Vooraf bij: Pierre Macherey en Etienne Balibar – Literaire effekten van het onderwijs

Het boek van Teun van Dijk gaat niet over literatuur, zoals hij in het eerste hoofdstuk zegt, maar over de manier waarop in onze kultuur over literatuur uitspraken worden gedaan. Hij gebruikt daarvoor de term ‘literatuurideologie’, die voor het onderwijs hoofdzakelijk bestudeerd wordt aan de hand van schoolboeken. Zonder hiermee direkt een uitspraak over de kwaliteit van het onderzoek te willen doen, moet gezegd worden dat het ideologie-begrip dat Van Dijk hanteert nogal diskutabel is. Ideologie is, naar zijn zeggen, (konventionele) ‘pseudo-kennis’, ‘inzichten die op grond van bepaalde kriteria niet overeenkomstig de ‘objektieve werkelijkheid’ zijn (p. 216). Die kriteria worden geleverd door de wetenschap. Van Dijk geeft geen nadere uitleg, hoe en waarom die verkeerde inzichten ontstaan, evenmin dankzij welk privilege wetenschap niet ideologies zou zijn; het schijnt voor hem genoeg, wetenschap en ideologie tegenover elkaar te stellen als ware en onware kennis, waarop hij vervolgens een hele strategie voor het literatuuronderwijs baseert.

 

In de programmatiese inleiding van Etienne Balibar en Pierre Macherey over literatuur, taal en onderwijs – door hen geschreven als voorwoord bij de studie van Renée Balibar ‘Les francais fictifs’ – wordt gewerkt met een geheel andere opvatting van ideologie. Voor hen is ideologie niet zomaar simpel onwaar, vals bewustzijn, maar de struktuur waarbinnen mensen denken én handelen. Dit verschil in koncept heeft verregaande konsekwenties die in een inleiding uiteraard slechts globaal konden worden aangegeven.

Niet alleen biedt hun benadering de mogelijkheid om de problematiek literatuur-taal-onderwijs-maatschappij op een samenhangende manier te behandelen, vanuit een wetenschappelijke maatschappijteorie en in een politiek perspektief, tevens bevat ze een kritiek op een traditionele marxistiese opvatting over produktie en konsumptie van literatuur waardoor diverse begrippen (zoals totaliteit, werk, koherentie, realisme, weerspiegeling) radikaal ter diskussie komen te staan.

Macherey en Balibar gaan uit van de stellingen van Louis Althusser over ideologie (in: Idéologie et appareils idéologiques d’Etat uit 1970, maar al eerder ingezet in Pour Marx uit 1965) en werken die uit voor de literatuur. Althusser neemt afstand van de ideeën van Marx en Engels over ideologie, voor wie, zeer kort samengevat, ideologie een systeem van representatie is, van bewustzijnsfenomenen, van ideeën, van ‘wereldbeschouwingen’ die een vertekende weergave zijn van ‘de werkelijkheid’.

Wordt ideologie voorgesteld (zoals in de vroege geschriften van Marx) als een sluier die slechts hoeft te worden weggerukt om de werkelijkheid in haar juiste proporties te zien, dan is de politieke praktijk die daaruit volgt er een van demystifikatie (door personen die de Waarheid reeds in pacht moeten hebben). Wordt ideologie (zoals in De duitse ideologie van 1846) voorgesteld als een rechtvaardiging van ekonomiese en politieke omstandigheden, dan wordt, volgens een al te letterlijke betekenis van de metafoor basis-bovenbouw, de politieke konsekwentie daarvan dat veranderingen in de ekonomiese basis vanzelf wel veranderingen in de ideologiese bovenbouw met zich mee zullen brengen.

Althusser stelt daarentegen dat in de ideologie niet de ‘werkelijke’ levensomstandigheden (verkeerd) worden voorgesteld maar dat de mensen in de ideologie hun verhouding tot die levensvoorwaarden voorstellen en beleven, een verhouding die imaginair van aard is – imaginair niet alleen omdat het de vereenzelviging met een beeld is (herkenning), maar ook omdat zij denkbeeldig is (miskenning). (‘Ideologie is onbewust, zelfs wanneer ze zich in gereflekteerde vorm (filosofie) voordoet… Het zijn meestal beelden, soms begrippen, die zich aan de meeste mensen vooral opdringen als strukturen zonder dat deze door hun “bewustzijn” gaan’, in: Pour Marx).

Deze imaginaire verhouding bestaat volgens Althusser niet in een sfeer van ‘ideeën’ maar heeft een materieel bestaan, omdat ze zelf deel uitmaakt van de werkelijkheid door de aktieve rol die zij vervult in elk menselijk handelen. Ideologie is, naast ekonomie en politiek, een derde onontbeerlijke funktie voor de ‘subjekten’ van de geschiedenis, in welke maatschappijvorm dan ook; ze is een materiële en aktieve representatie van een imaginaire relatie tot de produktieverhoudingen en speelt als zodanig een onmisbare rol in de sociale reproduktie. De ideologiese mechanismen funktioneren niet als zomaar immateriële, zuivere vormen van bewustzijn, ze zijn verankerd in sociale instituties die Althusser, zich baserend op Gramsci waar deze een onderscheid maakt tussen de Staat en – repressieve en ideologiese – staatsapparaten, ‘Ideologiese Staatsapparaten noemt, waarvan de belangrijkste momenteel het onderwijs, het gezin en de kultuur zijn. Deze apparaten omvatten bepaalde praktijken, gedragsvormen, regels, vormen en rituelen, die de enige werkelijkheid van ideeën uitmaken.

Volgens het ideologiebegrip van Marx is kunst ideologie zonder meer, zonder eigen geschiedenis daar ze geheel en al te verklaren is uit materiële oorzaken. Mét haar (relatieve) autonomie verliest kunst ook haar realiteit omdat zij gereduceerd kan worden tot de werkelijke ‘feiten’. Het begrip ‘weerspiegeling’ dat in de op die ideologie-opvatting gebaseerde kunstteorie centraal staat is abstrakt omdat een scheiding gemaakt wordt tussen kunst en realiteit (kunst is slechts ‘uitdruk-king’ van de werkelijkheid) en is tegelijkertijd subjektief omdat de estetiese beelden worden gevormd in het bewustzijn van een subjekt, zodat de scheiding tussen (estetiese) vorm en (feitelijke) inhoud gereproduceerd wordt in een scheiding subjekt (auteur, lezer) – objekt (objektieve realiteit). (De kritiek die hierop aansluit is eties want een slecht schrijver is dan immers degene die weigert de ‘logika’ van zijn werk, dus van de realiteit te volgen.)

Macherey heeft in zijn boek Pour une théorie de la production littéraire (in het hoofdstuk Lenin’s kritiek op Tolstoj, gedeeltelijk vertaald in Kunst als kritiek) het begrip ‘weerspiegeling’ ontleed en uiteengezet dat een literair werk slechts ten dele deel uitmaakt van een ideologie daar het immers het vermogen bezit om ideologie uit te beelden. Hieruit volgt dat, wil men laten zien wat in het literaire werk wordt ‘geproduceerd’ (en niet zomaar afgebeeld), wat daarin ‘verwerkt’ wordt, eerst de voorwaarden onderzocht moeten worden voor literaire produktie.

‘In de roman neemt ideologie een zichtbare vorm aan, wordt ze kontroleerbaar. Het literaire werk maakt het mogelijk om het gebied van de spontane ideologie te verlaten, uit het valse bewustzijn van zichzelf, de geschiedenis en de tijd te treden. Literatuur geeft een bepaald beeld van deze ideologie; ze geeft haar de gewoonlijk ontbrekende kontouren, dwz. literatuur geeft vorm aan ideologie. In plaats van haar, zoals in de intimiteit van het bewustzijn het geval was, van binnen uit te beleven, wordt literatuur als een objekt opgevat (…) Spontane ideologie waarin de mens bevangen leeft, is niet in de spiegel van de literatuur direkt afgebeeld. Door haar verschijnt ideologie gebroken, omgekeerd en daardoor tegenover zichzelf geplaatst, voorzover de literaire vorm haar een andere status verschaft dan die van zuiver bewustzijn. Kunst, althans literatuur, die naar haar wezen naïve wereldvisie impliceert, maakt mythe en illusie tot zichtbare objekten.’ (p. 155) Op basis hiervan is een literatuurkritiek mogelijk die werkt met wat Althusser (daarmee verwijzend naar de exemplariese lektuur van Freud en Lacan) een ‘symptomale leeswijze’ noemt die in de tekst tegelijk datgene wat onthuld én wat verhuld wordt ‘eruitleest’. (Althusser en Macherey gebruiken voor de definitie van ideologie trouwens veel begrippen uit de psychoanalyse omdat er volgens hen een grote overeenkomst is tussen aard, funktie en mechanismen van ideologie en onbewuste.)

 

Eveneens voortgaande op de stellingen van Althusser gaat Renée Balibar er van uit dat ook literatuur als ideologiese vorm afhankelijk is van een specifiek ideologies staatsapparaat (kultuur) dat gedetermineerd wordt door een apparaat dat in een maatschappij die berust op de kapitalistiese produktiewijze alle andere beïnvloedt: het onderwijs-apparaat (scolarisation, wat o.m. leerplicht en algemene openstelling van het onderwijs betekent, en behalve op het schoolsysteem ook betrekking heeft op alle vormen van edukatieve socialisatie, hebben we vertaald met onderwijs, onderwijssysteem en soms ook met edukatie).

Renée Balibar werkt deze hypothesen uit door te laten zien hoe literaire praktijken (schrijven én lezen) en de produktie van specifieke literaire effekten voortkomen uit edukatieve praktijken en daar niet los van te begrijpen zijn. (Praktijk heeft een zeer gerichte betekenis: in het algemeen wordt daaronder elk transformatieproces verstaan van een grondstof in een produkt, door menselijke arbeid met gebruikmaking van produktiemiddelen; ook de literaire praktijk is dan een materieel transformatieproces dat tot stand komt volgens specifieke (histories ontwikkelde) interne regels. Iedere praktijk is afhankelijk van andere praktijken, en wel binnen wat genoemd wordt ‘de maatschappelijke praktijk’: de komplexe eenheid van bizondere praktijken.) De verhouding kunst-werkelijkheid wordt door Balibar gezien als een resultaat van de school als een ideologies staatsapparaat waarin literatuur zowel haar vorm als haar inhouden vindt. Het gaat er daarbij vooral om, inzicht te krijgen in het interne mechanisme van de ideologiese dominantie in het onderwijs. In het burgerlijk scoolsysteem wordt een speciaal type linguistiese konflikten tegelijkertijd gerealiseerd en gemaskeerd. Onder de schijn van een homogene algemene taal waaraan eenieder gelijkelijk deel zou hebben vindt men in werkelijkheid een konflikt tussen tegenstrijdige vormen van taalgebruik: een elementair taalgebruik en een verfijnd hoger taalgebruik. Het ontwikkelde taalgebruik korrespondeert met de literaire discours (bij gebrek aan beter, omdat ‘rede’ misverstanden wekt, steeds vertaald met ‘vertoog’) van het middelbaarhoger onderwijs en met het literaire taalgebruik dat in de praktijk, vaak als onuitgesproken ontkenning, naar het elementaire taalgebruik verwijst om haar superioriteit te bewijzen. Deze konflikten vormen de materiële basis voor de effekten van literatuur die deze zelfde konflikten, die uiteindelijk sociale konflikten zijn, op hun beurt weer reproduceren en versterken (ideologie is immers, zoals Althusser zegt, een plaats van politieke strijd).

Het boek van Renée Balibar bestaat uit een aantal studies, door haar verricht in samenwerking met Geneviève Merlin en Gilles Tret, waarin wordt nagegaan hoe literatuur op verschillende nivoos in het onderwijs onderwezen wordt. De studies behandelen enkele ‘klassieke’ auteurs die kenmerkend genoemd mogen worden voor drie stadia van de moderne literatuur: Flaubert (voor de tijd dat het franse schoolsysteem vorm kreeg), Péguy (voor de tijd van de eerste algemene schoolplicht), de Surrealisten en Camus (voor de tijd van de eerste krisis in het funktioneren van het franse onderwijssysteem).

Renée Balibar breidt de gebruikelijke kunstsociologiese benadering die zich vooral beperkt tot de konsumptie van literatuur uit naar de voorwaarden voor de produktie van literatuur (als ideologiese formatie). De school is in haar analyse niet zomaar enkel een faktor in de verspreiding van een reeds gevestigde kultuur maar speelt (door haar tegenstrijdige linguistiese praktijken) een determinerende rol in de literaire praktijk zelf en het esteties proces.

 

Het zou voorbarig zijn aan te nemen dat deze analyses zonder meer voor het Nederlands gelden. Voor taal- en literatuurwetenschappers ligt hier dus een aardige portie huiswerk.

 

Literatuur

Renée Balibar, Les français fictifs. Le rapport des styles au français national. Parijs, 1974.

  1. Balibar en D. Laporte, Le français national. Politique et pratiques de la langue nationale sous la Révolution française. Parijs 1974.

Pierre Macherey, Pour une théorie de la production littéraire. Parijs 1966.

Louis Althusser, Idéologie et appareils idéologiques d’Etat (1970); in: Positions, Parijs 1976 (eerste deel vertaald in Recht en kritiek, nr. 2, 1976. Zie ook: Seminar Althusser, werkuitgave SUN Nijmegen 1977.

Saül Karsz, Théorie et politique: Louis Althusser. Parijs 1976.