VOOR ZIJN TAFEL deelt zich alles, glijdt aan weerskanten langszij, spoelt voorbij zijn stoel en sluit zich achter de leuning weer aaneen. Ultima insula – een miniem houten wingewest, dat op hetzelfde ogenblik dat hij zijn stoel terugschuift en opstaat, wordt aangevreten en binnen een paar tellen verzwolgen is. Waar de tafel stond, is nu een kabbeling. Trage golfslag; op zijn duizend schubben het licht van een loden hemel. Geen wind. Er is niets. Er is alleen de loop der dingen, waarop lege flessen deinen en oude schoenen. Minder dan niets. Maar een handgebaar zal voldoende zijn om dat onverwrikbare oppervlak te doen openvouwen, en onaandoenlijk als altijd zal zijn tafel oprijzen. Als het blad is drooggevallen, zal hij de stoel naar zich toetrekken en gaan zitten.
 
 
HIJ WOONDE BIJ de Spaanse Trappen achter een smal raam. De laatste jaren was hij slecht ter been en volstond hij met te kijken: miljoenen stappen, afgedwongen door een loze plooiing van de aardkorst. De trap. Sommigen zagen er de marmeren kam in van één van de reuzehagedissen waarop Rome was gebouwd. Met dat soort willekeur had hij nooit veel opgehad. Moeilijk boog hij zich voorover en opende het raam. Meteen werd de lucht dikker, korrelig. Het glas op de tafel, de staande klok, de kleine blauwe vaas – voor zijn ogen begonnen ze zich van hun contouren te ontdoen, om weer te naderen, leek het, tot datgene wat hun maker in hen gezien moest hebben. Ingeklemd tussen accolades van licht stonden ze daar en toonden hun kern, zwart en cursief. Of was het juist hun ontkenning, die daar olieachtig traag over tafel kroop, vervloeide tegen de gesprongen, grijzig witte muur? Voor even lieten ze hun waakzaamheid varen, de starheid, die ‘s nachts zo benauwend kon zijn. Wie niet geregeld wakker lag, zou nooit het palet kennen dat ook het zwart bezat. Maar dit zwart… Hij knikte tevreden en richtte zijn blik weer op de zonbeschenen trap: l’ora metafisica.