen dwars door me heen

rotsen vurige staarten damwanden koortsbomen zwenken

door me heen naar het duister ik verstamp ze flitsend

met de zwaarden van mijn voeten

bergen ontvang ik

die me cirkelend omringen Crackenback Anembo

de Fiery Walls ik ben een voltreffer in steden

waar ik nooit ben geweest: rook stijgt op gloeilampen knappen grijze

platen haperen en vertragen ik doorploeg het gezicht van Mozart

en Johnnie Cash ik begraaf en polijst hun liederen

kraak koperen weerstanden en passchroeven in zekeringskasten

ik roep mijn Vriend aan vanuit het circuit van de mixers

klop slagroom voor een verjaardag ik onttrek de onsterfelijke

Onmenselijkheid aan ziekenhuizen

om te kunnen blijven swingen

en hier is Rigel in een handschoen van vlees

uit mijn besterde hand komt rook, de koude Engel.

 

Voertuigen op brandstof van de dood rijden huilend

onze straat in met lichten een duizendste van mijn blauwe

armen weerhoud mijn vrouw van mijn schoonheid van mijn soort

de juwelen aan mijn uiteinden

ik zou het aanvaarden haar te

hertrouwen in een blind wit huwelijk haar met weelde overladen

om het hart stil te zetten we zouden samen

de apachendans dansen roepen Disyzygie!

mensen, bescherm haar tegen me

tegen dit geluk dat ik brand van verlangen te delen deze aanraking

bliksemende lakenwagen stroomladder wildvuur tuin struik…

ver weg hoor ik de dreun van omgezette schakelaars

me verminderend terwijl het betekenisloze opkomt

over het net

de god gaat me verlaten

maar ik ben in de hoofdstroom gedoken besprong de grafieken

trok door de dromen van jongens met stekeltjes, Buzz geheten

en door de stollende muziek

naar het hoge kale oord

waar de vastgegespte rustelozen, hun witte kleren bevuilend,

voor een ontmoeting met de Tijdgeest komen

passie en dood mijn huid

mijn hart zuivere logica hier schitter ik

en moet wel dadelijk afslaan

na de heersende god te hebben gezien

Het die niets voelt Het die gebeden verhoort.

 

De brandende vrachtwagen

Voor Mrs. Margaret Welton

 

Het begon in de vroegte, met jachtvliegtuigen:

ze kwamen vanuit zee en stegen niet meer op,

hopten een voor een voor een over de zandbank,

zo snel dat het servies dat van mijn keukenplanken

trilde nog in de lucht hing

toen ze al weg waren.

 

Ze kwamen vanuit zee en trokken een vertraagde

golf van granaten over onze daken.

Vensters spuwden glas, een vrachtwagen ontvlamde,

de bestuurder sprong eruit, maar de wagen reed door,

waggelde monsterlijk groeiend onze voordeuren langs,

komend en komend…

 

Volgens elk recht en alle logica

waar we ooit van hadden gehoord moest hij wel stoppen,

een gebouw rammen, of uiteenvallen tot schroot,

alleen al door de hitte van het branden, want zijn hele

lichaam en inhoud werden verteerd

maar hij stopte niet.

 

En wij die onze plaats en onze gebeden kenden

grepen ons vast aan vensterbanken en balustrades

tussen onze tanden smekend dat die wagen

stopte, doorreed, verdween, strandde… maar ons bevrijdde

en zagen toen de wilde jongens van de straat

er achteraan rennen.

 

En onder hun gejuich kroop de vrachtwagen voort,

de voorruit smolt, in de kooi van de cabine

raasden gorilla’s van vlammen, en hij reed door

over de tramrails, langs de kerk en langs

de laatste verlichte vensters en toen de wereld uit

met zijn volgelingen.

 

Hanepootstruik

Ik word geleefd. Ik word gestorven.

Ik was drie maal tweebladig, en afgegraasd,

maar ten slotte vertwijgd en vermenigvuldigd,

scherpdoornig, verhout, benest en opgeschoten

in aardezout om zonnesuiker. Ik word binnenin bezongen

door lijsters die geen kijkend huid-ding hoeven te vrezen.

Ik kreeg de jaren bebloemd, bevinkt, mier-beklommen,

in nu eens minder bessen, dan weer wijd uitlopend

boven een krans van smeuige stralen mest.

Van water de krukas, de koppeling van gas,

is mijn vee-gesnoeide gestalte een brede kroon, ontsproten

boven het hongerbuik-instinct dat alles herschept

tot prairie. Op mijn stekels prikt de klauwier

de cariës van muizen en bedorven hagedissen.

Bladdiep daaronder worden zaadschreeuwkeeltjes gevuld.

In mij, berankt, vermenigvuldigd, wordt geleefd en gestorven.

 

Slak

Aan zijn omgekeerd zeilende scheepsadel,

aan zijn innerlijke geslachten, de opalen

spikkels op zijn slippen, aan de levenslange

zuigkus van zijn kantelende voortbeweging,

aan zijn viskeuze optiek, nu eens uitgestulpt

dan in een oogwenk verschrompeld, aan de richels

die het voedselpad afraspen en aan de

plofschelp, in zijn nis van droogte,

een afscheiding, regenwormspiraaltjes, het glibberige

en door haast even ver in de tijd terug

als vooruit te wijzen, een naar binnen gevouwen kust,

door te koken op zout maar ongedeerd over de kling

van een scheermes te gaan, door het oligoceen

onder blad te verbergen zij deze en iedere slak zich steeds

als ornament van het levensweefsel bewust.

 

Alsof je gestapeld water duwt

Verdroogde nesten bleven achter in de overhangende armen

waar in draaikolken de stroom haar eieren uitbroedde.

Als is angstloze, mildere liefde. Als biedt meer ruimte.

 

Tot bijna bij de deur bulderde de vloed

als een taxiënd vliegtuig. Vloog de hele dag voorbij.

Nu is de beek gezakt tot de kleur van gerst

haar tot haar middel, hem tot zijn borst,

draagt brilleglazen om hen heen, trekt amper.

 

Onder registers van dode pijpen in levende

takken gaan ze weer verder. De bodem

is de verzonken zandige veeweg die ze kennen,

maar koel verborgen en magisch wegvloeiend

bij elke stap, nog steeds in beweging.

 

De brede beek is een zaal van bomen versierd

met verdronken tabakskleurige linten,

met nerveus kibbelende vogels, met verdorde slangen

overal boven de deuropeningen.

 

Ze wagen zich verder. Als de stam waar ik onder

water op loop nou de mast is van

zo’n schip van vroeger… Jute tinten

sijpelen uit dwarszalingen omlaag

 

en de wiegende waterlijn, als vleugels,

handschoent op en neer langs hun lichaam,

pompt ondersteuning voor hun wankele planetenstappen.

 

Ze hebben een haak en een stuk lijn

om een blauwe fles, nog van een zilte vakantie.

Ze hadden een arme worm en automatische krekels in een potje

maar ze vonden het niks om nu te vissen.

 

Vandaag gaan ze liever op avontuur

tot voorbij de plek waar de uitgeholde oever

die bottelende geluiden maakt, en de bek van de ijsvogel

als het gewicht is waardoor hij geworpen wordt

en rechtuit vliegt.

 

Nu duwen ze opgestapeld water voor zich uit.

Het is als beddelakens van buigzaam ijs tot hun

borst en kin gestegen. Ze lopen nog net op hun tenen

onder al die witte davits van de wildernis.

Maar aangekomen bij het eiland, dat als de pupil is

van een uitgestrekt oog, gieten hun kleren water

als zware kettingen uit. Ze zwoegen, en worden lichter

bij het aan land gaan. Dit alles is als het verleden

maar niets ervan is droevig. Het gaat nooit voorbij.

 

Op zijn vijftiende staat het een portret toe in regel-scanning

Hij heeft nog steeds een licht ‘Martiaans’ accent, uit de tijd van de korte zinnetjes.

Hij omarmt niet meer om te ontwapenen. Het staat hem geleidelijk genegenheid toe.

Het kent geen proporties. Verdriet is absolúut, gillend en drijft hem uitzinnig door knallende deuren.

Hij houdt van cyborgs. Hun zwijgzame kracht, met zijn typische stembuigingen.

Het drijft hem nog steeds door het huis, kirrend en lachend, in zijn eentje in het donker.

Hij kan over grondsoorten lezen, over bevolkingen en over Nieuw-Zeeland. Bij neutrale onderwerpen is hij analfabeet.

Arnie Schwarzenegger is een acteur Hij is niet echt een cyborg, hè, pap?

Hij woont op zestien hectare, met dieren en bomen, en vroeger was hij die constant aan het tekenen.

Hij kent de wereldkaart van de vruchtbare gronden uit zijn hoofd en tekent hem uit de losse hand.

Liegen kan hij alleen met een panische schreeuw: SorrySorryIkhebhet nietgedaan – om conflicten met zichzelf en anderen te bezweren.

Toen hij nog voortdurend wegliep, ging hij meestal naar de groenteboer om er het uitgestalde fruit te vereren.

Hij klauterde kraaiend over de domme Freudiaanse psychiater die ons wist te vertellen dat autisme het gevolg is van ‘ijskast-ouders’.

Zijn lievelingsland was de Oekraïne: daar heb je overal diepe, vruchtbare aarde.

Als je hem vraagt te glimlachen, fotografeert hij een starre grimas op zijn gezicht.

Het verbood hem heel lang naar realistische films te kijken. Die waren alleen voor volwassenen.

Als ze (dat wil zeggen: hij) stout zijn, dan stopt de politie ze in het ziekenhuis.

Soms tekende hij de boerderij tussen Chinese of Balinese rijstterrassen.

Toen hij een keer was weggelopen, zette hij het politiebureau op stelten door alles drie keer zo snel te doen als een volwassene.

Alleen tekenfilms waren toegestaan. Who framed Roger Rabbit maakte de weg vrij voor de rest.

Wanneer je iets tegen hem zei, vatte hij dat op als een les en herhaalde het.

In de tijd dat hij fruit vereerde, krijste hij alsof hij vergiftigd werd als hij het op zijn bord kreeg.

Een eerste gesprekje, met één woord: Audo. -Ja, auto! Goed zo, schat! -Audo.

Hij vergeet niets en herinnert zich het specifieke karakter van elke ervaring.

Het vereist duidelijke regels: Stelen, is dat echt heel slecht, net zo stout als moord?

Hij telt in één oogopslag, zonder te kijken. En hij is nooit verdwaald.

Toen hij uitsluitend noten en gedroogd fruit wilde eten, waren woorden alleen voor noodgevallen.

Hij was al begonnen te praten en verviel toen opnieuw in gebrabbel. Het ontnam hem jarenlang zijn spraakvermogen.

Hij kent alle hoenderrassen en alle graafschappen van Ierland uit zijn hoofd.

Is dat erg autistisch, overdag videospelletjes spelen?

Hij is een ware spiegel van alle woede in zijn nabijheid, die hij uitvergroot en tierend tot bedaren dwingt.

Het staat hem nog altijd geen vers fruit toe, en ook geen sinaasappelsap met vruchtvlees erin.

Midden in de winter zwom hij ‘s nachts in de vijver. Het kende geen regels op het gebied van kou.

Hij was doodsbang voor de donder en jammerde ten slotte bij wijze van verklaring: Het… boos!

Hij roosterde een ei tussen twee boterhammen. Een gedachtenwisseling over grondsoorten heette ‘landpraten’.

Hij leeft in pure objectiviteit. Toen ik leed aan een gezichtsverlamming wist ik pas zeker dat ik genas toen hij zei dat hij verbetering zag.

Zeg woord niet! verbood hij toen hij acht was het woord ‘autistisch’ in zijn bijzijn.

Op plagende vragen over vriendinnetjes reageert hij met een dodelijk verschrikte blik en handen tegen zijn oren.

Soms situeerde hij de boerderij tussen de geploegde akkers van een Amerikaans Mid-Westen.

Oogcontact, mam! betekent dat hij echt de aandacht wil. Het houdt niet van ik-contact.

Hij is billijk en vriendelijk en alleen een klein beetje jaloers. Het was een opluchting toen we dat beetje merkten.

Hij surft, kegelt, maakt kilometerslange wandelingen. Als hij hardloopt laat hij al heel lang zijn linkerarm niet meer hangen.

Ik moet slim worden! En ziet de jaren angstig tegemoet. Ik moet slim worden!