Credo
Geen mens is intelligent genoeg zijn eigen domheid te begrijpen. En dat is maar goed ook. De vergeefse pogingen greep te krijgen op de eigen domheid vormen bij elkaar onze intelligentie. ‘En als falen toch onvermijdelijk is, dan het liefst op een zo hoog mogelijk niveau.’
 
 
Wie is Fallor?
Fallor onderscheidt zich in taal, kleding en eetgewoonten van zijn vrienden en vijanden. De verschillen met anderen bakenen zijn wezen af. Zijn identiteit wordt kortom gegarandeerd door een buitengrens.
Maar Fallor kent ook een binnengrens, want wanneer is hij de echte Fallor? Goed beschouwd nimmer. Fallor denkt zichzelf te kennen met al zijn goede en al zijn slechte eigenschappen, maar staat iedere keer weer stomverbaasd over zijn eigen idiotie.
De echte Fallor bestaat niet, maar dat is geen probleem. Fallor is alleen Fallor in de min of meer kleurrijke, maar vergeefse pogingen zichzelf te bewijzen. Domheid is zijn sterkste kant. De mislukking definieert zijn identiteit. ‘ledere keer als ik mijzelf dom vind, bevestig ik mijzelf.’
Deze gedachten ontwikkelde de heer Fallor terwijl hij fietste op zijn hometrainer, de enige plaats waar hij zichzelf wel eens tegenkwam.
 
 
Voor een esthetiek van de domheid
Met zijn koffer stootte Fallor de glazen deuren open van hotel Porta Rossa. Als om de gasten op de proef te stellen, was onder de papavers in de brandschildering het devies per non dormire verwerkt. Slapen door niet te slapen… Beneveld door de dialektiek liet Fallor zich in zijn kamer op het bed vallen.
Opnieuw was er iets goed mis. Na enkele minuten drong het tot Fallor door dat de abstracte figuren op het behang geen enkele herhaling of symmetrie vertoonden!
Marsmuziek, kolibries en behangmotief: ziedaar drie voorbeelden van zuivere schoonheid volgens Kant. Doelmatigheid zonder doel, mits deze leidt tot een harmonie van verstand en verbeelding, staat garant voor een belangeloos welbehagen. Vuistregel voor behangers.
Het chaotische patroon dat zich aftekende op de muren en het plafond van zijn hotelkamer, bracht daarentegen onbehagen teweeg, omdat het Fallors verbeelding te boven ging.
Door zich voor te stellen dat het behang in de belendende kamers een getrouwe afspiegeling vormde van het behang in zijn eigen kamer, had hij zijn nachtrust misschien kunnen vinden. Maar Fallor weerstond de verleiding een Grote Behanger in het leven te roepen. Liever begroette hij het onrustbarende behang als een bijdrage tot zelfontplooiing: Fallor werd Fallor in de vergeefse strijd met de elementen die hem verhinderden tot zichzelf te komen.
Helemaal het heertje viel Fallor in slaap.
 
 
Nadere overwegingen voor een esthetiek van de domheid
De volgende ochtend fietste Fallor stationair een kilometer of twintig met uitzicht op de spiegel boven zijn wastafel. Korte tijd later verloor hij zich in nieuwe staaltjes aërobatiek.
Oorlogen, sterrenstelsels en de Sint-Pieter wekken onbehagen, omdat ze onze verbeelding te boven gaan. Maar juist door te wijzen op onze beperkingen, geven ze indirect een voorproefje van iets Hogers, en dat wekt volgens Kant een behagen in het onbehagen.
De megarische logica daarentegen bracht Fallor tot de veronderstelling dat het Hogere bij de gratie van onze domheid bestaat. Het boven-zinnelijke wordt gedefinieerd door de stomme verbazing die wordt gewekt door explosies, orkanen, of een haarpunt bezien door een electronenmicroscoop.
De ontketende elementen zingen de domheid van de mens.
Via deze gedachtensalto kwam Fallor weer tot zichzelf. Hij klapte zijn hometrainer in, pakte hem in zijn koffer, en verliet het hotel.
 
 
Du sublime au ridicule
De achtertuin van Fallor stond vol kolossale beelden, zelfgewrochte pogingen om zijn leven vorm te geven: een machine met pannen, veren en vlaggetjes, een eindeloze haha, een monumentale obelisk en andere grootschalige sculpturen.
Goed beschouwd waren de beelden sublieme mislukkingen. Van Fallors leven viel geen toereikende voorstelling te maken. Maar via hun falen gaven de beelden indirect een vermoeden van wat zijn leven zou kunnen zijn. Zij slaagden in de mislukking.
Vol van zichzelf stond Fallor dagenlang in de tuin.
Bij de buren rees de vraag of hij wel kon buiten zijn beelden? Had Fallor wel een leven buiten zijn hopeloze pogingen greep te krijgen op zijn bestaan?
Geen probleem. Fallor zag het sublieme als iets ridicuuls; in hun enormiteit maakten de beelden de mislukking tastbaar die Fallors leven in wezen was. Langzaam zette de machine met pannen, veren en vlaggetjes zich in beweging om Fallors falen te bejubelen.
 
 
Uit de krantenknipsels van mijnheer Fallor
‘Jonge vader springt in spel met vrouw over gedekte tafel, en verplettert zuigeling.’
 
 
De ongehoorde studie
Fallor at om de dag in restaurant Tête-à-queue. De vaste gasten werden aan lange tafels bediend. Fallor schoof aan. ‘Wat geeft u het recht hier plaats te nemen?,’ vroeg zijn buurman. Oprecht belangstellend informeerde Fallor of de man soms rechten studeerde.
‘Raad nog eens,’ zei de student.
‘Vrijetijdskunde? Ruimtelijke ordening? Ergonomie?’
De ander keek hem lachend aan.
‘Psychologie? Antroposofie? Filosofie?’ Naar eer en geweten poogde Fallor het juiste antwoord te geven. ‘Economie? Sterrenkunde? Bouwkunde?’ Geamuseerd moedigde de student hem aan verder te gaan. Fallor noemde alle studies die hij kon verzinnen. ‘Letteren? Archeologie? Musicologie?’ Gaandeweg verdween de glimlach van de student. ‘Wiskunde? Medicijnen? Natuurkunde?’ De onzekerheid van Fallor groeide recht evenredig met de onzekerheid van zijn buurman. Wie nam wie in de maling?
Toen Fallor in herhalingen viel, omdat hij geen studie meer wist te noemen, was de ander ervan overtuigd dat Fallor precies wist wie hij was.
Ondersteboven verliet de student het pand. De man van de rake missers had weer toegeslagen.
 
 
Fallor op vakantie
Onderweg bleef mijnheer Fallor wachten tot de rivier voorbij was gestroomd.

Explosiediagram van Fallors geheime wapen: de GOLF