En met de honden ver vooruit tenslotte
toch een plek te vinden, plaats misschien van bestemming
aan de rand ervan de takken uit elkaar te buigen
‘t uitzicht dat zichzelf schildert
als iets wat niet, nee, nergens over gaat
te beschrijven als niet net tussen vloeiblad
en papier een vlieg was geplet
dichtgesneeuwd beeld later, voorstelling
vastgepind aan waaiende struiken
hoe bijvoorbeeld blauwe regen klimt langs de vorst van ‘t huis
en pluizen die ik wegblaas omlaagzweven
naar de aanlegsteiger beneden
ontsnapt me niet nu, maar voor altijd hierna
terwijl asbest krimpt en scheurt
bovenop de daken, groeien vlieren uit de laadruimte
van achtergelaten wagons, zet ijzel zich af
als glazuur op ‘t steenslag, wuivend
gras tegen dat ‘t avond wordt
alles nog eenmaal in lichterlaaie
blad papier dat binnen z’n dubbele begrenzing de neerslag hiervan bewaart –
dat te beschrijven