Schrijvers zijn doorgaans ook lezers en interessante schrijvers doorgaans interessante lezers. Als dan ook Alfred Jarry een lijstje geeft van de favoriete auteurs en boeken van zijn patafysicus Dr. Faustroll, dan maakt dat nieuwsgierig. De meeste namen op dit lijstje van uitverkorenen zullen de hedendaagse lezer – al dan niet vagelijk – bekend voorkomen. Het zijn veelal Franse dichters en schrijvers die inmiddels canonieke status hebben gekregen, dan wel achteraf worden beschouwd als typische fin de siècle figuren. Eén naam valt niet onmiddellijk thuis te brengen: die van een zekere ‘Darien’. Van hem wordt geprezen, in een even bloemrijke als duistere zinsnede, de ‘diamanten kronen van de boren door de Sint Gotthard’. De tekstbezorger legt in een noot uit dat dit verwijst naar de roman Le Voleur (1897) van de schrijver Georges Darien. Wie was deze Darien? Hij heeft het niet gebracht tot de eregalerij, maar hoort hij daarom thuis tussen verstofte, hoofdzakelijk nog door literatuurhistorici gelezen auteurs als Sâr Péladan, Gustave Kahn en Rachilde? Het antwoord luidt: nee.

Toen Le Voleur halverwege de jaren vijftig van de vorige eeuw opnieuw werd uitgebracht, kreeg het prompt een literaire prijs toegekend, een kleine vijfendertig jaar na de dood van zijn schrijver. Sindsdien is het boek met enige regelmaat herdrukt en tot op de dag van vandaag leverbaar. Het heeft de status van, wat in Engeland heet, ‘a minor classic’. Darien, pseudoniem van Georges-Hippolyte Adrien (1862-1921), was en is in zijn omgeving een eenling, en een ietwat ongrijpbare figuur. Ten tijde van de herontdekking van Le Voleur publiceerde de essayist Auriant een biografische studie over hem, maar daarin zijn veelvuldig de gaten groter dan het gordijn. Dat is niet te verwonderen, omdat Darien een teruggetrokken leven leidde en dat ook nog voor een deel in Londen doorbracht, ver van het Parijse literaire gewoel. Hij had bovendien de hebbelijkheid met jan en alleman ruzie te maken, waardoor de overgeleverde herinneringen aan hem nogal gekleurd zijn. Zijn temperament mag blijken uit wat hij een van zijn onfortuinlijke uitgevers in een briefje toevoegde: ‘Als u mijn boek niet vóór het eind van het jaar uitgeeft, breng ik u om.’ De uitgever in kwestie was er niet gerust op dat het de schrijver niet menens was.

Datzelfde temperament, in combinatie met een dodelijke tong, was er de oorzaak van dat Darien in militaire dienst veroordeeld werd tot drieëndertig maanden in een van de beruchte Noord-Afrikaanse strafcompagnieën. Over de mensonterende omstandigheden daar schreef hij het verslag waarmee hij bij leven het bekendst werd, Biribi (1890). Behalve de twee genoemde omvat Dariens oeuvre nog vijf andere boeken, een aantal toneelstukken, voor het merendeel ongespeeld gebleven, en enige honderden artikelen over politiek en maatschappij. Tweemaal was hij oprichter en hoofdredacteur van een eigen tijdschrift; geen van tweeën was een lang leven beschoren.

Anders dan vele van zijn tijdgenoten is Darien een zeer leesbaar auteur gebleven. Dat is verwonderlijk, want zijn romans, om ons daartoe te beperken, zijn onveranderlijk romans à thèse, een genre aan snelle veroudering onderhevig: wie op de huid van de tijd schrijft, weet dat zijn geschriften mét die huid verwelken. Dat Darien is herontdekt en nog gelezen wordt – enkele van zijn boeken zijn zelfs opgenomen in een populaire pocketreeks – is aan twee dingen te danken: passie en stijl. In zijn beste werk is een nauw bedwongen woede voelbaar, die niet gelucht wordt in loze verontwaardiging en verzuchtingen over de slechtheid van mens en wereld, maar neerslaat in een bijtend sarcasme. Glimlachen kun je niet om Darien, grimlachen des te meer.

De meeste van zijn boeken handelen over een specifieke kwestie: misstanden in het leger, de lafheid van de Fransen tijdens de oorlog van 1870, de dubbelhartigheid van enkele collega-schrijvers. Le Voleur daarentegen is algemener; het is een frontale aanval op de hele maatschappij, zoals die bestond ten tijde van de Derde Republiek. En uiteraard bewaart Darien zijn giftigste pijlen voor dat deel van de samenleving dat hij het beste kende, omdat hij er zelf uit voortkwam, de bourgeoisie.

Zes jaar voordat hij zijn Voleur publiceerde, had Darien een programmatisch artikel geschreven over ‘de anarchistische roman’. Daarin maakte hij korte metten met het merendeel van de contemporaine literatuur. De naturalistische dan wel socialistische roman met zijn eindeloze, sentimentele beschrijvingen van al lang bekende wantoestanden ontbrak het aan ideeën; de naar binnen gekeerde schrifturen van de l’art pour l’art-beweging bevatten wel ideeën, maar misten engagement. De ‘anarchistische’ roman moest hier uitkomst brengen: een levende en levendige literatuur van de daad die ánderen tot daden bracht. Zulke boeken moesten geschreven worden, maar Darien was realist genoeg om te voorzien dat ze, hoe explosief ook, uiteindelijk weinig vermochten tegen de ingeboren inertie van de samenleving. Schrijven was voor Darien een schrijven tegen beter weten in. Helaas heeft hij zijn artikel nooit voltooid, zodat we naar de concrete uitwerking, de middelen waarvan de anarchistische roman gebruik maakte, alleen kunnen gissen. Maar het lijkt een veilige veronderstelling dat Le Voleur als leidraad kan dienen.

Het boek bedient zich van een oeroude kunstgreep, het bij toeval gevonden manuscript. Darien neemt zijn intrek in een Brussels hotelletje, dat een uitvalsbasis blijkt te zijn van het dievengilde. Op zijn kamer vindt hij een tas met inbrekersgereedschap en een manuscript: de mémoires van een zekere Georges Randal. Hij leest het, neemt het mee en besluit het onder eigen naam te publiceren. Het boek dat de lezer in handen houdt, is dus zelf al het product van diefstal. Het is een van de spelletjes die Darien met zijn publiek speelt. Eerder had de eigenares van het hotel hem verteld dat hij als twee druppels water op monsieur Randal leek, en nog pikanter wordt het als we weten dat Darien af en toe gebruik maakte van het pseudoniem ‘Georges Brandal’. Naïeve lezers hebben daaruit geconcludeerd dat Le Voleur in hoge mate autobiografisch moest zijn; een vermoeden dat Darien, ongetwijfeld met sardonisch genoegen, nooit heeft tegengesproken. Want waarvan leefde Darien zelf, zijn schrijverij bracht zeker niet voldoende op, en hoe kwam hij aan zo’n gedetailleerde kennis van het dieven- en helersmilieu? Het antwoord op de eerste vraag luidt natuurlijk: dat is onbekend, en op de tweede: hoe weet de lezer, naar we aannemen zelf géén dief, of dat milieu werkelijk realistisch beschreven is? Darien stelt het inderdaad zeer overtuigend voor, maar er bestaat ook nog zoiets als literaire verbeelding. De schrijver speelt hier met de lezer, en dat raakt aan een van de thema’s van het boek: de mensen zijn (meestal) niet wat ze lijken te zijn.

Er gebeurt heel veel in Le Voleur, en het is ondoenlijk hier alle gebeurtenissen, plotwendingen en verrassende situaties na te vertellen. Vertrekpunt is de jeugd van Georges Randal, of liever de druk die op zijn toekomstige ouders wordt uitgeoefend om toch vooral een kind te nemen: aan wie anders moeten ze straks hun naam en geld nalaten? De ouders sterven jong en Randals voogd, oom Urbain, neemt het beheer van zijn vermogen op zich. Alles in dit boek staat in het teken van diefstal. In het geval van Randals opvoeding zijn dat de pogingen hem elke individualiteit te ontnemen en tot een doorsnee lid van zijn klasse te kneden. School, kerk en naderhand het leger werken daarin vereend samen. Als hij meerderjarig wordt, ontdekt Randal dat zijn oom hem bezwendeld heeft en er nog een maar klein deel van zijn fortuin resteert. Naar de wet valt zijn oom niets aan te wrijven en die ontdekking doet Randal besluiten voortaan óók als dief door het leven te gaan, maar dan, bij wijze van spreken, met open vizier. Wat volgt, is een leerschool in de dieverij, waarin Randal al snel een briljante leerling blijkt. Naar buiten toe is hij ‘ingenieur’, een prettig vaag beroep, maar in werkelijkheid inbreker. Zijn tips betrekt hij van kennissen van zijn potentiële slachtoffers, in ruil voor een deel van de buit. Het illustreert Dariens opvatting dat onderwereld en bovenwereld hoegenaamd niet van elkaar verschillen, maar zich alleen van andere middelen bedienen. Le Voleur wemelt van dergelijke cynische tournures. Mooi is bijvoorbeeld ook dat Randal, de gerespecteerde ingenieur, gevraagd wordt bijdragen te leveren aan een criminologisch tijdschrift. Een tijdschrift dat – dubbel cynisme – van een vaste afzet verzekerd is, omdat alle gevangenen in Frankrijk er verplicht op geabonneerd zijn: het abonnementsgeld wordt op hun schaarse inkomsten ingehouden.

Dariens personages zijn amoreel, waarbij het niet uitmaakt of ze nu tot de boven- of onderwereld behoren, en zó worden ze, zonder moraliseren, beschreven. Ze zijn ook tweedimensionaal, in zekere zin ‘types’: de louche industrieel, de dito notaris, de dito abbé, de dito politicus, de onbekommerde aborteuse, de cocotte met het gouden hart. Allemaal zijn ze verwikkeld in een darwiniaanse strijd om het bestaan, waarbij degene met de meeste scrupules het onderspit delft. Dat ‘platte’ van zijn figuren is Darien wel verweten, maar je kunt ook staande houden dat dat juist een kwaliteit is: ze hebben de stilering en openheid van stripfiguren, waarin de lezer zijn eigen kennis van de wereld projecteren kan.

Stripachtig zijn ook de middelen die Darien inzet om zijn verhaal te vertellen. Afwisselend is het Bildungsroman, schelmenroman en romanfeuilleton, waarbij Darien van dit laatste genre de schrille effecten steelt, met inbegrip van cliffhangers, prikkelende hoofdstuktitels en vaste nummers als ‘de toevallige ontmoeting’, ‘het onverwachte weerzien’, ‘de penibele ontsnapping’ en ‘de onvoorziene ontknoping’. Er is melodrama: Randal die op kerstavond (!) door Londen doolt, op zoek naar contant geld voor een dokter, terwijl zijn dochtertje met meningitis thuis ligt. Er is vaudeville: Randal die in een provinciehotel waar hij een kraak wil zetten van onder een bed een collega-dief te voorschijn ziet kruipen. Er is farce: terwijl Randal met de maîtresse van een aanstaande minister in bed ligt, komen diens getrouwen hem door de slaapkamerdeur herinneren aan gedane beloftes. Met dat al – of juist daardoor – is het boek ook zeer meeslepend. Op een paar rustpunten na, waar Randal met zijn kornuiten filosofeert over de kwalijke inrichting van de wereld, is alles met grote vaart opgeschreven. Beschrijvingen ontbreken nagenoeg, alles is handeling. Daarbij gebruikt Darien bijna doorlopend het praesens historicum en betoont hij zich een meester van de abrupte overgang. Het geeft zijn verhaal een bijna filmisch karakter.

Echte literatuur hoort natuurlijk niet spannend te zijn, en toch is Le Voleur ontegenzeglijk een literaire roman en geen colportage. Waarom? Ten eerste hanteert Darien weliswaar allerlei genre-effecten, maar hij doet dat met ironie, of beter, sarcasme. Het is nooit, om zo te zeggen, één op één, zoals bij Eugène Sue of de oude Dumas. Hij verleidt de lezer weliswaar, maar die verleiding is geen doel op zichzelf; wat hij wil, indachtig zijn programma voor ‘de anarchistische roman’, is dat de lezer zich afvraagt of hij wel in een wereld als de beschrevene wil leven, en zoniet, wat hij daaraan kan doen. Daarnaast is er Dariens stijl. Legio zijn de gelukkige formuleringen, de aforismen (op de middelbare school ‘lezen wij dode schrijvers die ons aansporen om te leven’), de geslepen aperçu’s (waarom heeft de bourgeois een hang naar de kust? Omdat hij daar de zee ziet werken, onvermoeibaar en zonder klagen, en zelf met de handen op de rug kan toekijken). Darien was, en ik moet het in commissie zeggen, maar het lijkt mij aannemelijk, een van de grote stilisten van zijn generatie.

Het bovenstaande kan alleen met enige aarzeling neergeschreven worden, sinds de literatuurcriticus David Bosc acht jaar geleden een opgewonden boekje publiceerde waarin hij op welhaast Darieneske wijze uitvaart tegen degenen die Darien alleen om zijn literaire kwaliteiten lezen. Het gaat om de ideeën, schrijft hij. Maar, valt daar tegenin te brengen, is het niet het lot van alle grote satirici dat ze achteraf meer om hun formuleringen dan om hun gedachtegoed gelezen worden? Wie maalt er nog om de ‘ideeën’ van Swift of Heine? Daarbij: zo uitzonderlijk waren Dariens ideeën niet. Hij evolueerde van anarchisme (met vele slagen om de arm) tot een nietzscheaans individualisme. Dat is het stadium dat hij in zijn Voleur bereikt had: Randal neemt uiteindelijk wraak op zijn oom door diens testament te vervalsen en zo diens hele vermogen in handen te krijgen. Daarna trekt hij zich terug uit de dievenwereld. Hij is een Individu geworden en gaat nu een onzekere, zij het materieel comfortabele toekomst tegemoet. Zijn manuscript laat hij als een oude huid achter.

Darien zelf werd in latere jaren een pleitbezorger van de Amerikaanse econoom Henry George, die alle heil verwachtte van een radicale belastinghervorming (de zogeheten Single Tax). Maar ook George en zijn ‘georgisme’ zijn inmiddels naar de vliering van de geschiedenis verhuisd. Geldt dat niet ook voor de Derde Republiek en de ‘sociale kwestie’? Jawel, maar cynisme en hypocrisie zijn van alle tijden, en zolang er dieven zijn, al dan niet beursgenoteerd, blijft Le Voleur een lezenswaardig boek.