Waar heb ik mijn pen toch? Net lag hij nog hier op mijn tafel en nu is hij weg. Een pen heeft toch geen pootjes, hij kan toch niet weglopen? Net lag hij nog hier. Als ik nu nog maar wist waar ik hem gelegd had, maar dat ben ik vergeten. Ach ja, natuurlijk, hoe kon ik zo dom zijn: ik schrijf ermee!

Heb jij dat ook wel eens? Dat je naar je muts loopt te zoeken terwijl je hem op je hoofd hebt, of naar je schoenen als je ze allang hebt aangetrokken?

Ik ben vreselijk vergeetachtig. Vroeger niet, toen herinnerde ik me alles, maar tegenwoordig! Het is vreselijk! Maar dat is allemaal nog niets vergeleken bij de man waarover ik je iets wilde vertellen.

De man waarover ik je iets wil vertellen was de vergeetachtigste man, die ik ooit ontmoet heb. Het was een wonder, zo vergeetachtig als die was. Hij heette Schaap, meneer Schaap.

Ik leerde hem lang geleden kennen. Dat duurde drie jaar. Ik bedoel dat het drie jaar duurde voor hij mij kende. Want iedere keer als ik hem tegenkwam en zei: ‘Dag, meneer Schaap,’ dan zei hij: ‘Pardon, ik geloof niet dat ik de eer heb, meneer, ik ken u niet. Gaat u alsjeblieft weg. Loopt u door!’

Maar na drie jaar kende hij me eindelijk. Dat kwam zo.

Nadat hij me weer eens was tegengekomen en weer tegen mij gezegd had van: ‘Pardon, ik geloof niet dat ik de eer heb, meneer, ik ken u niet,’ pakte ik hem bij zijn jas en zei:

‘U kent mij wel. Ik kom u iedere dag op straat tegen, maar u herkent mij niet. U moet wel een heel slecht geheugen hebben.’

Meneer Schaap knikte. Hij zuchtte. Je kon zien dat hij het verdrietig vond dat hij zo’n slecht geheugen had.

Ik had medelijden met hem. Daarom zei ik:

‘Weet u wat. Ik geef u een foto van mij. Als ik u dan weer tegenkom en u gedag zeg, dan haalt u uw portefeuille tevoorschijn. U kijkt naar mijn foto en dan herkent u mij zeker.’

Dat was een goed idee. Meneer Schaap was erg blij en ik gaf hem een foto van mij.

De volgende dag kwam ik hem op straat tegen. Hij droeg een wollen muts, want het was koud. Het vroor. De kinderen schaatsten op de grachten. Door die wollen muts, een blauwe, had ik hem bijna niet herkend.

‘Hé, hé, meneer Schaap,’ riep ik.

Meneer Schaap bleef staan en draaide zich verbaasd om.

‘Pardon,’ zei hij, ‘ik heb niet de eer…’

‘De portefeuille,’ zei ik. En er kwamen van die mooie witte wolkjes uit mijn mond. Meneer Schaap keek ernaar.

‘Mijn portefeuille,’ stamelde hij en hij begon zenuwachtig in al zijn zakken te zoeken.

‘O hemeltje, mijn portefeuille, ik zal hem toch niet vergeten zijn?’

Ik schrok. Stel je voor dat meneer Schaap zijn portefeuille vergeten was. Dan was mijn plannetje met die foto nog helemaal voor niets. Maar gelukkig, daar was hij, een hele oude bruine versleten portefeuille.

Ik zei: ‘In uw portefeuille zit mijn foto.’

Meneer Schaap keek mij aan alsof hij het in Keulen hoorde donderen.

Hij sloeg zijn portefeuille open en warempel: daar zat mijn foto.

‘Vreemd,’ mompelde meneer Schaap, ‘zeer merkwaardig. Nog nooit eerder gezien.’

‘Helemaal niet merkwaardig,’ riep ik vrolijk. ‘Ik heb hem u zelf gegeven, gisteren.’ En ik legde hem uit wat we afgesproken hadden.

Meneer Schaap lachte. Hij zei:

‘Ik herinner me er niets meer van, maar ik vind het toch leuk van u.’

 

Vanaf die dag ging het altijd hetzelfde als ik meneer Schaap tegenkwam. Ik riep: ‘Dag, meneer Schaap, of hé, meneer Schaap, of waar gaat u zo laat naartoe meneer Schaap.’ Dan draaide hij zich om, keek mij aan, begon met: ‘Pardon, ik geloof…’ en dan riep ik triomfantelijk:

‘De portefeuille! De foto, meneer Schaap!’

En dan lachte hij. Zo ging het iedere keer.

Vandaag – het is weer winter en meneer Schaap draagt nog steeds een muts, maar nu een rode – zei hij:

‘Laten we samen ergens een kop erwtensoep gaan eten. Niets is lekkerder dan een warme kop erwtensoep eten als het winter is.’

We gingen in een restaurant zitten, vlak bij het raam.

En toen vertelde meneer Schaap mij zijn levensgeschiedenis.

 

‘Laten we bij het begin beginnen,’ zei hij. ‘Als klein kind vergat ik al veel en daarom dachten mijn vader en moeder dat ik een slordig kind was.

Ze zeiden altijd: André – want zo heet ik, André – ruim je rommel toch op. Laat toch niet altijd alles slingeren. En dan moest ik eerst gaan zoeken waar ik iets had laten slingeren, want dat was ik natuurlijk vergeten. Op school vergat ik ook alles. Maar omdat ik ook vergat dat ik bleef zitten, had ik het er toch leuk. Ik ging nooit over en toen ik twaalf jaar was had ik niets geleerd. Andere kinderen gingen verder leren, op andere scholen, maar ik hoefde niet verder te leren want ik had immers helemaal niets geleerd. Ik speelde buiten. In de buurt waar ik woonde woonden ook veel honden. Dat waren mijn kameraadjes. Hele dagen trok ik er met hen op uit, de bossen in, of dwars door de weilanden. Gelukkig dat die honden een goede neus hadden. Ze roken altijd de weg naar huis. Want anders was ik allang verdwaald.

Op een dag kwam ik thuis. Of nee, ik kwam juist niet thuis. Ik kwam bij een huis. De honden brachten mij erheen. Ze bleven staan en kwispelstaartten in de richting van de deur. Hier woon je, dat wilden ze zeggen. Ik keek naar het huis en ik schudde mijn hoofd. Ik herkende mijn eigen huis niet meer.

Toen ben ik de wijde wereld ingetrokken. Overal ben ik geweest, in Londen, in Parijs, in Bangkok en Tokio, maar omdat ik me niets herinner van wat ik gezien heb, ben ik ook eigenlijk nergens geweest. Nu ben ik hier,’ zei meneer Schaap, ‘en eet ik erwtensoep. Lekker.’

Meneer Schaap nam een paar happen van zijn erwtensoep, kauwde een stukje worst fijn en ging verder:

‘Het werd steeds erger, dat vergeten van mij. Ik ging er mee naar de dokter. Maar toen ik bij de dokter was, om een drankje of een poedertje tegen mijn vergeten te vragen, was ik vergeten wat ik vragen moest. De dokter onderzocht mij, maar hij kon niets vinden. “U bent kerngezond,” zei hij. “Gaat u maar weer.”

Op een dag werd ik wakker. Maar omdat ik meteen weer vergat dat ik wakker was, stond ik niet op. Tot ik zo’n honger kreeg dat ik mijn bed wel uit moest. Maar natuurlijk was ik vergeten iets in huis te halen of was ik vergeten waar ik dat had neergelegd. Dus ging ik de straat op. Ik ging een grote winkel in, een supermarkt. Daar lagen een heleboel dingen, maar ik was vergeten welke dingen je eten kon en welke niet. Ten slotte kocht ik maar iets. Het was een houten stokje met haren aan het uiteinde. Ik beet erop, maar het smaakte niet lekker en aan de gezichten van de mensen op straat kon je zien dat het niet om te eten was. Ten slotte gaf ik het maar aan een heel klein vrouwtje, met een hoog piepend stemmetje. Ze noemde het ding “afwaskwast”. Ik wist niet dat er zulke kleine mensen bestonden. Verderop in de straat zag ik er nog meer: allemaal kleine mannetjes en vrouwtjes in vrolijk gekleurde kleren. Ze speelden in een zandbak en ze hadden veel plezier. Ik vond ze veel leuker dan de mensen die ik kende en die net als ik groot waren. Maar toen het avond werd kwamen er van die grote mensen. Ze noemden de kleine mensen “kinderen” en zeiden dat ze naar bed moesten. Weer was ik alleen.

 

Toen ging ik naar een ander land. Op een avond zag ik, heel in de verte, op een heuvel, licht branden. Overal stonden grote borden met het woord Koningsslot erop. Ik wist niet wat dat betekende. Ik liep maar door. Ten slotte kwam ik bij een groot hek. Er stond een soldaat.

“Halt,” riep de soldaat. “Wat wilt u?”

“Ik wil niks,” zei ik. “Ik ben meneer Schaap.”

“Hier komen geen schapen in,” riep de soldaat, die dacht dat hij de leukste was thuis.

“De koning heeft zorgen,” zei de soldaat en er sprongen tranen in zijn ogen.

“O ja,” zei ik. “Hoe komt dat?”

“De wijze raadsman van de koning is dood. En nu heeft hij niemand meer om hem raad te geven in al die ingewikkelde zaken die een koning moet oplossen.”

“Mag ik het eens proberen,” vroeg ik. “Ik heb wel niets geleerd, maar je kunt nooit weten.”

De soldaat aarzelde, maar zei toen, “nou vooruit, kom dan maar mee.”

De soldaat klopte aan.

“Wie is daar,” riep de koning vanachter de gouden deur.

“Ikke,” riep ik, “meneer Schaap.”

“Bèh,” riep de koning, die natuurlijk de leukste van het land was.

Ik ging naar binnen. Aan het eind van de zaal – want dat was het – zat de koning op zijn troon met een hand aan zijn hoofd. Je kon zien dat hij zorgen had.

“Mijn dochter wil trouwen met de Prins van Cocagne, maar ik heb haar al beloofd aan de Prins van Rapenland. Och, och, wat moet ik nu doen. Weet u het, meneertje Schaap. Als u mij toch eens zoudt kunnen helpen.”

“Waarmee,” vroeg ik, want ik was alweer vergeten wat de koning tegen mij gezegd had.

En de koning vertelde nog een keer over zijn dochter, die hij had uitgehuwelijkt aan de Prins van Rapenland terwijl zij wilde trouwen met de Prins van Cocagne.

En weer vroeg hij of ik hem niet helpen kon en weer antwoordde ik:

“Waarmee?”

“Zeg, ben jij doof,” riep de koning en hij werd rood van woede.

“Nee,” zei ik, “helemaal niet. Maar ik kan niets onthouden. Ik vergeet alles.”

“Wat lijkt me dat fijn,” zuchtte de koning. “Kun je mij dat ook niet leren? Nooit meer zorgen. Altijd vrolijk. Niets meer te onthouden. Hoera. Toe, leer het mij, meneertje Schaap.” En de koning begon zijn hele leven te vertellen. Ik zat naast hem en luisterde. Eerst vergat de koning zijn dochter, toen de prinsen van Rapenland en Cocagne, toen zijn land en toen vergat hij zelfs dat hij koning was. Ik liet hem alles vergeten.

Na een uur kwam de prins van Rapenland binnen. Hij vroeg toestemming om over een week met de prinses te mogen trouwen. De koning knikte.

Toen de Prins van Rapenland weg was, vroeg de koning aan mij: “Weet jij wie dat was?” Ik haalde mijn schouders op. Toen kwam de Prins van Cocagne binnen. Hij struikelde over de koninklijke loper en jammerde alsmaar. “O koning, wat hebt u nu gedaan, ik houd van uw dochter, ik wil met haar trouwen.”

“Beste jongen, je doet maar,” zei de koning, die geen flauw idee had wie die man was die daar voor zijn troon op zijn knieën lag te smeken. En dat hij een dochter had was ook nieuws voor hem.

Dat ging natuurlijk niet goed. Buiten kregen de Prins van Cocagne en de Prins van Rapenland ruzie om de prinses en het eindigde tenslotte met oorlog.’

Meneer Schaap had zijn erwtensoep allang op, maar hij ging toch door met eten. Steeds stopte hij de lege lepel weer in zijn mond en smakte hij met zijn lippen.

 

‘En toen,’ vroeg ik.

‘Toen ben ik het land uitgevlucht, hier naartoe. Ze zeiden dat ik moest gaan werken. Daarom ging ik in een fabriek werken. Maar omdat ik iedere week vergat mijn loon af te halen werd ik ontslagen. Zoiets geks hadden ze nog nooit meegemaakt, zeiden ze. Iemand die vergeet zijn loon af te halen!’

‘En toen,’ vroeg ik. ‘Wat deed U toen?’

‘Niets,’ zei meneer Schaap, ‘helemaal niets.’

‘Maar U moet toch eten,’ vroeg ik.

‘Eten?’ Hij keek mij verbaasd aan. ‘Wat is dat?’

‘Maar de erwtensoep dan?’ En ik wees op zijn lege bord.

‘Erwtensoep. Wat bedoelt U. Wie bent U? Pardon, ik heb niet de eer… Als U niet vlug maakt dat U wegkomt, meneer…’

En meneer Schaap wilde mij met zijn soeplepel te lijf.

Ik maakte dat ik wegkwam.

 

Die meneer Schaap. Wat een vreemde snuiter. Toch klopte er iets niet in zijn verhaal. Heb jij het ook in de gaten?

Als hij alles vergeten was, hoe kon hij dan nog weten dat hij op school geweest was, dat hij de wijde wereld in was gegaan en dat het zijn schuld was dat de prinsen van Cocagne en Rapenland nog altijd oorlog voeren om de Prinses, die dit jaar 86 wordt, en dus de oudste Prinses van de wereld is.

Misschien had hij mij voor de mal gehouden en het allemaal maar verzonnen. Misschien kon meneer Schaap wel niets anders dan alleen maar verzinnen. Want hij herinnerde zich immers niets van wat hij zelf had meegemaakt.

Terwijl ik over straat naar huis liep dacht ik, weet je wat, ik zal het verhaal van meneer Schaap opschrijven, want zelf is hij het toch al weer vergeten. En ik probeerde mij te herinneren wat meneer Schaap mij verteld had. Maar o hemel. Hoe was het ook weer. Ik merkte dat ik bezig was het hele verhaal te vergeten. Ik begon te hollen en te hollen!

Toen ik thuis was rende ik buiten adem de trap op, mijn kamer in, pakte een stuk papier en een pen en begon het heel vlug op te schrijven.

Hè, hè, ziezo, dat is klaar. Even doorlezen.

EEN VERGETEN VERHAAL. Waar heb ik mijn pen toch. Net lag hij nog hier op tafel en nu is hij weg.

Heb ik dat geschreven? Ja, dat moet wel, dat is mijn handschrift.

Nu, ik houd op met schrijven hoor. Ik ben veel te nieuwsgierig naar wat ik geschreven heb.

 

  • 1979