Ze staan in het museum en kijken naar een geschilderde mevrouw.

‘Als je met twee ogen kijkt, heb je twee doorzichtige neuzen. Daar hoor je de mensen nooit over,’ zegt de Romanticus.

‘Ze kijken door hun neuzen heen,’ zegt Oud. ‘Ze zijn eraan gewend.’

‘Als je leest, houd je het boek precies tussen je neuzen,’ zegt het hoofd. ‘Alles waarnaar je kijkt, zit tussen je neuzen. De mensen met wie je praat, zitten ook tussen je neuzen.’

‘Grote mensen praten altijd,’ zegt Oud.

‘Ze zitten aan tafel te roken en te praten, en ze denken geen moment aan hun neuzen,’ zegt het hoofd.

‘Het is nog veel erger,’ zegt de Romanticus. ‘Ze denken ook niet aan hun wenkbrauwen. Die hangen als harige randen over hun uitzicht, maar daar hoor je ze ook niet over,’

‘Op schilderijen zie je die dingen nooit,’ zegt Oud.

‘Grote mensen zijn slim,’ zegt het hoofd. ‘Ze schilderen blote mevrouwen zonder hun neuzen er omheen, zodat iedereen er zijn √©igen neus omheen kan denken.’