Hoe wordt een weg gebaand door een onbetreden sneeuwmassa? Voorop loopt zwetend en vloekend een man die elk moment in de diepe rulle sneeuw blijft steken en nauwelijks zijn ene voet voor de andere krijgt. De man loopt ver vooruit en geeft zijn route met ongelijkmatige zwarte kuilen aan. Hij wordt moe, gaat in de sneeuw liggen, steekt een sigaret op, en de tabaksrook spreidt zich als een blauw wolkje boven de witte blinkende sneeuw omhoog. De man is al een stuk verdergelopen, maar het wolkje hangt nog steeds daar waar hij het heeft uitgeblazen, – de lucht is haast onbeweeglijk. Wegen worden altijd gebaand op rustige dagen, om te voorkomen dat de wind het werk van de mensen wegvaagt. De mens kiest zelf oriĆ«ntatiepunten in de onafzienbare sneeuwmassa – een rots, een hoge boom, – de mens loodst zijn lichaam door de sneeuw zoals een stuurman zijn boot over de rivier loodst – van kaap naar kaap.

Over het pasgebaande smalle en onzekere spoor volgen een man of vijf, zes, schouder aan schouder. Ze stappen niet in het spoor maar ernaast. Als ze bij een tevoren aangegeven plek zijn gekomen keren ze om en lopen weer terug, om ervoor te zorgen dat de nog niet door mensenvoeten betreden sneeuw wordt platgelopen. De weg is gebaand. Er kunnen mensen overheen, vrachtsleden, tractors. Als iedereen het spoor van de eerste man precies volgt, ontstaat er een zichtbaar, maar nauwelijks begaanbaar smal pad, een pad, maar geen weg – kuilen waardoor het moeilijker is vooruit te komen dan door de onbetreden sneeuw. De eerste heeft het het zwaarst, en als hij aan het eind van zijn krachten is, gaat een ander van de kopgroep van vijf voorop lopen. Van degenen die het spoor volgen, moet iedereen, zelfs de kleinste, zelfs de zwakste, op een stukje onbetreden sneeuw stappen, en niet in het spoor van een ander. En op tractors en paarden rijden geen schrijvers, maar lezers.