Aristoteles, Phys., IV, 214 a 4

Zeggen wat Roberto Bazlen dacht zou aanmatigend zijn: wél zeker is dat zijn aanwezigheid tot anderen tot nadenken stemde. Er kunnen heel wat zinnen, meningen, aforismen, zelfs lange redenaties aan hem worden toegeschreven, onder meer wat van hem is gepubliceerd. Maar niets geeft ons het recht die gegevens tot hun uitgangspunten te herleiden: Bazlens woorden waren precieze richtingwijzers, maar toch kon niemand zeggen van waar naar waar ze verwezen. Die uitgangspunten ontmoetten elkaar tussen een einddoel en een vertrekpunt – die niet waren aangegeven en waar alles van afhing – hoogst zelden: wanneer dat wel gebeurde, was dat dankzij een misverstand. Bazlen verzweeg de axioma’s, lapte de spelregels van het denken aan zijn laars, heeft nooit aangegeven die te willen respecteren. Zijn striktheid gehoorzaamde aan andere criteria.

Hij was geboren in het Habsburgse Triëst en zou zich van dat klimaat, die mix van beschavingen, altijd verscheidene sterke punten herinneren. Maar het onderwerp Triëst kunnen we beter meteen afronden, want dat zet ons op het verkeerde spoor. Bazlen was een post-historisch mens, aan wie geen enkel cultureel kader, geen enkele reconstructie van het milieu recht kan doen. Met het ouder worden, werd hij steeds onmiskenbaarder de nog onervaren bewoner van een wereld die, volgens de logica van de essenties, de volgende wereld zou worden, als de onze eenmaal was vergaan. Dankzij dat vermogen tot anticiperen had hij, bijvoorbeeld, al heel vroeg het begin van de derde wereldoorlog voorzien, zoalsh ij ooit vertelde: ‘1945. De oorlog is net afgelopen. Via del Babuino leeg, de winkels dicht. Uit een zwarte auto stapt een voornaam bejaard stel dat blijft staan om naar meubels in de etalage van een antiquair te kijken.’

We worden niet alleen, zoals Coleridgde wilde, als mensen in de Platoonse of Aristotelische zin van het woord geboren, we kunnen ook als taoïst worden geboren – zoals Bazlen. Niet dat hij dat ooit had verklaard: directe verwijzingen ontbraken volledig of kwamen uiterst zelden in zijn uiteenzettingen voor. Dat zegt echter niet zo veel: Bazlen was iemand die extreem wantrouwig tegenover zijn eigen argumenten stond. In zijn schriften noteerde hij: ‘De ergste vijand is de vijand die onze eigen argumenten gebruikt.’

Zijn verbluffende wendbaarheid, zijn stuwende kracht – ‘orde in de beweging’- zijn verknochtheid aan de leegte, de vertrouwde wisselwerking tussen tegengestelden, zijn antenne voor ophanden zijnde gebeurtenissen, waren taoistisch. Om dat te bereiken is psychologisch inzicht – wat Bazlen wel degelijk bezat – niet genoeg, maar ook de opmerkzaamheid nodig van iemand die de eigen sporen weet uit te wissen, van iemand die de chaos tot het uiterste weet door te drijven en zich de volgende dag kan terugtrekken in een orde die uit een handvol elementen bestaat – zoals die waarmee hij zich in de tweede helft van zijn leven omringde, weinig, doeltreffend, omdat elegantie en een esthetisch gevoelig oor een onontbeerlijke biologische functie ontwikkelen: ze houden de uiterlijke verschijning in stand, voorkomen dat de spiegels barsten.

Er zijn onoverkomelijke tegenstrijdigheden: een geletterd man wil niets van oosterse wijsheid weten; de onbevredigde mens die de oosterse wijsheid najaagt, wil niets van literatuur weten; een erudiet iemand wil niets van ervaringen buiten boeken om weten; wie buiten boeken om ervaringen opdiet, wil niets van filologie weten; wie op bevindingen van de wetenschap vertrouwt, heeft geen vertrouwen in de bevindingen van de mystiek; wie de mystiek hoog heeft, verafschuwt experimentele onderzoeken; wie naar het moderne kijkt, ziet de barbaarsheid van het verleden; wie naar de oudheid kijkt, ziet het verval van het heden.

Logische gevolgen: de geletterde mens spreekt in gemeenplaatsen over de ultieme dingen; de lezer van populaire verhandelingen over de Oriënt houdt van elke willekeurige vorm van spirituele Kitsch; de erudiete mens weet niet te leven; de mens die het leven kent maakt fouten in de zinsbouw; de wetenschapper verklaart de wereld door haar tot een armzalige voorstelling te reduceren; een enthousiast mens kan niet rekenen; wie het nieuwe bewondert, ziet de oudheid van het heden niet; wie op restauratie uit is, ziet het moderne van de oudheid niet. Al deze tegenstrijdigheden zijn een tamelijk recente ontdekking, een van de vele consequenties van het vruchtbare schizoïde grondbeginsel dat ons al een hele tijd lang beheerst. Wie zich niet aan deze stelregels houdt is verdacht, nauwelijks serieus te nemen, een eclecticus, iemand die verwarring zaait. Bazlen trok zich van geen van deze tegenstrijdigheden – en nog heel wat meer – iets aan. In die zin wist niemand zo veel verwarring te zaaien als hij. Bazlen kon alleen zo’n middelpuntvliedend vermogen hebben omdat er in zijn kern een leeg punt was dat alles gaande hield: vanuit dat punt gezien, wekten de verschillende elementen beslist niet de indruk van een warboel, hoogstens van een vorm die telkens weer heel even af was, die al naargelang de ademhaling van zijn onderdelen uitdijde of kromp. Er was een samengesteld geheel, maar er was vooral die latente waakzaamheid van dat lege punt. Tegenwoordig is het niet moeilijk zichzelf te bekladden met allerlei merktekens, de voorraadkamers van de cultuur zijn nooit zo welvoorzien en beschikbaar geweest, op straat komen we mensen tegen die zijn getatoeëerd met letters die ze niet eens hebben hoeven lezen. Het tot stand brengen van een leegte, daarentegen, is een uitzonderlijk gebeuren – is dat altijd geweest -, maar dat niet alleen: de leefwijzen die tegenwoordig het meest gangbaar zijn, voeden op tot het vergeten van zelfs de mogelijkheid van de leegte. En die mogelijkheid was Bazlens meetkundige plaats.

Vrienden en vijanden hebben geklaagd dat ze door Bazlens werk voortdurend op het verkeerde been werden gezet. Maar die, laten we zeggen, misleiding, is juist een van zijn belangwekkendste ontdekkingen geweest. Ik zou niet willen dat iemand denkt dat de publicatie van verscheidene geschriften van Bazlen moet worden opgevat als het verlaat goedmaken van een zonde. Op deze bladzijden staat geen samenhangend werk, maar alleen een aantal door anderen tot een boek samengevoegde aantekeningen. Bazlen is er zo goed in geslaagd door alle mazen heen te glippen dat hij ook deze poging om teksten aan zijn naam te verbinden tot mislukken heeft gedoemd. Ik zou zelfs zeggen dat dit de voornaamste reden was om te besluiten deze teksten te publiceren: de zekerheid dat geen enkele poging volstaat om van dit schimmige werk het werk van Roberto Bazlen te maken. De tekst van de Note senza testo is altijd elders geweest. Ik zou evenmin willen dat dit geheel werd opgevat als een laatste stuiptrekking van de romantische cultus van het wel-of-geen-werk, het schitterende onvoltooide, het leven dat niet herleidbaar is tot het keurslijf van de vorm. Het romantisch-nihilistische deel dat zich in Bazlen roerde was heel wat radicaler en had hem de gelegenheid gegeven ook dat allerlaatste beeld van een twijfelachtige verlossing aan te tasten. Toen deze destructio destructionis was volbracht, zat er niets anders op dan de blik voorbij de wulpse krullen van de onmogelijke literatuur te richten.

Bij de aloude schermutselingen tussen de mens van het boek en de mens van het leven, vertegenwoordigde Bazlen de mens van het boek die volledig in het leven staat en de mens van het leven die volledig in een boek te vinden is. Van de vele oplossingen die de verwoeste wereld hem bood, had hij die onmogelijkheid gekozen. ‘Er is het tijdperk van de prologen, het tijdperk van het werk, het tijdperk van de epilogen. (Maar onze ten dode opgeschrevenen waren niet in staat epilogen te schrijven.)’1 Bazlen, echter, was opgegroeid tussen epilogenschrijvers die niet in hun rol berustten, dat was zijn terrein, het terrein van de mensen die tussen 1860 en 1910 waren geboren (hij was van 1902). In die jaren had zich de onomkeerbare en mysterieuze transformatie voltrokken die Bazlen beknopt heeft vastgelegd in een noot: ‘Tot Goethe: de biografie geabsorbeerd door het werk. Sinds Rilke: het leven tegenover het werk.’ Oorsprong en gevolgen van het proces dat in deze passage is samengevat, reiken even ver terug als vooruit. Precies als de innerlijke spanningi n het werk zijn maximale intensiteit bereikt, precies als het zich ontworstelt aan elke afhankelijkheid, onthult die spanning ook de onbeduidendheid van het uitgangspunt ervan: het werk zien binnen de categorie van het resultaat en met name als de projectie van een subject in een object. Dat betekent de ondergang van het werk: de tot dan toe listig vermomde schim van de Kitsch wordt getransformeerd tot het corpus van de kunst. Het werk verliest zijn statuut omdat het, welbeschouwd, geen resultaat is, geen projectie, niet toe te schrijven aan een ik. Twee tegengestelde opvattingen, die langdurig hadden samengeleefd binnen een bedenkelijk verband, worden nu onherroepelijk gesplitst: het werk als transformatie van materiaal staat lijnrecht tegenover het werk als projectie in een object. In de alchemistische traditie waren beide opvattingen nog verbonden: het opus alchymicum was tegelijkertijd de versnelde maturatie van de metalen én projectie, een demiurgische verrichting. In het moderne denken echter stevenen deze twee –inmiddels gesplitste – mogelijkheden elk afzonderlijk op een dodelijke tegenstrijdigheid af: het werk als transformatie van materiaal zou nooit vaste vorm mogen aannemen; het werk als projectie zal, als de beklemmende macht van de canon van de projectie – dat wil zeggen de retorica – eenmaal is ontmanteld, overgeleverd zijn aan de welwillendheid van het ik als enkeling, geëmancipeerd en mistroostig, een bijzonder afschrikwekkende valkuil.

Het is dus deel – en wel een doorslaggevend deel – van Bazlens werk dat hij geen werk heeft geproduceerd. Wat in een bepaald opzicht, voor wie er niets anders in kan zien, het merkteken van een steriliteit is, biedt aan de andere kant een verrassende bevestiging, uitzicht op het mogelijke. De paradoxen van het werk zijn onoverkomelijk en zenuwslopend. Er leven nog steeds verscheidene in deze materie doorknede geleerden die ze telkens en telkens weer onder de loep nemen en onomstotelijker, extremer, onoplosbaarder maken: natuurlijk wist Bazlen dat allemaal en de ernst ervan onderschatte hij al evenmin, maar wat hemzelf betreft, hij had zich als een zenmeester omgedraaid en een andere richting gekozen. ‘… Ooit werden we levend geboren en stierven we stkje bij beetje. Nu worden we dood geboren – en sommigen lukt het stukje bij beetje levend te worden.’ Dat moet voor Bazlen indertijd het meest urgente werk zijn geweest: stukje bij beetje levend worden. Een nooit eindigende transformatie die een goddelijke begaafdheid vereiste, niet alleen de wil tot transformeren, maar ook affiniteit met het getransformeerde: een als burgerman verklede sjamaan, die er allerminst op gesteld was te worden herkend, greep met lichtvoetige precisie in het web van de gebeurtenissen.

Tot de voornaamste kwaliteiten van een werk rekende Bazlen altijd wat hij ‘de-eerste-keerheid’ noemde. Een eigen gedachte, hoe miniem ook, een vluchtig gebaar, krijgen alleen al vanwege het feit dat ze voor het eerst plaatsvinden een andere betekenis, en het verwaarloosbare dat aan de wereld wordt vastgekoppeld verandert haar loop. Maar meteen erna is dat toevoegsel zijn doeltreffendheid al kwijt. Ook daarom verstond Bazlen zo uitstekend de kunst om de grond onder andermans – of zijn eigen – voeten weg te slaan, bezat hij de gave aan te tonen dat het niet noodzakelijk is op iets te steunen – zo’n steunpunt kan de beweging belemmeren. (Dat lege punt is, onder meer, iets waarop je niet kunt steunen.) En zijn beweging ging ononderbroken door, zonder einddoel, zonder vaste richting: een proces van autotransformatie waarin de geleidelijk tot leven geroepen elementen elementen de getijdebeweging van eb en vloed volgden, tussen een pool van uit de substantie losgerukte algebraïsche complexiteit, en een pool van in de substantie verborgen elementaire roerloosheid. Dat proces viel niet na te vertellen en niet te beschrijven – en had evengoed geen spoor kunnen nalaten.