In december van het jaar 1989 openbaarde zich bij Aurelia Kronich de onstuitbare drang alles te vertellen wat ze op haar hart had. Geen geheim, haar ooit toevertrouwd, kon zij binnen houden. Haar plots opwellende woordenvloed verbijsterde ons, die haar die middag vanwege haar dertigste verjaardag hadden opgezocht. Sommigen dachten aan een epileptische aanval en raakten in paniek omdat ze niet wisten hoe te handelen. Anderen keerden in een klap terug naar het geloof, dat ze de jaren daarvoor zo overtuigd hadden afgezworen. Zo onder de indruk waren ze van deze gebeurtenis dat ze in Aurelia een mystica zagen, die haar eeuwenlange stilzwijgen doorbrak om alles wat ze ooit gezien en gehoord had in horten en stoten – haar spreken leek die middag inderdaad op braken – aan de openbaarheid prijs te geven.
Ze leek op ons geen acht te slaan, terwijl ze toch alles wat we haar in intieme gesprekken hadden toevertrouwd, open en bloot op tafel legde. Zo kwamen we te weten wat voor slechte gedachten we over elkaar hadden zonder dat we ook daar maar ooit een vermoeden van hadden gehad. Binnen de kortste keren lagen onze verhoudingen die ons toch zo vriendelijk, loyaal en respectvol hadden toegeschenen aan gruzelementen. Ze vertelde royaal over onze heimelijke genoegens, ze putte zich uit in het omhooghalen van de drek die op de bodem van onze levens lag, ze trok het masker af van onze leugenachtigheden en dubbele hartigheden. Maar wat die middag als een nachtmerrie begon, waarbij wij niet wisten in welke hoeken we moesten verdwijnen, veranderde geleidelijk aan in een omgekeerd reinigingsritueel: al het gif, dat zijn werking te danken had gehad aan zijn onzichtbaarheid, besmeurde onze schone illusies, die tenslotte onder een dikke drab verstikten.
Het gezelschap raakte verhit door het in een opvallend hoog tempo nippen aan de glaasjes verraderlijke likeur, waarvan de smaak bij mij de herinnering opriep aan lome dagen een kwart eeuw geleden toen ik uit school kwam en ik mijn moeder en tantes verenigd zag rond de haard in onze gelagkamer (mijn vader was toentertijd restauranthouder), advocaat met slagroom lepelend. Daarbij zagen ze ook nog hun kans schoon zowat iedereen uit ons dorp over de tong te laten gaan die in hun ogen volstrekt minderwaardig was. Ik had een grote hekel aan die samenscholingen, niet alleen omdat mijn moeder me nauwelijks opmerkte als ik binnenkwam, zo ging zij op in de roddels en kletspraat die op zo’n moment de ronde deed, maar meer om de vergiftigde dampen pen die uit dat oudewijvengepraat opstegen.
Ik herinner me heel goed hoe uitvoerig werd gesproken over onze buren, die volgens mijn moeder niet te vertrouwen waren en die zo fout als wat waren geweest in de oorlog. Of ze zelf een knip voor hun neus waard waren geweest of door puur toeval of domheid buiten de scheidslijnen fout/goed waren gevallen, stond niet ter discussie. Toen de oorlog afgelopen was waren ze, ook al hadden ze nooit een hand uitgestoken, gewoon goed geweest. Maar de buren hadden het niet kunnen laten zelfs een kind uit Duitsland in huis te nemen, een provocatie van jewelste. Zo hoorde ik voor het eerst van Aurelia Kronich, vrijwel even oud als ik. Ze werd aanvankelijk angstvallig binnengehouden door de buren. Later kwam ik haar tegen in het park en raakte meteen door haar betoverd. Zij was mijn allereerste verliefdheid, althans de eerste die mij van een dergelijke labiele toestand bewust maakte. Zij keek mij aan, ik keek haar aan en elke dag op het zelfde uur liep ik naar het park om haar bij toeval tegen het lijf te lopen. Mijn leven was op twaalfjarige leeftijd teruggebracht tot het verlangen naar die drie minuten in het park, waar onze blikken, zij van de meisjesschool en ik van de jongensschool komend, elkaar elektrificeerden. Daar leerde ik de betekenis van het woord schuchterheid kennen. Aurelia was een uitgesproken timide meisje en wellicht had ik me vooral tot haar aangetrokken gevoeld door haar verlegenheid die in zo’n schril contrast stond met de loslippigheid van mijn moeder. Pas jaren daarna zou ik voor het eerst een woord met haar wisselen. We waren elkaar uit het oog verloren.
Op de universiteit bleek ze dezelfde studie te volgen (psychologie).
Ze raadpleegde mij bij het maken van een werkstuk dat zou handelen over een casus die Freud in zijn studies over de hysterie heeft beschreven. Hij had haar, Katharina, zoals hij haar noemde, in augustus 1893 ontmoet en was in een mum van tijd de oorzaak van haar zenuwinzinking op het spoor gekomen. Voor Freud was de zaak een stimulans geweest voor de ontwikkeling van zijn gesprekstherapie. Toen we met elkaar in gesprek raakten, gaf zij in spaarzame bewoordingen antwoorden op mijn vragen. Ze herinnerde zich mij als buurjongen nog wel, maar het was haar niet opgevallen dat wij elkaar zo regelmatig in het park van het dorp waren tegengekomen. Op mijn vraag waar ze de eerste jaren van haar leven had doorgebracht voordat zij in ons dorp was komen wonen, zweeg ze. Op mijn vraag, later in het gesprek, waarom ze zich zo interesseerde voor het geval van Katherina, het alpenmeisje, vertelde ze me dat ze naar haar was genoemd, dat ze waarschijnlijk verre familie was, maar dat het haar niet ging om een analyse van de anamnese van een psychiatrisch geval. Het ging haar eerder om de bronnen van het vertellen. Zo uitvoerig was ze verder in het gesprek niet meer geweest en zo uitvoerig zou ze ook later niet meer worden, hoewel onze ontmoetingen de jaren daarna steeds frequenter werden. Zij voornamelijk luisterend, ik pratend. Ik voelde me bij haar om een of andere reden veilig. Regelmatig stuurde ze me een artikel of de fotokopie van een passage uit een of ander boek, vrijwel altijd zonder begeleidend commentaar. Op mijn vijfentwintigste verjaardag gaf ze me een vertaling van de Gorgias van Plato cadeau. Later zag ik dat ze daarin met een licht potloodstreepje een passage had aangestreept die handelde over oude vrouwen die afdaalden naar de haven van Athene, waar jongens en meisje aan boord gingen van het schip dat hen naar Kreta zou varen. Daar zouden ze worden geofferd aan de Minotaurus. In de verhalen vertelden oude wijven verhalen aan deze kinderen om hun te troosten in hun verdriet. Ik wist niet wat ik er mee aan moest, waarom zij uitgerekend deze passage voor mij van belang achtte.
Op 15 december 1989, op bezoek bij haar, begreep ik voor het eerst dat zij al die tijd aan een ziekte geleden had, een soort kankergezwel dat die middag in alle hevigheid tot uitbarsting was gekomen. Zij die zo lang gezwegen had, hield niet meer op met praten. Het merkwaardige was dat we aan haar lippen hingen en dat de ruimte veranderde in de kamer van vroeger, waar oude vrouwen veranderden in sissende slangen en zij in het midden gezeten het harde gelag betaalde voor datgene, waaraan wij schuld hadden.