In zijn eigen tijd genoot Denis Diderot (1713-1784) vooral bekendheid vanwege zijn briljante conversatie en zijn hoofdredacteurschap van de beroemde Encyclopédie. Pas na zijn dood werd langzaamaan duidelijk dat deze markante persoonlijkheid er een geheim tweede leven als schrijver op na had gehouden, dat zijn weerga niet kent in de Franse letteren: maar liefst zesendertig kloeke boekdelen moet de nieuwe kritische editie van zijn volledig werk beslaan (nog afgezien van de zestien delen correspondentie), en het overgrote deel daarvan lag tijdens zijn leven netjes opgeborgen ‘voor het nageslacht’. Zonder van Diderot nu direct een postmodernist avant la lettre te maken en hem met journalistieke achteloosheid in het rijtje van Kierkegaard, Nietzsche, Spinoza en noem maar op te plaatsen, kunnen we ruim twee eeuwen later wel stellen dat zijn intuïtie (of geluk) hem niet in de steek heeft gelaten: als er één tijd is die zijn onconventionele werken op hun waarde kan schatten, is het de onze. Discontinuïteit, autoreflexiviteit, metadiscursiviteit, vervreemding, parodie, ironie, pastiche… geen van de verworvenheden van de laat-twintigste-eeuwse literatuur ontbreekt in Diderots grootste werken, of althans in de werken die we tegenwoordig als zijn grootste beschouwen: de romans Jacques le Fataliste et son maitre en Le Neveu de Rameau, de Salons (met name die van 1765 en 1767) en de filosofische dialoog Le Rêve de d’Alembert. Dat hij daarnaast ook moralistische en larmoyante draken als Le Père de famille en Le Fils naturel op zijn naam heeft staan, vergeten we voor het gemak maar even. Genieën moet je koesteren, vooral als ze zo vrolijk zijn als Diderot.
Van al zijn werken spreekt Jacques le Fataliste tegenwoordig misschien wel het meest tot de verbeelding. Alles in deze roman is lichtheid en beweging, humor en fantasie. Twee dunne rode draden zorgen voor de verhaallijn: de reis die Jacques en zijn meester maken naar een onbekend doel (dat aan het eind van het boek de vermeende zoon van de meester blijkt te zijn), en het levensverhaal van Jacques, die vertelt hoe hij door een geweerschot na allerlei belevenissen uiteindelijk zijn geliefde Denise ontmoette (maar ook dat krijgen we pas op twee derde van het boek te horen). Deze dubbele verhaallijn wordt voortdurend onderbroken: de schrijver laat geen mogelijkheid onbenut om te benadrukken welke zijsprongen hij allemaal niet had kunnen maken als hij daar zin in had gehad, hij gaat om de haverklap in discussie met de nieuwsgierige lezer, en de ene na de andere anekdote passeert de revue. Die vaak zeer pikante nevenverhalen worden in de loop van het boek steeds talrijker, om verschillende redenen: andere personages blijken ook erg graag te vertellen, Jacques heeft keelpijn en kan daardoor niet praten, de twee reizigers slapen en de schrijver maakt van de gelegenheid gebruik om nog wat aardigheden op te dissen, enzovoort. Aan het eind van het boek lijkt het er zelfs op dat we nooit de afloop van Jacques’ liefdesverhaal zullen weten, want de meester begaat een moord en slaat op de vlucht, waarna zijn knecht in de gevangenis terechtkomt. De schrijver houdt het dan voor gezien, maar gelukkig blijkt de uitgever nog te beschikken over extra (hoewel zeer dubieuze) informatie, zodat de roman toch nog een ‘bevredigend’ slot krijgt: we vernemen niet alleen hoe Jacques zijn geliefde heeft veroverd, maar ook dat hij zijn meester én Denise weer terugvindt. Eind goed, al goed. Maar dan wel met een vette knipoog, zoals het hele boek één grote parodie op de heersende romanconventies is.
Jacques le Fataliste werd maar één keer eerder in het Nederlands vertaald, door J.D. Hubert-Reerink in 1978 (Jacques de fatalist en zijn meester, Prisma Klassieken). Die vertaling mag nu als achterhaald worden beschouwd, niet omdat vertalingen per definitie verouderen, ook niet zozeer vanwege de vertaalfouten (veelal te wijten aan een gebrekkige kennis van het achttiende-eeuwse Frans met zijn talloze valstrikken voor de moderne lezer), maar vooral omdat Hubert-Reerink de schwung en het ogenschijnlijk nonchalante conversatietoontje van het origineel niet goed weet te treffen in het Nederlands. Vandaar deze nieuwe vertaling, die te zijner tijd zal uitkomen bij Athenaeum-Polak & Van Gennep. Met nadruk zij erop gewezen dat het om work in progress gaat: het hier gepresenteerde fragment is nog niet ‘uitvertaald’.
(Martin de Haan)
 
 
Hoe hadden ze elkaar ontmoet? Bij toeval, zoals iedereen. Hoe heetten ze? Wat gaat u dat aan? Waar kwamen ze vandaan? Van de dichtstbijzijnde plek. Waar gingen ze heen? Weet een mens waar hij heen gaat? Wat zeiden ze? De meester zei niets, en Jacques zei dat zijn kapitein zei dat alle goede en slechte dingen die ons hier beneden overkomen, daar boven geschreven staan.
DE MEESTER Dat is een prachtig gezegde.
JACQUES Mijn kapitein voegde eraan toe dat elke kogel die uit een geweer kwam zijn bestemming had.
DE MEESTER En hij had gelijk…
 
Na een korte pauze riep Jacques uit: ‘De duivel hale die herbergier en zijn herberg!’
DE MEESTER Waarom wens je je naaste naar de duivel? Dat is niet christelijk.
JACQUES Omdat ik me zit te bezatten met zijn slechte wijn en daardoor onze paarden naar de drenkplaats vergeet te brengen. Mijn vader merkt het, hij wordt boos. Ik schud mijn hoofd, hij pakt een stok en laat die onzacht op mijn schouders neerkomen. Er kwam een regiment voorbij dat op weg was naar het kamp voor Fontenoy; uit pure nijdigheid nam ik dienst. We komen aan, de slag barst los.1
DE MEESTER En jij ontvangt de kogel met jouw naam erop.
JACQUES Goed geraden: een schot in mijn knie. En God weet wat voor goede en slechte dingen me door dat schot zijn overkomen. Het grijpt allemaal net zo hecht in elkaar als de schakels van een bitketting. Zo zou ik zonder dat schot denk ik nooit van mijn leven verliefd zijn geweest, en ook niet mank.
DE MEESTER Je bent dus verliefd geweest?
JACQUES Nou en of!
DE MEESTER En dat kwam door een geweerschot?
JACQUES Ja, door een geweerschot.
DE MEESTER Daar heb je me nog nooit een woord over gezegd.
JACQUES Dat wil ik graag geloven.
DE MEESTER Maar waarom dan niet?
JACQUES Omdat het niet eerder en niet later gezegd kon worden.
DE MEESTER En is nu voor mij het moment gekomen om te horen hoe dat zat met die liefde?
JACQUES Wie weet?
DE MEESTER Hoe dan ook, begin toch maar…
 
Jacques begon het verhaal van zijn liefde. Het was middag, het weer was drukkend; zijn meester viel in slaap. De nacht verraste hen in het open veld, en zo waren ze ineens verdwaald. Ziedend van woede bedolf de meester zijn knecht onder een regen van zweepslagen, en bij elke slag zei de arme duivel: ‘Die stond daar boven blijkbaar nog geschreven.’
U ziet, lezer, dat ik goed op dreef ben en dat ik u moeiteloos een jaar, twee jaar, drie jaar zou kunnen laten wachten op het verhaal van Jacques’ liefde, door hem van zijn meester te scheiden en elk van hen bloot te stellen aan alle gevaren die ik maar zou willen. Wat belet me de meester te laten trouwen en hem de hoorns op te zetten? Jacques in te schepen naar Haïti? Zijn meester er ook heen te sturen? Hen beiden naar Frankrijk terug te brengen op hetzelfde schip? Wat is het toch gemakkelijk verhalen te vertellen! Maar die twee zullen ervan afkomen met een slapeloze nacht, en u met dit oponthoud.
Het begon nog maar net licht te worden of ze hadden hun rijdieren alweer bestegen en vervolgden hun weg. – En waar gingen ze heen? – Dat is de tweede keer dat u me die vraag stelt, en voor de tweede keer luidt mijn antwoord: Wat gaat u dat aan? Als ik over het doel van hun reis begin, kunt u Jacques’ liefde verder wel vergeten… Ze reden een tijdlang zwijgend voort. Toen de ergernis bij beiden wat was gezakt, zei de meester tegen zijn knecht: ‘Goed Jacques, waar waren we gebleven met je liefde?’
JACQUES We waren geloof ik gebleven bij de aftocht van het vijandelijke leger. Ze slaan op de vlucht, worden achtervolgd en denken alleen aan hun eigen hachje. Ik blijf achter op het slagveld, bedolven onder de enorme berg doden en gewonden. De volgende dag werd ik met een dozijn anderen op een kar gegooid om naar een van onze hospitalen te worden overgebracht. Heus meneer, ik geloof dat er niets pijnlijkers bestaat dan een kniewond.
DE MEESTER Kom Jacques, je maakt een grapje.
JACQUES Nee, verdomd meneer, ik maak geen grapje! Er zitten daar ik-weet-niet-hoeveel botten, pezen en andere dingen die ze ik-weet-niet-wat-voor naam geven…
 
Een plattelander die hen volgde met een jonge vrouw achter op zijn paard, had hun gesprek opgevangen. Hij nam het woord en zei: ‘Meneer heeft gelijk.’
Het was niet duidelijk tot wie dat meneer was gericht, maar Jacques en zijn meester konden het niet waarderen, en Jacques zei tegen die opdringerige spreker: ‘Waar bemoei je je mee?’
‘Ik bemoei me met mijn beroep. Ik ben chirurgijn, om u te dienen, en ik zal u demonstreren…’
De vrouw die hij achterop had zei tegen hem: ‘Meneer dokter, laten we verder gaan en deze heren met rust laten, die er niet van houden dat hun iets wordt gedemonstreerd.’
‘Nee,’ antwoordde de chirurgijn, ‘ik wil ze demonstreren en ik zal ze demonstreren dat…’
En terwijl hij zich omdraait om de daad bij het woord te voegen stoot hij zijn reisgenote aan, die haar evenwicht verliest en op de grond valt, waarbij ze met één voet in de slip van zijn jas blijft haken en haar rokken omgekeerd over haar hoofd krijgt. Jacques stijgt af, bevrijdt de voet van het arme schepsel en doet haar rokken omlaag. Ik weet niet of hij eerst de rokken omlaag deed of eerst de voet bevrijdde, maar naar haar gejammer te oordelen had de vrouw zich ernstig verwond. En Jacques’ meester zei tegen de chirurgijn: ‘Dat komt er nou van, van al dat gedemonstreer.’
En de chirurgijn: ‘Dat komt er nou van als je niet wilt dat er iets gedemonstreerd wordt!’
En Jacques zei tegen de gevallen of overeind geholpen vrouw: ‘Rustig maar, m’n beste, u kon er niets aan doen, de dokter ook niet en mijn meester en ik net zomin. Het stond namelijk daar boven geschreven dat vandaag, op deze weg, op dit tijdstip, de dokter zijn kwek niet zou kunnen houden en mijn meester en ik ons lomp zouden gedragen, dat u een blauwe plek op uw hoofd zou krijgen en dat wij uw achterwerk zouden zien…’
Wat voor proporties zou dit voorval onder mijn handen niet aannemen als ik ineens zin zou hebben u tot wanhoop te drijven! Ik zou die vrouw aanzien geven, ik zou er de nicht van een pastoor uit het nabijgelegen dorp van maken. Ik zou de boeren van dat dorp in opstand brengen en voor gevechten en amoureuze verwikkelingen zorgen. Want die boerin was onder haar ondergoed tenslotte niet de lelijkste, en dat was Jacques en zijn meester niet ontgaan; de liefde heeft niet altijd zo’n ideale gelegenheid afgewacht. Waarom zou Jacques niet voor de tweede keer verliefd worden? Waarom zou hij niet voor de tweede keer de rivaal van zijn meester zijn, en zelfs de voorkeur krijgen? – Was hem dat dan al eens overkomen? – Altijd maar vragen. U wilt dus niet dat Jacques doorgaat met het verhaal van zijn liefde? Het is nu of nooit, dus zegt u het maar: wilt u liever dat hij doorgaat of dat hij stopt? Als u wilt dat hij doorgaat, dan stel ik voor de boerin achter op het paard van haar begeleider terug te zetten, hen te laten gaan en ons weer op onze twee reizigers te richten. Dit keer nam Jacques het woord en zei tegen zijn meester: ‘Zo gaat dat nou. U, die nog nooit van uw leven gewond bent geweest en die niet weet wat een schot in de knie betekent, u beweert bij hoog en laag tegen iemand wiens knie is verbrijzeld en die al twintig jaar hinkt, ik dus, dat…’
DE MEESTER Misschien heb je wel gelijk. Maar door die onbeschofte chirurgijn lig je nog altijd op een kar met je kameraden, nog lang niet in het hospitaal, nog lang niet genezen en nog lang niet verliefd.
JACQUES U kunt ervan denken wat u wilt, maar de pijn in mijn knie was in ieder geval verschrikkelijk. Door de harde kar en de hobbelige wegen werd hij nog erger, en bij elke schok schreeuwde ik het uit.
DE MEESTER Omdat daar boven geschreven stond dat je het zou uitschreeuwen?
JACQUES Absoluut! Ik verloor al mijn bloed en zou een lijk zijn geweest als onze kar, de laatste van de rij, niet was gestopt voor een hut. Daar vraag ik of ik eraf mag; ze tillen me op de grond. Een jonge vrouw die bij de deur van de hut stond ging naar binnen en kwam vrijwel onmiddellijk weer naar buiten met een glas en een fles wijn. Gulzig nam ik een paar slokken. De wagens voor ons reden achter elkaar weg. Toen men aanstalten maakte om me terug te gooien tussen mijn kameraden greep ik me stevig vast aan de kleren van die vrouw en aan alles om me heen, en weigerde pertinent weer op de kar te gaan: als ik toch moest sterven, deed ik dat liever op de plek waar ik was dan twee mijl verderop. Nauwelijks was ik uitgesproken of ik verloor het bewustzijn. Toen ik weer bijkwam merkte ik dat ik uitgekleed in een bed lag dat in een hoek van de hut stond, met om me heen een boer (de eigenaar van de woning), zijn vrouw (dezelfde die me had geholpen) en een paar kleine kinderen. De vrouw had de punt van haar schort in azijn gedoopt en wreef ermee over mijn neus en mijn slapen.
DE MEESTER Aha, jij smiecht! Schoft die je d’r bent! Smeerlap! Ik zie al waar je naartoe wilt.
JACQUES Meester, ik denk dat u helemaal niets ziet.
DE MEESTER Die vrouw, is dat niet degene op wie je verliefd gaat worden?
JACQUES En als ik verliefd op haar was geworden, wat dan nog? Kun je zelf bepalen of je wel of niet verliefd wordt? En als je het bent, kun je dan doen alsof je het niet bent? Als het daar boven geschreven had gestaan, zou ik alles wat u tegen me wilt gaan zeggen ook tegen mezelf hebben gezegd. Ik zou mezelf een klap in het gezicht hebben gegeven, ik zou mijn hoofd tegen de muur hebben gebonkt, ik zou mijn haren hebben uitgetrokken, maar het zou allemaal niets hebben uitgemaakt en mijn weldoener zou zijn bedrogen door zijn vrouw.
DE MEESTER Maar wanneer je zo redeneert als jij, hoeft niemand ooit spijt te hebben van een misdaad.
JACQUES Over die tegenwerping heb ik me vaak het hoofd gebroken, maar ongewild kom ik toch altijd weer uit bij het gezegde van mijn kapitein: alle goede en slechte dingen die ons hier beneden overkomen, staan daar boven geschreven. Kent u een manier om dat schrift uit te wissen, meneer? Kan ik ook niet mezelf zijn? En als ik mezelf ben, kan ik dan anders handelen dan ik doe? Kan ik mezelf zijn en een ander? En is er sinds ik op de wereld ben één moment geweest waarop dat niet waar was? U kunt preken zoveel u wilt; misschien zijn uw argumenten wel goed, maar als in mij of daar boven geschreven staat dat ik ze slecht zal vinden, wat wilt u dan dat ik daaraan doe?
DE MEESTER Ik vraag me nog iets af: zou die man zijn bedrogen omdat dat daar boven geschreven stond, of stond het daar boven geschreven omdat hij door jouw toedoen bedrogen zou worden?
JACQUES Dat stond allebei naast elkaar geschreven. Alles is tegelijk geschreven. Het is net een grote rol die stukje bij beetje wordt afgewikkeld.

 
 
1. Bij Fontenoy (België) werden op 11 mei 1745 de Engelsen, Nederlanders en Oostenrijkers verslagen door de Fransen. Deze verwijzing naar de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) is een van de weinige historische tijdsaanduidingen in de roman.
 
 
Deel 2