Kerkhof van Olena

 
 

De levenden weg naar de stad.
Je kijkt door hun huizen heen:
ramen allang zonder glas,
deuren afwezig. Steen
waaraan zelfs de ruimte is ontsnapt
die verleden heet.

De doden achtergebleven
binnen het scheve hek
van het kerkhof half in het bos.
Tijd heeft de sleutel weg-
gemaakt van het dichtgeroest slot.

Doder kun je niet zijn.
Geen mens met een plastic boeket
knielt in het zand, zet het verzakte
kruis met je naam recht.

 
 
 
 

Landschap met vader

 
 

Languit ben je de heuvels
geworden hier, de bruine
hellingen met stoppels van struiken,
de gladgewaaide breuken

in je voorhoofd van grijze steen.
Een okeren dorp in je wang.
De olijfgaard in je handpalm
groeit over je vingers heen.

Nu is het een warm seizoen
boven je voeten. Pluizige
wolken dragen koelte
aan voor de avond. Koerend
verbergen slaperige duiven
zich in de rand van je haar.

Als de regen komt deze winter
gaat je oog langzaam open:
een klare vijver in de droge
kom van de zomer. Kinderen
spelend voorovergebogen
kijken in je binnen.

Wat een verbaasd landschap. Vast
had je zelf ook niet gedacht
dat je zo stil was.