Waarom hield hij zo van fietsen?

Omdat hij dan nergens aan hoefde te denken.

 
En waarom wilde hij nergens aan denken?

Daarom.

 
Daarom is geen reden.

Zodra hij voorovergebogen in het zadel zat en de longen uit zijn lijf trapte, de wind voelde, of de zon of de regen of de hagel of de sneeuw, kregen al zijn gedachten de vrijheid. Uitgelaten vlogen ze door zijn hoofd, tjilpend en krassend, fluitend en schreeuwend, in feestelijke capriolen of woeste duikvlucht, nooit bang een veer te laten, nooit bang reserves te verspelen. Het kon hem niet lang genoeg duren. Fietsen was, hoe inspannend ook, de volmaakte ontspanning.

 
Vergelijkbaar met in bad zitten?

Meer nog met schaatsen. Of zwemmen in zee. Of als een hond met de poten omhoog door het zojuist gemaaide, hevig naar lenteachtige groei ruikende gras rollen. Dat schiep ruimte.

 
Ook voor ongewenst volk?

Onvermijdelijk.

 
Geef eens een voorbeeld?

Een vraag bij voorbeeld, sinds een week of drie, vier werd hij bestookt door een ongewenste vraag.

 
Welke vraag?

Zou jij van de brug springen als je daar beneden iemand om hulp hoorde schreeuwen?

 
Wanneer kwam die vraag bij hem op?

Halverwege de brug.

 
Altijd halverwege de brug?

Bijna altijd. Een enkele keer overkwam het hem dat hij er al ver voorbij was en er dus geen enkele aanleiding meer was om eraan te denken – dat het hem dan toch, ineens, te binnen schoot.

 
Hoe reageerde hij daarop?

Een beetje opgelucht, van de ene kant, eindelijk was het hem gelukt er eens niet aan te denken; maar ook met de pest in dat hij er nu, nu het helemaal niet meer nodig was, alsnog aan dacht.

 
Of was het feit dat hij er nu aan dacht, tegen zijn zin, een aanwijzing of misschien zelfs een bewijs dat er wel degelijk nog alle reden was eraan te denken? Dat er onbewust iets was blijven knagen?

Ongetwijfeld. Ongeveer zoals de voorzichtige verzuchting dat je eindelijk eens een dag geen tandpijn hebt gehad vrijwel zeker de voorbode is van een nieuwe pijnaanval.

 
Kon hij die vraag niet gewoon onmiddellijk uit zijn hoofd zetten?

Dat had hij vaak genoeg geprobeerd.

 
Hoe dan?

Met zacht geweld. Door te gaan neuriën of zingen, of door met een blik op het horloge te kennen te geven dat het tijd wordt voor het bezoek.

 
Hielp dat?

Nee. Hij wist dat het zelfbedrog was: mevrouw de vraag zat al breeduit op de makkelijkste stoel in zijn verhitte hoofd en prakkizeerde er niet meer over op te stappen. Ook liet ze zich niet meer met een serie plichtmatige gastvrijheidsreflexen afschepen. En nog nooit had hij die krampachtige kronkel uit haar lijf met een overtuigend antwoord kunnen oplossen.

 
Kon hij niet proberen haar vóór te zijn?

Op het moment dat hij aan haar dacht, al was het maar eentiende seconde, was het al te laat. Hij moest proberen haar vóór zijn.

 
Precies. Maar hoe?

Door bij het oprijden van de brug niet meer op of om te kijken. Door zich volledig te concentreren op zijn snelheidsmeter en/of kilometerteller. En desnoods door ook nog eens allerlei afleidende nutteloze berekeningen te gaan maken. Hij had het geprobeerd.

 
Werkte dat?

Niet in het minst. Al vanaf de eerste meters, in de lus die naar het fietspad op de Romeinse Brug slingert, zat madame La Question Brûlante pontificaal in de wachtkamer te kakelen en te jammeren. En ze wist precies hoeveel wachtenden er nog vóór haar waren. Na 396 meter, halverwege de twee gietijzeren lantaarnpalen met de gekromde leeuwenklauwen die het horizontale, plateauachtige middengedeelte van de brug begrensden, precies na 396 meter = 440 yards = 1320 voet kwam ze zonder kloppen binnen.

 
Had hij ooit werkelijk iemand om hulp horen schreeuwen, daar beneden?

Nee. En eerlijk gezegd was de kans daarop ook niet erg groot. Gezwommen werd hier niet (geen strandachtige oevers, te veel kolken) en gezeild en gesurfd nauwelijks (te veel beroepsscheepvaart). De enigen die hier ooit zouden kunnen verdrinken waren beroepsschippers, passagiers van rondvaartboten of vissers.

 
Vissers?

Vooral vissers. Misschien zouden die, halfverscholen aan de kant tussen het manshoge riet, wel eens kunnen uitglijden en met hun hoofd tegen een basaltblok slaan. Misschien zouden ze, dobberend in hun roeibootje, wel eens tot het maken van abrupte, krachtige, hen uit het evenwicht slaande bewegingen kunnen worden gedwongen, bijvoorbeeld als ze, wijdbeens staand, een stevige, tegenspartelende vis aan boord probeerden te krijgen. Misschien, misschien, het betrof zuiver hypothetische constructies.

 
Maar het zou kunnen gebeuren, toch, ooit. En hoe zou hij dan reageren?

Nou – dat hing ervan af, zo’n geweldige zwemmer was hij niet en met dat ruwe water hier beneden was de kans dat hij zelf zou verdrinken helemaal niet denkbeeldig en dan waren er twee mensen de klos uitsluitend tot meerder glorie van een abstract soort altruïsme.

 
Dus hij zou het niet zonder meer doen?

Nee, niet zonder meer.

 
Wanneer dan wel en wanneer dan niet? Had hij zich de situatie wel eens concreet proberen voor te stellen?

Een paar dagen geleden nog.

 
En?

Bijna halverwege de brug was hij afgestapt, had zijn fiets tegen een lantaarnpaal gezet en, over de leuning gebogen, naar beneden gekeken.

 
En toen?

Toen schrok hij van de diepte. Zo, rechtstreeks naar de rivier daar beneden kijkend, zonder objecten die de ruimte braken en het oog de illusie gaven in etappes, als over de stenen in een snelstromende bergbeek, naar de andere kant te kunnen springen, leek het wateroppervlak oneindig veel verder weg dan hij had gedacht.

 
Hoe ver? Tien, vijftien meter?

Gruwelijk ver in elk geval. Het duizelde hem. En even was hij weer dat jongetje van twaalf dat stoer de trap van de hoogste duikplank op klom maar eenmaal boven verstijfde van schrik en geen stap meer kon verzetten – en dat ding was volgens zijn schaterende vriendjes niet meer dan drie meter hoog. Hij moest een andere kant opkijken om zijn evenwicht niet te verliezen. Toen telde hij de stenen van de dichtstbijzijnde pijler, die als een enorme meetlat in het water stak, en vermenigvuldigde dat getal met de plusminus vijftig centimeter die elke steen in de hoogte mat.

 
Stelde die kennis hem gerust? Wist hij nu beter of en zo ja wanneer hij durfde te springen? Stond hij hier niet gewoon wat laffe uitvluchten te verzinnen met dat domme gereken terwijl daar beneden…

Uitvluchten? Wat voor weer het was – dat maakte wel degelijk uit. En wiedaar lag te schreeuwen – dat was de hamvraag.

 
…terwijl daar beneden iemand…

Iemand? Iemand? Zoveel mensen konden het niet zijn die hem zo lang met hun louter hypothetische geschreeuw aan het piekeren en peinzen konden houden. Nog geen tien. Vijf misschien, vijf zoiets, drie in feite, ja drie, niet meer en niet minder dan drie.

 
Dat is wel erg weinig. Hoe kun je dat verantwoorden? Ligt het niet in de natuur van de mens…

De mens heeft de natuur gelukkig achter zich gelaten. De natuur maakt geen onderscheid. Geen golf die zich afvraagt wie hij van boord slaat, geen bliksemschicht wie hij elektrocuteert. Ze is incorrect, doet niet aan taktiek of waarschijnlijkheidsrekening. De natuur is wreed.

 
En hij?

Hij maakte wel degelijk onderscheid! Het scherpste onderscheid zelfs! Stelde dát hem dan gerust?

 
Ja, stelde dát hens dan gerust?

Terwijl hij met grote snelheid brugafwaarts fietste en vrijwel zonder te remmen de lus nam die het fietspad op de brug verbond met dat langs de Kastanjelaan, waar hij op nummer 38 de vrouw met het zwarte haar hoopte te zien zodat hij op andere, minder zelfkwellende gedachten kwam, besefte hij dat niets, en zeker geen redenering, hem kon geruststellen.

 
Waar dacht hij zoal aan als hij – met redelijk succes – nergens aan wilde denken?

Aan het reukvermogen van een hond, de tas op zijn bagagedrager, de plak chocolade in zijn broodtrommeltje, een onwillige olifant, de boeken die hij de laatste weken had gelezen, een zwarte zwaan.

 
Hoefde hij dan nergens aan te denken als hij daaraan dacht?

Daar had hij zijn handen vol aan, als hij daaraan dacht.

 
Hoe ging dat, dat denken als hij nergens aan wilde denken? In welke volgorde dacht hij aan het reukvermogen van een hond, de tas op zijn bagagedrager, de plak Côte d’Or in zijn broodtrommeltje, een onwillige olifant, de boeken die hij de laatste weken had gelezen, een zwarte zwaan?

Eerst dacht hij aan het reukvermogen van een hond. Vanochtend had hij gemerkt dat je een slapende hond wakker kon maken door één plak af te snijden van een al dagen eerder aangesneden cervelaatworstje, hoe weinig prominent, tussen drie soorten ham (uit het zakje), een fors stuk belegen Goudse kaas (op een plankje), een ontbijtkoek (waarvan de verpakking aan één kant opengescheurd), potten appelstroop (dicht), pindakaas (open) en bosbessenjam (dicht), dat ding ook op tafel lag. Eerst dacht hij nog dat de hond het zagende snijden of het gekras op het plankje gehoord moest hebben, maar toen hij vijf minuten later opnieuw een plak van het worstje sneed en er ditmaal speciaal op lette niet het miniemste geluid te maken, sprong die zacht deinende zwabber in een hoek van de keuken al bij de eerste voorzichtige haal van het gekartelde nies overeind in zijn alerte hondenvel. Het kon niet anders of het beest moest de geurstof die bij het snijden vrijkwam onmiddellijk hebben opgesnoven.

 
En toen?

Toen dacht hij aan zijn tas, waardoor hij automatisch achterom keek. Dat ding, een schooltas van lichtbruin, heerlijk geurend juchtleer met het in de omslagflap gedrukte merk ‘The Canadian Team’ [wat wel op het destijds volkomen onverslaanbaar geachte Canadese ijshockeyteam moest slaan], dat rotding hing alweer bedenkelijk scheef op de bagagedrager.

 
Hoe kwam dat?

Ten eerste waren zijn snelbinders te slap. Ten tweede was het hem kennelijk weer niet gelukt de inhoud van zijn tas gelijkmatig te verdelen.

 
De hoofdschuldige?

De twee appels (Granny’s) die nu eenmaal dikker waren dan het aluminium broodtrommeltje (vandaag gevuld met een stuk Côte d’Or, puur) en de paar boeken die er in zijn tas zaten.

 
Moest hij afstappen en de boel rechttrekken? Of had het ding zich, na enig opstandig schokken, wrikken en wringen in zijn innerlijke onevenwichtigheid geschikt en een zekere stabiliteit hervonden?

Dat vroeg hij zich ook af.

 
Maar wat deed hij?

Niets. Doorfietsen. Nergens aan denken.

 
En wat dacht hij toen?

De intelligentie van dieren, dacht hij toen, is onnadrukkelijker maar als het erop aankwam gefundeerder dan die van mensen. Want, hoe onvoorstelbaar dan ook, verbonden met de geaardheid van hun zintuigen.

 
Kon hij dat bewijzen?

Morgen zou hij dat bewijzen. Morgen zou hij, in plaats van het gekartelde mes, het veel dunnere en scherpere aardappelschilmesje gebruiken. Overmorgen zou hij de Goudse kaas vervangen door camembert. Of desnoods door rommedoe.

 
Hoe kwam hij op die onwillige olifant?

Heel even vroeg hij zich af of de plak Côte d’Or in zijn broodtrommeltje niet zou smelten en toen moest hij denken aan het verhaal van die Afrikaanse olifant – waar had hij dat ook weer gelezen? Het dier staat voor een brug, nadat hij al probleemloos over godweet hoeveel bruggen is gelopen, en weigert ineens nog één stap te verzetten. Zoete broodjes noch harde klappen helpen. Die brug, een houten brug over een ravijn, leek het dier – aldus de interpretatie van zijn begeleiders – niet stevig genoeg om zijn gewicht te dragen.

 
Hoe kwam hij aan dat verhaal?

Misschien uit een van de boeken die hij de laatste weken had gelezen. Intimiteit onder de Melkweg, Meneer Cogito, Van de rusteloze woelgeest, Soldatenbordeel, Tenebrae.

 
Kwam daar dan een olifant in voor?

Nee, daar kwam nergens een olifant in voor.

 
Zat er in zijn tas ook nog een boek?

In zijn tas zat De ontmaskering van de charlatans van Lucianus – geen idee of daar een olifant in voor kwam.

 
Waar dacht hij toen aan?

Weer aan zijn tas. Helde die nu nog verder over naar links of was dat verbeelding? Met mandarijntjes, kiwi’s of perziken had je die bobbels nooit. Maar die hadden het stuk voor stuk al eens onder de druk van zijn snelbinders begeven en een enorme kleddertroep aangericht in het interieur van zijn Canadese ijshockeytas.

 
En toen?

Toen aan zijn Côte d’Or. Hij stelde vast dat die daar veilig opgeborgen zat, daar in zijn broodtrommeltje.

 
En toen?

Toen vroeg hij zich af of erbij had gestaan of die olifant al eens eerder door een brug was gezakt. En of hij om hulp had getrompetterd. En of die lui soms nooit van dieptevrees hadden gehoord.

 
En toen?

Toen keek hij naar beneden en zag de dode zwarte zwaan. Hij was er nog steeds, halfvergaan, een slappe, wiebelende zak modderige veren, maar nog altijd met te veel weerbarstige substantie om tussen de takken van de afgescheurde, gedeeltelijk vlak boven, gedeeltelijk in het water hangende boomtak waarachter hij was blijven haken, door te glippen. Wie niet beter wist zou hem voor een verfrommelde grijze vuilniszak houden.

 
Dat hij ruste in vrede. Terug naar het fietsen. Het begin. Hoe ging hij van start, als fietser?

In strijd met alle wetenschappelijke inzichten omtrent het langzaam en gefaseerd van binnenuit opwarmen van het lichaam alvorens er grote prestaties van te verlangen, ging hij er altijd al vanaf de eerste meters voluit, en dus onverantwoordelijk hard, tegenaan – hij hield niet van zondagsrijders en ‘s winters moest hij bovendien snel voldoende lichaamswarmte ontwikkelen om de kou te vlug af zijn. Als een schicht vloog hij over de weg, tot schrik en vermaak van de slordige plukjes keuvelend pedalerende schoolkinderen, die hij met een ultrakorte, onmiddellijk met de hand gedempte, maar desalniettemin dwingende rinkel van zijn bel verzocht om even achter elkaar te gaan fietsen. Op het moment van passeren zette hij extra aan (‘erop en erover,’ imiteerde hij binnensmonds de tv-wielercommentator) zodat dat volkje niet als een joelende sliert aan zijn wiel kon blijven plakken, om hem dan ook nog, vlak voor school, als hij alle energie uit zijn lichaam had gefietst, triomfantelijk en schijnbaar zonder moeite voorbij te sprinten.

 
Veranderden zijn fietstochten zo niet in wedstrijden?

Soms wel ja, zij het dat hij het hoofdzakelijk opnam tegen imaginaire tegenstanders. Dat wil zeggen: tegenstanders die er geen benul van hadden dat ze dat waren.

 
Had dat nadelen?

Dat had het nadeel dat hij, als hij won, weinig roem en bewondering oogstte.

 
Had dat voordelen?

Dat had het voordeel dat hij, als hij verloor, niet ook nog het slachtoffer kon worden van het leedvermaak van zijn tegenstanders.

 
Wie kon er zoal tegenstander worden?

Tegenstander kon iedereen worden, van het ene moment op het andere. Een klein meisje op een driewieler; een invalide man op een snorfiets; twee tegen de wind in ploeterende oude dames; een zomers zwierende jonge moeder met een baby voor zich in het stuurstoeltje – al op grote afstand konden ze, zonder ook maar een moment uit hun droomwereld te worden verdreven, veranderen in een doelwit – kopgroep of eenzame vluchter – dat binnen vijfhonderd meter, voor het ruiterstandbeeld, het Singelplein, het tweede stoplicht op de Industriekade of de lus naar de Oude Romeinse Brug, moest worden ingehaald, want daar was de finish.

 
Hoe verliep zo’n wedstrijd?

Zij mochten zich nog van geen gevaar bewust zijn (hoewel er nu een ploegleiderswagen naar hen toereed om hun op de hoogte te stellen van de snel slinkende voorsprong en, wie weet, de mogelijkheden van een onverwachte tactische troef te bespreken), hij kon intussen aan het opgewonden gejuich van het gevaarlijk de straat opdringende publiek wel horen dat hij bezig was met een onwaarschijnlijke jump. Zijn naam zou in de annalen van deze nu al historisch te noemen ronde in onuitwisbare bewoordingen worden bijgeschreven – dat gaf hem vleugels.

Op het wegdek las hij zijn naam, Monsieur Chrono, in lang uitgerekte letters, om de negen à tien pedaalomwentelingen, oftewel 32 à 35 meter. Zou hij een zwaarder verzet aandurven? Eén tandje meer, om te beginnen? Dan was hij met acht of negen omwentelingen één naam verder. Maar wel met het risico van een funeste ritmeverstoring of domweg doodvallen.

Dat risico moest hij nemen. Hij was niet voor niets de ongenaakbare tempobeul en schrik van het peloton, die het niet alleen tegen wielrijders van alle leeftijden opnam maar ook tegen stoplichten, vogels, vliegtuigen, honden, schimmen, fata morgana’s, schaduwen, wolken en – haast elke dag – treinen, vooral treinen, hoe langer hoe liever. Niets zo mooi als het verslaan van zo’n kolossaal gevaarte. Mens tegen machine, de uitdaging van de eenentwintigste eeuw. Het viaduct, waar de trein overheen moest en hij onderdoor, was de finish. Alleen was het in dit geval niet de bedoeling de trein vóór te zijn, maar om hem te kruisen; als hem dat niet lukte had de trein gewonnen. Het volkomen plotselinge oorverdovende, apocalyptische gedender, uitsluitend in de onderwereld van het viaduct te ondergaan, dáár ging het om.

 
Hoe kwam hij aan zijn naam?

Als kind was hij ooit, aan de hand van zijn vader, naar een plaatselijke wielerwedstrijd gaan kijken. Nou ja, kijken… Tussen de opgewonden toeschouwers vóór hem had hij niet meer dan af en toe een glimp van de renners opgevangen. Wat hem ervan zou bijblijven lag op een ander vlak: de penetrante geur van olie waarmee ze hun benen insmeerden, hun gevloek en gefluim, het sissende geluid van hun tubes – alsof er een veelkoppig monster voorbijschoot. Wie er had gewonnen, moesten ze via de luidsprekers horen: Jan Hugens, de regionale favoriet, met overmacht. Hij was een klasse apart, onze Jan.

Sinsdien was hij Jan Hugens. Tot hij van een vriendje hoorde dat Jan Hugens een beginneling was vergeleken bij Raymond Poulidor. Dat vriendje zat elke middag om vier uur met zijn hoofd in de radio en kende de volgende dag op school de namen van de eerste tien renners met bijbehorende landen en tijdsverschillen uit zijn hoofd, plus alle klasseringen van de Nederlanders en hun verdiensten totdantoe. Poulidor was de lieveling van het verwende Franse publiek, zei hij, ook al was hij altijd tweede. Of misschien wel juist daarom. Ze hielden van Poupou, de Fransen.

Sindsdien was hij Raymond Poulidor. En ja, bij het eerste het beste klimmetje was het duidelijk: Jan Hugens was een beginneling vergeleken bij Poupou. Nooit eerder was hij zo makkelijk omhooggegaan, nooit eerder had hij het publiek zo uitbundig gezien. Tot hij een paar dagen later van hetzelfde vriendje hoorde dat Poupou had opgegeven, wegens darmstoornissen of iets dergelijks, maar volgens kwade tongen omdat de sympathieke wijnboer geen zin had om voor de zoveelste keer tweedst te worden achter Jacques Anquetil, Monsieur Chrono.

Sindsdien was hij Monsieur Chrono. Met een tweede plaats kon een aanstormend en ambitieus talent als hij geen genoegen blijven nemen. Alleen de eerste plaats telt, internationaal.

Met Monsieur Chrono was hij zeer tevreden. Die naam straalde macht en ongenaakbaarheid uit. Hij liep, ongeacht de omstandigheden, als een geoliede machine. Of liever: als een Zwitsers precisieuurwerk. Nooit hoorde je hem hijgend en kreunend zijn rondjes draaien, nooit hoorde je hem vloeken, nooit hoorde je hem zijn fluimen uit zijn neus schieten. Monsieur Chrono was een gentleman-coureur.

 
Was hij een man van de klok?

Monsieur Chrono stelde het op prijs als mensen zich aan hun afspraken hielden. Aan te-laat-komers had hij een hekel. Acht uur is acht uur, niet half negen. In dat opzicht was hij wel een tikkeltje ouderwets. In sommige andere opzichten trouwens ook. Als er niemand in de buurt was, schuwde hij, in een vermetele poging zijn mentaliteit historisch te verankeren, het woord burgerlijk zelfs niet.

 
Burgerlijk? Herinnerde hij zich de tijden dat ‘burgerlijk’ een scheldwoord was?

Ja, maar al te goed. Burgerlijk stond voor grijs, kleurloos, ijverig, gehechtheid aan gewoontes en wars zijn van avontuur, in één woord: voor op tijd komen. Hij herinnerde zich een ver verleden waarin al die dingen ook voor hem iets verachtelijks hadden. Burgerlijk, dat waren altijd de anderen.

 
Wanneer was hij dan de aangename kanten van die burgerlijkheid gaan ontdekken?

Dat kon hij niet precies zeggen. Zeker is wel dat hij nu maar een seconde om zich heen hoefde te kijken om te zien wat men onder kleurrijkverstond – en hij zong, zachtjes voor zich uit maar met volle overgave, de lof van de kleurloosheid. Na een bezoekje aan het winkelcentrum kon zijn liefde voor grijs gevaarlijk monomane, haast fundamentalistische vormen aannemen.

 
En het substantief waar het woord ‘burgerlijk’ van was afgeleid, die goede, oude burger, bestond die nog?

Kwijnend, hoogstens. Burgers waren ooit mensen met gemeenschappelijke belangen, stadsbewoners die wisten dat ze op elkaar waren aangewezen. Ziekenhuis, bibliotheek, school, stadsreiniging, bejaardenhulp, plantsoenendienst, cultuurtaal en burgerzin waren daarvan het resultaat. Maar de trots daarover was bij Monsieur Chrono, zo die hem zèlf al ooit naar het hoofd was gestegen, allang en grondig verbleekt. Weemoed maakte zich van hem meester telkens als hij langs zijn oude (1906), op de neogothische façade na geheel gesloopte en tot parkeergarage omgebouwde middelbare school fietste en besefte dat er van die oude burgerzin, en zeker die burgertrots, niets meer over was. Alleen de herinnering aan de naam Hogere Burger School kon hem al sentimenteel maken.

 
Droeg Monsieur Chrono een horloge?

Het grootste deel van zijn leven had Monsieur Chrono geen horloge gehad. Toen hij vijfentwintig jaar in Rijksoverheidsdienst was, had hij er – ondanks zijn voorzichtig, te voorzichtig geuite reserves – een gekregen, maar ook dat geval, veel te pompeus, te zwaar en van te veel onzinregistaties voorzien (hoe laat het was in Kuala Lumpur en wanneer de zon onderging in Alaska), droeg hij zelden tot nooit. Op tijd komen met horloge, dat kon iedereen. Monsieur Chrono wilde demonstreren dat je zo’n ding helemaal niet nodig had. Als hij een afspraak had, elders in het land of aan de andere kant van de stad, schepte hij er een heimelijk genoegen in om op de minuut af op tijd te zijn. En liefst zodanig dat het leek alsof het hem dat geen enkele moeite had gekost.

 
Had hij dan geen last van die bommelding op het CS? Van die verkeersopstopping in het noorden van de stad? Van die blokkade van de toevoerwegen door protesterende boeren?

Soms had hij daar wel degelijk last van. Soms vervloekte hij alle boeren, vrachtwagenchauffeurs en bommenleggers ter wereld. Soms, vaker dan hem lief was, had hij zelf iets van een op hol geslagen klok. Pogingen het tij te keren, hielpen dan niet meer. Eenmaal tot voorbij een bepaald punt opgewonden, kon alleen het o zo tergend langzaam verstrijken van de tijd hem weer in een ontspannen ritme brengen. Dat vervulde hem met zelfhaat en een algeheel gevoel van mislukking.

 
Hoe bestreed hij dat gevoel?

‘s Avonds laat, in bed, probeerde hij dan de droom van zijn kinderjaren te dromen. Hoe hij als Didi, Vava of Garrincha (van het wonderteam van het Braziliaanse Botafogo) in één onnavolgbare schijnbeweging door de vijandelijke defensies slalomde. Hoe hij als Roger Bannister in een volgepakt, kolkend Olympisch Stadion met een enerverende eindsprint een voor onmogelijk gehouden wereldrecord vestigde op de klassieke Engelse mijl. Hoe hij als Monsieur Chrono werd toegejuicht als hij, op kracht èn op souplesse, de beslissende tijdrit van Etampes naar Parijs (49,6 kilometer) won in een droomtijd (1 uur, 5 minuten, 12 seconden).

illustratie