In het hoge Noorden, op de scheidingslijn van de tajga en de toendra, tussen de dwergberken, de lage lijsterbesstruiken met hun verrassend grote, sappige, helgele bessen, tussen de zeshonderd jaar oude lariksen, die hun volle wasdom pas na driehonderd jaar bereiken, groeit een bijzondere boom, de dwergden. Het is een verre verwant van de ceder: een altijd groen naaldboompje met een stam die dikker is dan een mensenarm en zo’n twee, drie meter hoog. Het boompje is niet veeleisend en groeit, nadat het zich met zijn wortels in de rotsspleten van de berghelling heeft vastgeklemd. Het is moedig en koppig, zoals alle bomen in het Noorden. Zijn gevoeligheid is buitengewoon.

Het is laat in de herfst, en al lang tijd voor sneeuw en winter. Langs de rand van de witte hemelkoepel trekken al dagen kleine wolkjes, die een beetje blauw zien alsof ze bloeduitstortingen hebben. Maar sinds vanochtend is de doordringende herfstwind angstig stil geworden. Zit er sneeuw in de lucht? Nee. Er komt geen sneeuw. De dwergden is nog niet gaan liggen. En de een na de andere dag verstrijkt en het sneeuwt niet, de wolken dwalen ergens achter de heuvels, en aan de hoge hemel is een bleek zonnetje opgekomen, het is nog steeds herfst…

Maar dan buigt de dwergden zich. Buigt zich dieper en dieper, als onder een onmetelijke, steeds groeiende last. Hij krabt met zijn kruin langs de stenen en drukt zich tegen de aarde aan, waarbij hij zijn smaragden takken uitstrekt. Hij spreidt zich uit. Hij lijkt op een inktvis met groene veren. Zo ligt hij een dag of twee te wachten; dan komt uit de witte hemel als poeder de eerste sneeuw al gevallen, en de dwergden verzinkt als een beer in winterslaap. Op de witte berg verrijzen enorme sneeuwbuilen – dat zijn de dwergdennetjes die zich voor de winter hebben neergelegd.

Maar een het eind van de winter – wanneer de sneeuw de aarde nog met een drie meter dikke laag bedekt, wanneer de sneeuwstormen in de kloven de dichte, slechts met ijzer te bewerken sneeuw hebben vastgestampt – wachten de mensen vergeefs op een teken van de lente, hoewel het volgens de kalender al tijd is dat de lente komt. Maar de dag is niet van een winterdag te onderscheiden: de lucht is snijdend en droog en verschilt niet van de januarilucht. Gelukkig, de gewaarwordingen van de mens zijn te zwak, zijn waarnemingsvermogens te weinig ontwikkeld, hij heeft ook maar vijf zintuigen, en dat is niet voldoende om te voorspellen of in de toekomst te zien.

De natuur is veel verfijnder in haar gewaarwordingen dan de mens. Iets daarvan weten wij. Denk maar aan de vis uit het zalmengeslacht die om kuit te schieten precies die rivier opzoekt waar het eitje is afgezet waaruit deze vis zich heeft ontwikkeld. Denk maar aan de geheimzinnige routes van de trekvogels. Ook van planten- en bloemenbarometers is ons het een en ander bekend.

En dan, midden in de eindeloze witte sneeuw, midden in de volledige hopeloosheid, komt de dwergden plotseling omhoog. Hij schudt de sneeuw af, richt zich in zijn volle lengte op, heft zijn groene, bevroren, iets roodachtige naalden naar de hemel. Hij hoort de voor ons niet waarneembare roep van de lente, en daarop vertrouwend staat hij vroeger dan alle anderen in het Noorden op. De winter is voorbij.

Er kan ook iets anders aan de hand zijn: een kampvuur. De dwergden is te lichtgelovig. Hij vindt de winter zo onplezierig dat hij bereid is in de warmte van het vuur te geloven. Als je ‘s winters in de buurt van een ineengedoken, gekromde struik van de dwergden een vuur maakt, staat de dwergden op. Het vuur gaat uit, en de ontgoochelde dwergden buigt zich wenend van spijt, weer voorover en gaat weer op zijn oude plekje liggen. En sneeuw stuift over hem heen.

Nee, hij is niet alleen een weersvoorspeller. De dwergden is de boom van de hoop, de enige altijd groene boom in het hoge Noorden. Te midden van de witte glans van de sneeuw spreken zijn matgroene naalden aan zijn takken van het Zuiden, van de warmte en het leven. In de zomer is hij bescheiden en onopvallend – alles rondom ontluikt met grote haast, in een poging in de korte noordelijke zomer tot volle bloei te komen. De bloemen van de lente, de zomer en de herfst zitten elkaar in een stormachtig ontbloeien na. Maar de herfst nadert, en de kleine gele naaldjes vallen al en laten de lariksen kaal achter, het veldgras rolt zich op en verdort, het bos wordt dunner en dan is van verre te zien hoe midden in het bos, tussen het vaalgele gras en het grijze mos de grote groene fakkels van de dwergden oplichten.

Voor mij is de dwergden altijd de meest po√ętische Russische boom geweest, veel meer dan de veel geroemde treurwilg, de plataan of de cipres. En het brandhout van de dwergden geeft meer warmte.