Op 5 december 1947 liep het stoomschip ‘Kim’ met een menselijke lading de Nagajevo-golf binnen. Het was de laatste tocht, het scheepvaartseizoen liep ten einde. Magadan ontving de gasten met veertig graden vorst. Overigens bracht het schip geen gasten, maar de ware heren van dit land: gevangenen.

De hele overheid van de stad verscheen in de haven. Alle in de stad aanwezige vrachtwagens wachtten het schip ‘Kim’ in de haven van Nagajevo op. Soldaten, kadertroepen omringden het havenhoofd, en het uitladen begon.

Uit een gebied met een straal van vijftig kilometer om de Golf waren op het verzoek van het Hoofd Selectie alle vrije inijnwagens naar Magadan gekomen.

Men wierp de doden op de oever, transporteerde ze naar de begraafplaats, legde hen in massagraven, zonder naambordjes aan te brengen, en stelde alleen een akte op dat een latere exhumatie noodzakelijk was.

Degenen die het ernstigst ziek, maar nog net in leven waren, bracht men over naar de gevangenisziekenhuizen in Magadan, Ola, Arman, Doektsja.

De middelzware zieken bracht men naar het Centrale gevangenisziekenhuis aan de linkeroever van de Kolyma. Het ziekenhuis, aanvankelijk op een afstand van 23 kilometer gelegen, was net verhuisd. Als het stoomschip ‘Kim’ een jaar eerder was gekomen, had men niet 500 kilometer hoeven rijden.

Het hoofd van de chirurgische afdeling, Koebantsev, die nog maar net uit het leger, van het front was gekomen, was geschokt door de aanblik van deze mensen, door deze verschrikkelijke verwondingen. In iedere wagen die uit Magadan kwam waren lijken van onderweg gestorvenen. De chirurg begreep dat dit de ‘lichte’, de vervoerbare gevallen waren, dat men de zware had achtergehouden.

De chirurg herhaalde de woorden van generaal Radisjtsjev, die hij ergens kort na de oorlog gelezen had: ‘De frontervaring van een soldaat kan hem niet voorbereiden op het schouwspel van de dood in de kampen.’

Koebantsev verloor zijn koelbloedigheid. Hij wist niet wat hij moest opdragen, waarmee hij moest beginnen. Kolyma was een te zware last voor de frontchirurg. Maar er moest iets gedaan worden. De verplegers tilden de zieken uit de wagens en droegen ze op draagbaren naar de chirurgische afdeling. Daar stonden de draagbaren in alle gangen dicht naast elkaar. Geuren herinneren we ons, net als gedichten, als gezichten van mensen. De lucht van deze kampetter stond voor altijd in Koebantsevs geheugen gegrift. Deze lucht bleef hem zijn leven lang bij. Men zou denken dat etter overal eender ruikt en dat de dood overal eender is. Dat is niet zo. Zijn leven lang bleef Koebantsev van mening dat alleen de wonden van zijn eerste gewonden in Kolyma zo’n lucht verspreidden. Koebantsev rookte, hij rookte en voelde dat hij zijn zelfbeheersing verloor, dat hij niet wist wat hij de verplegers, de hospikken, de artsen moest opdragen.

‘Alexej Alexejevitsj,’ hoorde Koebantsev een stem naast zich zeggen. Het was Braude, een chirurg die zelf gevangene was geweest, het gewezen hoofd van juist deze afdeling, die op last van de hoogste leiding van zijn functie was ontheven enkel en alleen omdat hij een exgevangene was en hij bovendien nog een Duitse achternaam had.

‘Sta me toe het commando over te nemen. Ik ken dit allemaal. Ik ben hier al tien jaar.’

De zenuwachtige Koebantsev droeg het commando over, en het werk ving aan. Drie chirurgen begonnen tegelijkertijd met operaties – hospikken wasten als assistenten hun handen. Andere hospikken gaven injecties en dienden hartpatiënten medicijnen toe.

‘Amputaties, alleen maar amputaties,’ mompelde Braude. Hij hield van de chirurgie en leed er, volgens zijn eigen zeggen, onder als er in zijn leven een dag voorbij ging zonder een operatie, zonder een snee.

‘We hoeven ons niet te vervelen,’ verheugde Braude zich. ‘Koebantsev is geen slechte kerel, maar hij is totaal in de war. Een frontchirurg! Ginder hebben ze allemaal instructies, schema’s, orders, maar dit hier is het echte leven, Kolyma!’

Maar Braude was geen kwade vent. Ofschoon hij zonder enige aanleiding van zijn functie was ontheven, voelde hij geen rancune jegens zijn opvolger, haalde hij geen vuile streek met hem uit. Integendeel, Braude zag de verwarring van Koebantsev en voelde zijn diepe dankbaarheid. De man had uiteindelijk een gezin, een vrouw, een zoon die naar school ging. Officiers ontvangen een rantsoen, een toeslag, een hoop geld. En Braude? Tien jaar kamp achter de rug, en een twijfelachtige toekomst. Braude kwam uit Saratov, was een leerling van de beroemde Krause, en was zelf ook veelbelovend geweest. Maar het jaar ’37 had Braudes lot in stukken geslagen. Moest hij zich dan op Koebantsjev wreken voor zijn eigen ongeluk? …

 

 

En Braude commandeerde, sneed, vloekte. Braude leefde en vergat zichzelf, en hoewel hij in ogenblikken van nadenkendheid zijn eigen verachtelijke vergeetachtigheid vaak haatte, kon hij zichzelf niet veranderen.

Die dag besloot hij: ik ga weg uit het ziekenhuis. Ik vertrek naar het vasteland.

Het sprookje is bijna ten einde, en wij kennen het begin nog niet eens.

Op vijf december van het jaar 1947 liep het stoomschip ‘Kim’ met een menselijke lading de Nagajevo-golf binnen – met 3000 gevangenen. Onderweg waren de gevangenen gaan muiten, en de leiding had besloten alle ruimen met water te laten vollopen. Dat gebeurde allemaal bij een vorst van veertig graden. Wat bevriezingen van de derde en vierde graad zijn, zoals Braude ze noemde, of vervriezingen, zoals Koebantsev zei, – daar kwam hij achter op de eerste dag van zijn betrekking in Kolyma die hij aan zijn verdiensten van vele jaren te danken had.

Het was nodig al deze dingen te vergeten, en Koebantsev, gedisciplineerd en wilskrachtig als hij was, deed dat ook. Hij dwong zichzelf om te vergeten.

Zeventien jaar later herinnerde Koebantsev zich de naam en vadersnaam van iedere gewezen gevangene die ziekenverzorger geworden was, van iedere verpleegster, hij herinnerde zich wie van de gevangenen met wie ‘samenleefde’, de kampromances zogezegd. Hij herinnerde zich de rang van iedere schofterige commandant. Alleen één ding herinnerde Koebantsev zich niet – het stoomschip ‘Kim’ met drieduizend bevroren gevangenen.

Anatole France heeft een verhaal, ‘De stadhouder van Judea’. Daarin kan Pontius Pilatus zich na zeventien jaar Christus niet meer herinneren.