Voor Joeki Broedelet
 
 
 
Ik liep over het karrespoor
op een krakende winterdag

Mijn moeder kwam me tegemoet
figuurtje in de verte

De nacht ervoor droomde ik
dat ik een scheepje zeilen deed

Mijn hand streelde het kroos
in de blikkerende sloot

Het scheepje zeilde naar de overkant
en raakte klem in het oevergras

Ik keek op en zag mijn vader staan
hij stak zijn arm door prikkeldraad

Hij keek me smekend aan
mijn vader vroeg aan mij om brood

Op die landweg, moeder
hield je me minuten vast

Je ogen waren rood
je jas die rook naar stad

De Duitser had per kaart gemeld
mijn vader hij was dood

In Neuengamme, bitter oord
daar hadden ze hem vermoord

Ik voelde niets
maar wist dat ik iets voelen moest

Keek langs mijn moeders mouw
naar het lokkend bos

Pas toen het kon vertelde ik honderduit
over wat mij werkelijk bezighield

De strik die ik had gezet
voor het konijnenhol

De hut die ik aan het bouwen was
in de boom die niemand kende

Eerst later voelde ik pijn
die niet meer overging

Die nog mijn lijf doortrekt
nu ik dit schrijf

Lang geleden, toch dichtbij
de tijd duurt één mens lang

20-2-1980