Voortdurend scheppen: orde. Stapelen en hernemen het onbegonnen werk. Tegenover elke brief die komt een andere doen verdwijnen, opdat het evenwicht gehandhaafd blijft. Driftig berichten verscheuren, ze naar buiten brengen waar in het gras de stookplaats is, omgeven door een wankele driekwartcirkel van gestapeld baksteen. Vooral bij avond zien hoe de gloeiende snippers fraai opwarrelen, over de bomen heen. Bij het licht van de vlammen de nieuw aangekomen post lezen. Het werk onbegonnen laten. Druk bezig zijn met het in vorm houden van gereedschap: de twee knijpers, de scheurtanden, ballastzakjes en brandblusser. Verlangen naar een rustiger bestaan als vogelschrik, naar langzaam wegzinken in een ritselende baaierd van maïs.
 
Op een keer gaat hij dood, zij mag mee. Wat sterven zij lang en gelukkig! Het is stralend weer. De veerman doet minder nors dan in de oude boeken staat geschreven. Het wekt haast twijfel: is dit wel de goede plek en tijd? Hij zingt weliswaar een smartlap terwijl hij aan de riemen trekt, maar dat doen alle zeelui als er geen vuiltje aan de lucht is. De boot roeit zich steeds in chrysanten vast, ook daarover wordt in de literatuur niets vermeld. Zo duurt de overtocht lang genoeg om hen weer te laten vergroeien; aan de oever der Zorgeloosheid stapt het paar als één man uit. Plato heeft gelijk. Op acht armen en benen kom je razendsnel vooruit, met dubbele radslagen door het panorama dat daarbij tolt alsof je in de schoot van Onvermijdelijkheid bent beland, in de spil die de acht wervels van het uitspansel beweegt en bijeenhoudt – wat natuurlijk ook zo is. Omdat de sirenen akelig gillen houden ze elkaar de vier oren dicht. Moet dat zo doorgaan? Is hier geen rustige picknickweide? Goddank, in Vrouw Holle’s Wastunnel worden ze door de roterende ijzeren staven van de pluissproeiborstels vaneengereten. Hij kan nog net met de laatste boot terug. Eindelijk alleen, en hij hoeft zich nooit meer te wassen.
 
Brandnetels uit de grond rukken, verwoed. Ze hun locatie ontnemen bij gebrek aan eigen been om op te staan. Geprikt willen worden door een vijand, hoe botanisch ook. Het geluid van scheurende droge aarde. De sensatie ook van zelfverminking en toch onuitroeibaar zijn. Vooral die wortelverstrengelingen meters in het rond, complotterend, decadent-overdadig, kluiten wurgend, incestueus verknoopt, ze tergen. Vertwijfeld klauwen naar orde en regelmaat. Vreemd, de verwoestende uitwerking van serene verlangens. Nadien bier drinken, het prikt op de tong. Schrijnende rouwrandjes, sommige gescheurd. Het geharde en toch stakkerige gevoel.
 
Het goede is zeker en eindig, het kwade oneindig en onzeker, zeggen de pythagoreeërs. In het licht van de ervaring dat willen zien en op een winterdag op het strand gaan liggen om zilte, lichtbruine schuimvlokken te laten toewaaien en aankleven als een zekere, eindige jas die bescherming biedt tegen de oneindige, onzekere elementen. Een hedens moment, volstrekt uit elk verband met verleden en toekomst gerukt – alhoewel verdacht veel lijkend op een geënsceneerde herinnering, voor later. Als er anderen aankomen betrapt opstaan en de klodders afslaan, met stevige pas verder benen als iemand die een luchtje schept. Omhoog kijken, bevreesd dat het uitspansel juist nu een hap zal nemen van het bewegend grut. Bedenken dat denken het kwade is. Wat spreekt? Hebben ze natuurlijk allemaal Pascal gelezen? Frites eten is beter. Mond een uitspansel laten zijn.
 
Zolang het wil heugen dol op drop zijn geweest en in een mooie roes kunnende raken van drop en rode wijn, afwisselend genuttigd, maar ongemerkt wie? o wie? te zijn geworden wanneer eensklaps, na een droploze periode, zich noopt de constatering dat drop, zij het jujubes, knoopjes, dubbelzout of zoetsoppig, niet lekker smaakt en zelfs onpasselijk maakt? Wel heel goed ermee kunnen leven dat sigaretten steeds viezer. Want blijven roken, hardnekkig, vanwege het roker zijn. Steeds meer zelfs – het niet geloven kunnen.
 
Met regelmaat de gipssekssociëteit voor behaarde bejaarden bezoeken, in een ondergrondse parkeergarage. Uit de catacomben dag en nacht het vrolijk galmen van brekend gips en het orgiastisch gebrul van de aldus onthaarde bejaarden. Zelf een gipsontheffing hebben vanwege welig krullende schaam en baard. Die laten bij schroeien door een hoogpotig sletje met opgevoerde krultang onder haar leren opklaprokje. Goedkoper dan de kapper, en elke ervaring is een belevenis. Niet altijd de Himalaya hoeven beklimmen of huis opknappen. Op konen rozebottelblosjes voelen gloeien, weer buiten staand, verkwikkende brandlucht snuiven. Nu eerst een uurtje Bloem lezen en dan naar Moeder, met haar in de rolstoel naar de pedicure. De uitgestoken eksterogen mee naar huis mogen nemen. Krenten in de pap. ‘De trots om het vergeefse.’
 
Grote eivormige objecten dalen in doodse stilte traag uit de lucht en slaan rode gruiswonden in de gebouwen. Bij wachten op de bus, verveeld maar niet gehaast, soms terug gezien: het vroegste droombeeld uit de tijd van nog niet praten. En dan maar tijdshalve staan uitdijen, vacant als een plexiglas bushokje. Dat ook niet praten kan.
Hollend zich uithollen, door duin en bossen, hopend zich zo hol te hollen dat een nieuw leven als bushokje kan aanvangen. Heimwee is ‘t, maar reuze gezond, en elke belager ver achter te laten. Lastig alleen alles door elkaar heen te zien lopen, al hollend stilstaan, wachtend op de bus, terwijl grote eivormige objecten geluidloos traag uit de hemel dalen en rode gruiswonden in de gebouwen slaan. Waarom zo’n droom niet slapend herdroomd?
 
Zag hoe een zwerver wijdbeens, zonder zijn broek los te doen stond te zeiken bij een glasbak. Natuurlijk is dat een maatschappelijk verantwoorde handeling, wie zijn lege flessen wegbrengt moet ook het vocht afstaan dat erin zat. Als transflusie. Secrale hondeling. Zonder zijn tootje op te krikken, misschien was hij geen mispelige reu maar een immaculate virginaal al zag het daar helemaal niet naar uit, wel had hij een stralenkrans van witte haren. Het rook naar zeek en ik trok mijn kurk over mijn oog om van de weeromstuit niet te hoeven. Ik stik nog liever in mijn eigen restjes prik.
 
Vannacht, in de volle vuilniszak, lag ik urenlang ouderwets te woelen en te malen. Er zat een oude, tandeloze rat aan de buitenkant te peuteren, dan kun je nog beter een fluwelen kunstgebit hebben. Zo’n zak is erg gehorig. Ik knipte een gebocheld schemerlampje aan – altijd nog wel een uurtje stroom in zo’n afdankertje – en grabbelde wat losse flarden van een oud telefoonboek uit de koffieprut en overige niet nader te noemen restanten van een hoerenkasthuishouden. Heb ik die rat voorgelezen, tot hij in slaap viel – ik hoorde zijn gesnurk. Niet lang daarna, zo gaan die dingen, zijn ijselijke doodskreet. Mijn vraag: kan ik die kat een rekening sturen?
 
O de verantwoordelijkheid van dit leven, bedrukt als een springveer onder die loden last te liggen. Zou ook wel iets geriefelijks hebben, toch, om droog te blijven als het regent, zeker gezien mijn verleden (née bed-spons), maar hoe dat grondsop me dan om de oren schuimt, en ik heb overal oren want al die poren kunnen horen, pieren kruipen er ook in bij vochtig weer, het is géén doen en het kriebelt vreselijk en zou Jezus dat nu ook zo gevoeld hebben in de Hof van Gethsemane? Dan kan ik me er wel bij neerleggen, die spijkers lijkt me ook geen punt, op voorwaarde dat ik na het hemelen een plaatsje krijg in het trampolineum.
 
Te ver geschopt door speelse uitlater. Het arme wollige rolmopsje wiens kwijlend kakement in de loop der tijden als koekje van eigen deeg was geworden of liever gezegd krap maar sappig hemelbed, zijn laatste zilte kuchblaf zien slaken alvorens het een laveloos nabestaan als dweil op de zeebodem ging aanvangen want zwemvliezen ho maar en het was ongemerkt eb geworden ter mui. Zo te dobberen onder de zon, schoppeling, ter hoogte van de doggersbank, en eindelijk alle tijd van de wereld hebben om te denken, immers louter nog onverhoeds eenzaam vuttende bol zijnde, over de vraag: leeg of vol?
 
Een rij peppels met pijnlijk blote oren in de striemende regen – Ruskins pathetische fallusie. Doorschijnend rozerossig, voor het groene groen eruit glibbert en blijft hangen maandenlang, uit valangst. Je wordt er niet veel wijzer van, als drup.
 
Niet bestaan. Nooit bestaan hebben. Maar op zoek zijn naar iets zijn, schreeuwend van verlangen naar al is het maar een suikerzakje zijn. Van het schoteltje getild door vingers, opengescheurd, niet eens aandachtig maar verstrooid, en leegstromen, oplossen. Bestaan hebben.
 
Ook was er eens een ik. Het had de hik. Na drie dagen was er weinig van hem over. ‘k Was er zelf bij, het was m’n eigen broer. Nee, niet eens bonen gegeten. Zomaar op de nuchtere maag. Zeg dat wel, een ondraaglijke herinnering. Dat geluid, galmend door de bergen, diep onder me, want ‘k loop nu eenmaal altijd voorop. Misschien is het mijzelf daardoor bespaard gebleven, het ik en hik. Maar het nunc is ook niet niks om mee te dragen, zo heel alleen.
 
Alles weer goedmaken. Zelfs de beet in de pils. Rode schrammen van lippenstift. Als je zelf niet vermag schuimkragen te reinigen, is een stomerij beginnen de beste oplossing. Voor doorwrochte penitentie moet je wat over hebben. En je laat er je kinderen iets mee na: een erfzonde.
 
Beknelling, veel te lichte slaaploze lange avonden lang, onder een scherp gesteven en strak toegestopt laken. Twee griesmeelpuddingen met twee rozijnen hingen in de voorovergebogen halsopening van de witte jurk die het toestoppen verrichtte. Alsof je een klein kind bent en,
erger nog, het kleine kind van deze vreemde mensen. En zijn dit zelfs mensen? Je kunt er nooit achter komen, al weet je tegelijkertijd heel goed dat je gewoon een nachtmerrie hebt. Als je in ze prikt of zaagt zal het bloed dan ook levensecht stromen. Beknelling. Het besef dat de tijdsorde waarin je zult wakker worden, zo ooit, een soort kwadratering moet zijn van deze benijpende, datje compleet met dit eindeloos duren maar een hersenglimp bent van jezelf daarginds – maar waar? – die nu een onschuldig dutje doet, geplaagd wordt door een droom.
 
Keer op keer trekt de vijand zich ontgoocheld achter de nagelborstel terug, keer op keer trippelt weggeschoten prooi op kekke zuigpumps naar de verste ankerplaats van het vangnet, laag gespannen over de vensterbank maar ze kan er net onderdoor om weer uitdagend te gaan grazen met haar uitschuifslurf, want juist waar gevaar loert zijn de stofmijten het lekkerst.
 
Radeloos meelijden met de door zoveel branie getergde spin die nu al wekenlang van pissebedden leeft, getuige al die harde uitgezogen schildjes in het net; wetend radeloos te zullen meelijden met de vlieg zodra zij zich heeft laten verschalken. De laatste van de drukke zomer, ook dat nog. In dat verlammende web van partijdigheid bekropen raken door de neiging ze beiden in één klap dood te meppen. Je nog lafhartiger eruit redden door er vandoor te gaan, de frisse lucht in. Bij de eerste bocht van het bospad alles straal vergeten zijn. Na maanden eraan terugdenken, trots op het gevoelige geweten dat eruit spreekt – maar eensklaps ontnuchterd beseffen dat dit nu de ware, onvervalste hypocrisie is. Nog weer veel later, en te laat, het spinneweb voelen.
 
Voor de verschutting staan, het tocht er akelig om de hoek heen, en ook nog per ongeluk midden in een plas, bij schaamte voegen zich natte voeten terwijl je de jouwende schoolkinderen alweer hoort aankomen: ‘Brillejood! Brillejood!’ En toch nooit vergeten dat je niet met vriendelijke mijnheren mee mag gaan, die je de keel afsnijden achter de bosrand. Een voorliefde aankweken voor onvriendelijke heren, die niets van je willen weten. Een tafelkleed zijn, vol kringen, als brillenglazen die in de lucht staren waaruit regen drupt. Je ingeweven motieven voelen krimpen tot er zo veel gaten in vallen dat je elke draad bent kwijtgeraakt. Maar tot op de laatste rafel dat pijnigend geluk, die ondraaglijke trots: ‘Ik ben! Ik ben!’.
 
De vogels worden gezongen. De bliksem heeft zich uit de aarde geslagen. Vroeger kon ik intens verlangen naar de warmte en zwaarte van een bord, naar de slanke koelte van bestek, de kieteling van een slavork. Zelfs de barbaarse pijnplek van een pan direct van het vuur was me niet onwelkom – of een strijkbout, een in het vuur van ruzie uitgedrukte peuk, het mes dwars door me heen in het tafelblad geplant. Nu merk ik, vergelijkenderwijs, dat alles me onberoerd laat. Het gaat gewoon door, maar ik ben niet meer daar. Wel eromheen, in de ruimte waar ik vroeger mezelf uitspaarde. Overal behalve in dat spooklaken. Binnenkort zullen ze het wel weggooien. Voelend het gemis van souplesse, zinnelijke dienstbaarheid, de quasi door een windvlaag opgeroepen streling van zoom over blote knie. Ter ziele, met de wind mee.
‘Waarom zou men méér lijden dan in zijn vermogen ligt? Men eet toch niet méér dan men eten kan.’ Kan men dan méér lijden dan men vermag? Meer eten, welzeker. Maar laatst, op het hoogst van mijn lijden, werd ik van het ene moment op het andere volslagen ontkommerd. Ik was eenvoudig niet meer tot lijden bij machte. Zelfs zorgen, die me geen leed maar wel hoofdbrekens gaven – of ik wel in het lood hing bij de punten, en zo meer – foetsie. Er restte een vrijheid waarvan niet duidelijk was of die voortkwam uit verlies, al leek het daar het meest op, of uit verworvenheid.
 
Sindsdien beleef ik alles als een ongevraagd geschenk. Is, lieve Lita, mijn vermogen tot lijden zo onmetelijk geworden als de ruimte voorbij de grens ervan, terwijl alle grond ertoe vervloog?
 

De citaten zijn van Faverey en Gilliams