Water is de lijm van het leven op aarde.

De mens bestaat, net als de kwal, voornamelijk uit water.

Water is meer dan een metafoor.

Ook de werkelijkheid is water.

In Belgrado, waar ik tot voor drie jaar gewoond heb, wandelde ik vaak door het park van waaruit je van verschillende uitkijkplaatsen contemplatief de vereniging van twee rivieren kunt volgen, de samenvloeiing van de Sava en de Donau. De blik op het water maakte ook telkens opnieuw, sensueel en niet meer terug te draaien, een aantal nieuwe gedachten los. Lopend boven de twee stromen onderhield ik tegelijkertijd mijn kinderlijke bijgeloof over boodschappen die, opgetekend op het water, reizen naar de hengel van iemand anders’ ogen, ergens ver weg. Gedachten en verbeelding zijn geschenken zonder bepaalde uiterste houdbaarheidsdatum. Al het overige is rampzalig plagiaat. Als jongen, geboren in het teken van de Kreeft, die opgroeide op een van de eilanden van Midden-Dalmatië, en, later, als jongeman met ongedurige zinnen die de plastic pontons in Istrische jachthavens aan het schommelen maakte, beleefde ik die identieke situatie nog talloze malen langs de kust van de Adriatische Zee (zo bereidde die mij onbewust voor op mijn toekomst als lezer en schriver), waar via de technieken van de watertatoeage de eerste contouren van mijn identiteit werden gevormd.

In het regenachtige begin van 1994 ontmoette ik na lange tijd weer mijn lievelingsschrijver van boeken over water, Claudio Magris. Ons sobere ochtendlijke gesprek in Amsterdam (Magris stelde vragen, ik gaf antwoord), waarvan ik de hoofdlijnen zal proberen te reconstrueren en aan te vullen, werd ingeleid door het symbolische geluid van een steentje (geworpen door de hand van Magris) dat het dunne vliesje ijs op de bevroren gracht doorsneed. Die tracheotomische opening in het ijs riep meteen, zonder gêne, herkenbare, voor beiden blijkbaar obsessieve actuele themakringen bij ons op (Magris had juist daarvoor de hem aangeboden comfortabele zetel van burgemeester van Triëst afgewezen om tegelijk een harde stoel in het Italiaanse parlement te aanvaarden), lijkend op de kringen die zich onstuitbaar verspreidden over het wateroppervlak van de anders zo rustige

 

Bestonden er, los van Tito, Joegoslaven?

Zelfs wanneer we het feit buiten beschouwing laten dat Joegoslavië, en daarmee ook de Joegoslavische identiteit, al bestond voor Tito’s staat, weliswaar in een andere vorm dan die laaste, kunnen de herhaalde stellingen over een ‘kunstmatige Joegoslavische identiteit’ vanuit ten minste twee gezichtspunten worden ondergebracht in de categorie baarlijke nonsens. Ten eerste telde de volkstelling van 1981 in het vroegere Joegoslavië precies 1.219.045 Joegoslaven, dat is rond de 6% van de toenmalige Joegoslavische bevolking, ofwel, bij wijze van vergelijking, iets minder dan de huidige bevolking van Slovenië. Vergelijkbare gegevens zijn ook opgetekend in de laatste volkstelling uit het jaar van de uiteindelijke tragische nationallistische ontknoping, 1991. Wanneer de Joegoslaven het recht op keuze van een eigen identiteit wordt ontzegd, wat de gemeenschappelijke noemer is van de plaatselijke nationalisten en het conservatieve Westen (misschien omdat die in de traditionele Europese sleutel niet als ‘zuiver’, dus als Servisch, Kroatisch, Duits, Frans, Engels, Russisch… is gedefinieerd, niet is gebaseerd op etnische afkomst en religie, op Blut und Boden, ofwel omdat Joegoslaviëals staat slechts heeft bestaan in twee korte, voor Europa irrelevante historische intervallen zonder veroveringspretenties, van 1919 tot 1941 en van 1945 tot 1991, terwijl deze gebieden in alle andere perioden langdurig werden overheerst door de grote imperia) dan kun je, volgens de logica van de Europese theorie en vooral van de praktijk, ook het bestaan van een Amerikaanse of Australische identiteit in twijfel trekken. Maar gelukkig zijn de afstammelingen van vroegere, naar verre continenten verbannen Europese misdadigers, die in hun bescheiden pakketje erfenis nog steeds het racisme bewaren, in ieder opzicht intelligenter en succesvoller gebleken dan de afstammelingen van hun Europese verdrijvers. En ten tweede bestaat de Joegoslavische identiteit net zo goed, hier en nu, bij het fractale, Esscherachtige water van Amstgerdam, als ik besta.

De behoefte om de Joegoslavische identiteit te loochenen was slechts een metafoor voor de ‘etnische zuivering’, de ouverture tot de lang en zorgvuldig geplande genocides die daarna volgden. Al diegenen die nu de thesen over een ‘kunstmatige Joegoslavische identiteit’ of de ‘historische haat in Bosnië’ onderschrijven, mogen niet worden ontslagen van de verantwoordelijkheid voor de zwaarte van de vervalsing van hun woorden, al komt die ook voort uit zuivere onwetendheid en volkomen niet-authentieke domheid. Een dergelijk in koor aandringen op de bescherming van de traditionele waarden en de nationale identiteit is een fantasieloos programma dat in de nieuwere Europese geschiedenis zonder uitzondering uitmondde in veroveringsoorlogen om meer grondgebied en meer macht.

In het verleden net zo goed als nu, met of zonder staat, binnen de grenzen van een politieke eenheid of in de diaspora, bestaat de Joegoslavische identiteit vooral als een culturele identiteit. Die bestaansvorm lijkt sterk op een microprojectie van de vroegere Middeneuropese of de langverhoopte Europese identiteit. De verschillende etnieën en religies op het grondgebied van het vroegere Joegoslavië zijn, als fijnveraderde meanders die onmerkbaar in grote wateren uitvloeien, verbonden door de verstrengelde culturele en politieke geschiedenis. De logica van de regionale gedachte dwingt, door denken en handelen in het heden, zelfs ‘historische doodsvijanden’ tot perioden van langere of kortere communicatie en coëxistentie, of ze willen of niet. Dat is uitsluitend een kwestie van politiek kunnen en politieke wil, van concreet humanisme en van het opzetten van een maatschappelijk systeem dat is gebaseerd op algemeen aanvaarde normen, die die pauzes tussen de oorlogen moeten omvormen (hetgeen wegens gebrek aan consistente, humanistische, cultuurpolitieke programma’s in het geval van de postcommunistische staten niet is gelukt) tot progressieve vormen van politiek leven, waarbij cultureel pluralisme de beste basis vormt voor een positieve en authentieke evolutieve ontwikkeling. Tito’s socialisme van het autoritaire type, hoewel liberaal in vergelijking met alle andere staten van het vroegere oostblok, met zijn antinationalistische politiek (beter bekend onder het parool ‘broederschap en eenheid’, dat wil zeggen gelijkheid van alle volkeren en etnische minderheden), maakte het mogelijk een reeks naoorlogse Joegoslavische generaties te vormen van wie de identiteit op geen enkele manier verbonden was met het concept van Tito’s socialisme of met het tegenovergestelde, het nationalistische anti-joegoslavisme. Die generaties die rustig opgroeiden in de ‘pauze tussen de oorlogen’, in het tussengebied tussen Oost en West, zonder met geweld geïmplanteerde sensoren voor een verdeling van de wereld volgens zuiver politieke en culturele principes, vulden de batterijen van hun sensibiliteit in de regel buiten Joegoslavië. Zij volgden vrijelijk met belangstelling de nieuwste Italiaanse modestromingen, de Franse postmoderne filosofische gedachten, de Britse muzikale produktie en de Amerikaanse postuniversitaire studieprogramma’s. Lokale Joegoslavische folklores werden, behalve in een melange met wereldwijze culturele tendenzen, vanwege hun conservatieve oudbakkenheid en traditionele onproduktiviteit meestal en met dikwijls onkritische verontwaardiging verworpen. En toch zorgden de vaders en grootvaders van die tegenwoordige post-Joegoslaven, samen met complete stromingen van ‘patriarchalen’, na Tito’s dood aangevoerd door agressieve, radicale nationalisten, voor een steeds sneller en vlijtiger overbrenging van hun traditionalistische ideeën van het culturele naar het politieke leven. Dynamische bewegingen werden simpelweg weggewist door statische ideeën; in het vacuüm van de verbeelding kreeg culturele kitsch steeds duidelijker contouren in nieuwe politieke projecten; het ‘dode verleden’ werd met een vampierachtige reanimatie opnieuw tot leven gewekt als in het scenario van een slechte epische horrorfilm. Bestsellers van nationalistische schrijvers, de compilatoren van dat bloedige scenario, maakten hun auteurs tot ideologen met bevattelijke politieke visies. Het krediet van hun valse, geperverteerde dissidentie uit de tijd van het Titoïsme, dat ten onrechte werd geïdentificeerd als een stroming parallel aan de antitotalitaire en democratisch-parlementaire ideeën van Hável, Konrád, Milosz en anderen, werd langzaam uitgespoeld door de regen van algemene cultuurpolitieke veranderingen, waarbij achter de schmink van de grijnzende lokale clowns de lelijke, zieke gezichten van het Europese nationalisme, van opstekende stormen in de klimaatvariaties van de Balkan werden onthuld.

De toekomstige post-Joegoslaven, die er over het algemeen niet in slaagden iets te registreren (alsof iemand met een lobotomische ingreep het deel van hun zenuwstelsel dat dient voor politiek denken had vernietigd) bleven zorgeloos door de straten flaneren op de ritmen van de muziek uit hun walkmans, met dromerige ogen, bedekt met de donkere glazen van de modernste en duurste zonnebrillen, onvoorwaardelijk toegewijd aan de idealen van absoluut hedonisme en aan het uitdenken van nieuwe vormen van decadentie. Ze zetten hun aangename maar mediocre vlucht voor de algehele werkelijkheid, hun fatale leugen tegen het leven voort. Diezelfde generaties van jonge kosmopolieten-autisten met selectief geïsoleerde zintuigen waren en bleven hartstochtelijk verliefd op de postmoderne kritische theorie van Baudrillard, die ze kennelijk niet tot het einde aandachtig hadden gelezen omdat ze daar het geduld niet voor hadden. Net als de auteur van die theorie intellectueel superieur, gefrustreerd, maar politiek impotent, wankelden zij primitivismen, barbarismen en andere -ismen tegemoet die hen algauw naar het front of in ballingschap zouden jagen. En toen de eerste tanks hun motoren warm lieten draaien, was de tijd voor muzikale en rap-protesten, voor een (anti-)politieke geest en geleidelijke veranderingen in het culturele en politieke leven al lang voorbij. De nieuwe fascistoïde regimes reageerden snel en doeltreffend, tevreden in hun handen wrijvend achter de deur van de grensovergangen die wijd open stonden om de elitaire culturele en potentiële politieke oppositie naar buiten te laten. Honderdduizenden jongeren ontvluchtten uit angst voor mobilisatie, arrestatie of om zuiver economische redenen het land in oorlog dat niet het hunne had hoeven zijn, en de weinigen die achterbleven wijden zich nog steeds aan het fysieke en psychologische spel van zelfonderdompeling in fatale realiteiten, simulacres en simulaties à la Baudrillard, tot ze uitgeput zijn of tot de algemene verwarring en waanzin volgt die ze ooit zullen moeten delen met enkele andere vergelijkbare Europeanen. En zo wordt tegenwoordig apolitiek-zijn het zoetste hapje van de Europese politiek.

 

Wat moet men tegenwoordig denken van Europa?

‘De Europese cultuur moet bekeken worden zoals zij is: als een barbaarse cultuur,’ verklaarde Derek Walcott in een recent interview in een Duits dagblad. En een ander fragment, uit Adorno’s in ‘Minima Moralia’ gebundelde essays uit de oorlog en daarna, dat nu weer heel actueel is en zo herkenbaar voor het denken over de Europese perspectieven dat je er niet omheen kunt, luidt: ‘Het idee dat het leven na deze oorlog “normaal” verder zou kunnen gaan, of dat de cultuur zelfs weer “opnieuw opgebouwd” zou worden – alsof wederopbouw van een cultuur niet al de negatie ervan is – is idioot. Miljoenen joden zijn gedood en dat zou een tussenspel moeten zijn en geen catastrofe? Wat verwacht deze cultuur eigenlijk nog? Zelfs al hebben tallozen de tijd om te wachten, kan men zich werkelijk voorstellen dat wat er in Europa gebeurd is in het geheel geen gevolgen zou hebben, dat de kwantiteit van de slachtoffers niet zou leiden tot een nieuwe kwaliteit van de gehele maatschappij, tot barbaarsheid? Zolang dat alles verdergaat van hand tot hand, wordt de catastrofe bestendigd.’ Deze woorden lijken ook een samenvatting te bieden van de politieke geschiedenis van Europa, het continent waar iedere potentieel progressieve evolutie verschuiving wordt tenietgedaan door de reproductie van het equivalent van een vroeger ongeluk. De Europese traditie is vooral een mythologische en pathologische verliefdheid op goden en voorouders, een continu citeren van ideeën van vaders en grootvaders, en al het overige verandert in fictieve, utopische, meestal valse projecten. De Europese cultuur moet daarom gezien worden zoals die is, als een cultuur van ressentiment.

De idee van de Europese eenwording, gebaseerd op thesen over een gemeenschappelijke identiteit, was de enige serieuze uitdaging aan de meest destructieve Europese mythe van de laatste twee of drie eeuwen – het nationalisme. In plaats dat de val van het communisme en het einde van de koude oorlog het begin aanduidden van een nieuw tijdperk en van steeds opener communicatie tussen de westerse en nieuwe oostelijke democratieën, door het ‘gemurmel van stemmen, het gezoem en de informatie in de oren en lichamen van de bevolking van een natie,’ zoals Sloterdijk het uitdrukt, tot zwijgen te brengen, begon het eenwordingsproces zijn onomkeerbare loop in een volslagen tegengestelde, verkeerde richting. Het project van de gedroomde Europese regionalisatie die nationale staten zou ‘oplossen’ – logisch bedacht, uitgaande van culturele en geografische en daarna van economische en politieke premissen – ontwikkelt zich, omgekeerd, in de vorm van versplintering van multinationale staatsstructuren tot micro-etnische staatjes, wat wordt bevestigd door voorbeelden als het uiteenvallen van Joegoslavië, Tsjecho-Slowakije en de Sovjetunie, en zelfs de vereniging van de beide Duitslanden. De verkrachting en marteling van Bosnië, onnatuurlijk begrensd door de rivieren de Drina en de Neretva, zullen vroeg of laat worden omgevormd tot het zoveelse allegorische beeld in historische leesboeken over de strijd van de boze krachten van het wereldintemationalisme, nu verenigd rond neofascistische ideeën (het postcommunistische nationalisme, het West-europese etnocentrische nieuwrechts en onechte liberaal-democraten), en de goede, maar verlamde krachten van de natuurlijke menselijke coëxistentie. De politieke kaart van het huidige Europa is een groot mijnenveld van interetnische onverdraagzaamheid, haat, jaloezie en algemeen wantrouwen. De enige keer dat Baudrillard zich uitspreekt naar aanleiding van de ‘Joegoslavische crisis’, schrijft hij: ‘We hebben Le Pen niet meer nodig, want hij heeft gewonnen, niet politiek, maar als een virus dat is doorgedrongen in het bewustzijn van de mens. Waarom zou u het belangrijk vinden dat tegen te houden in Sarajevo als u thuis met hetzelfde te maken heeft? Geen enkele solidariteit zal daar iets aan veranderen, alles zal op wonderbaarlijke wijze stoppen op de dag dat de uitroeiing is voltooid, op de dag dat de demarcatielijn van “wit” Europa zich aftekent.’ En verder: ‘Alle Europese landen bewandelen de weg van etnische zuivering. Dat is het ware Europa dat stilaan ontstaat in de schaduw van parlementen, en Servië is een van zijn stoottroepen. Het is niet nodig te herinneren aan alle passiviteit en onmacht om te reageren, omdat het eigenlijk gaat om een programma dat zich logisch ontwikkelt, waarbij Bosnië er slechts de nieuwe grens van is.’

Het uiteenvallen van multinationale staten is de genadeslag die het ‘ridderlijke westen’ – zijn tegenstander in stukken hakkend met een apparaat van legitieme internationale organisaties waarvan het de financiën stevig in eigen hand houdt – wilde toebrengen aan het zieltogende vroegere oostblok. Maar al die slagen met het zwaard van de Witte Ridder op het Witte Paard uit de Europese mythologie zijn ongetwijfeld uitgedeeld via een volkomen verkeerd plan. De vroegere communistische staten zijn op het keerpunt verdeeld in een groot aantal kleinere, postcommunistische nationale staten en daarmee is hoogstwaarschijnlijk een nieuw/oud hoofdstuk in de Europese geschiedenis aangesneden: nationale en religieuze principes worden gerehabiliteerd en veranderd in politieke praktijk, en de antinationalistische en humanistische zijn wegens gebrek aan intellectuele en politieke fantasie niet in staat een serieuze oppositie te vormen, een alternatief voor het conservatieve, radicale en extremistische Europa. Ergo, de regionalisatie waarvan wij getuige zijn is retrograde en regressief, en dat proces zou wel eens kunnen duren tot de volledige kwaadaardige etnische atomisatie van het continent.

Bij gebrek aan nieuwe oplossingen verandert het mythische verleden op demonische wijze in de toekomst, en de resten van de uiteengevallen industrie van de koude oorlog regenereren als de staart van een hagedis, uitgroeiend tot een anomalie, tot een rampzalige hybride die de politieke wereldgeschiedenis nog niet kent. Over dat verschijnsel schrijft Adam Michnik misschien het meest lucide: ‘Wij hebben nu te maken met een kwalitatief nieuw verschijnsel. Het gaat niet om fascisme of communisme in zuivere vorm. Het betreft een ongebruikelijke vermenging van de idee van een zuivere etnische staat met de populistische retoriek en het nostalgische verlangen naar de veiligheid uit de tijd van de dictatuur. Het betreft het ontstellende resultaat van de vlucht voor de vrijheid, een specifieke transformatie van internationaal imperalisme tot meedogenloos etnisch chauvinisme. Europa wordt langzamerhand bevangen door de angst voor het Nieuwe Nihilisme. Dat nihilisme valt democratische instellingen aan, vernietigt burgerlijke en nationale gemeenschappen, leidt tot het uiteenvallen van culturele verbanden. Het andere gezicht ervan is het fundamentalisme, etnisch, sociaal en religieus. Vandaar leidt de weg naar de chaos en een nieuw soort totalitaire dictatuur. Zowel Oost- als West-Europa moeten nu een blik werpen op de bagage die ze hebben geërfd. Ze moeten gaan kijken wat daarin van blijvende conservatieve waarde is: worteling in traditie en religieuze normen, de overtuiging van de behoefte aan organische en evolutieve ontwikkeling. En op de terugweg moeten ze de zin ontraadselen van hun traditie van verlichting, van de idee van de natie, die een dagelijks plebisciet is, van de idee van grondwettelijk patriottisme, die een bewuste keuze vertegenwoordigt, van de idee van een tolerante staat, die ook met geweld zijn principes kan verdedigen.’

 

Kunnen wij invloed uitoefenen op de loop der gebeurtenissen?

In een onlangs gepubliceerd essay schrijft Vaclav Hável, steeds duidelijker een bezorgde politicus en steeds minder een strijdbare intellectueel: ‘In deze tijd staat, meer dan ooit in de geschiedenis van de mensheid gegolden heeft, alles met elkaar in verband. Vandaar dat de toekomst van de Verenigde Staten of de Europese Unie bepaald wordt in het zwaar getroffen Sarajevo of Mostar, in de geplunderde Braziliaanse regenwouden, in de miserabele armoede van Bangladesh of Somalië.

Hoe kan dit inzicht vertaald worden naar praktische politiek? Naar de praktische politiek van ons allen?

De mensen weten vandaag de dag dat hun redding alleen maar kan liggen in een nieuw soort verantwoordelijkheid voor de wereld. In slechts een miniem detail moet nog worden voorzien: die verantwoordelijkheid moet men daadwerkelijk op zich nemen.’

In plaats van het oprechte en alleen daarom aanvaardbare christelijke appel van Hával, waar de woorden ‘redding’ en ‘verantwoordelijkheid’ openlijk worden benadrukt, zou ik me met een zekere dosis verlangen eerder willen inzetten voor een andere, modernere perceptie van onze tijd en van de toekomst, voor een project van een Nieuwe Verlichting. Dat betekent dat we het mythische denken onmiddellijk en onvoorwaardelijk wereldwijd de oorlog moeten verklaren. De beslissende omstandigheid is, zoals Dietmar Kamper schrijft, ‘in welke tijd iemand denkt: de tegenwoordige, die van gisteren of die van eergisteren.’ In dat schema zou ik alleen nog de nabije en de verre toekomende tijd willen inbouwen, een prognostisch realisme en een verleidelijk futurisme. Het is dus nodig met alle beschikbare middelen, met gedachten en nagels, te krabben aan de verstarde vormen van de stilgezette en bevroren tijd, en die erosieve schilfers en fragmenten goed te verbergen voor nieuwe retoren en politici, nieuwe demagogen en populisten, en wij mogen absoluut niemand zonder fantasie en creatieve maar realistische humanistische visie toestaan de ervaringen van het verleden alchemisch te veranderen in de toekomst. Musea van voorwerpen en gedachten dienen te worden bewaard en in stand gehouden als ruimten van feitelijke herinneringen en kennis, en niet als parken van sentimentele en explosieve, pathetische en geromantiseerde nostalgieën en memorabilia. En ten slotte moet men ook, zoals ook Hável tussen de regels door suggereert, de les van Einstein uitleggen volgens welke wij allemaal, hoewel vanuit op dit moment verschillende posities, de tegenwoordige tijd en de tijd als fysische dimensie van het bestaan delen, waar we ons ook op dit ogenblik op de planeet Aarde bevinden.

Een tweede opgave zou moeten zijn: hernieuwing van de praktijk van het logisch denken; terugkeer naar het logisch atomisme à la Wittgenstein; het kritische vaststellen van semantische doorzichtigheden die wij, ongeacht de kostbare en opwindende verschillen tussen lokale cultuurgeschiedenissen, allemaal even goed begrijpen. Verschijnselen van algemeen belang moeten worden overdacht met ‘sema’s’ die bestaan in alle moderne talen, met operatieve modellen die kunnen worden overgebracht naar ieder willekeurig gehumaniseerd deel van de wereld. De droom over een universele grammatica is nieuw noch origineel, maar dringt zich nu aan de wereld op als een behoefte, urgenter dan ooit tevoren. De taal dus, niet als een provinciaal maar als een universeel communicatiesysteem, wat computergebruikers, deskundigen en amateurs, al kennen uit hun dagelijkse praktijk. En dat is voor alles een taal van feiten en gegevens, numeriek concreet en voorstelbaar (hoewel je het risico van numerieke abstractie niet uit het oog mag verliezen), een taal van controleerbare, toegankelijke informatie.

Een derde opgave zou moeten zijn: de zogenaamde gewone mens kennis laten nemen van schijnbaar hermetische wetenschappelijke en technologische verworvenheden. Grote wetenschappelijke ontdekkingen en projecten gaan tegenwoordig absoluut in tegen de globale sociale tendenzen. Terwijl de wereld van politieke en culturele eenheden, die zich met implosief entropisch fatalisme opsluiten in hun archetypische mythische schelpen, steeds meer versplintert en provincialiseert, verzamelt de wetenschap steeds meer bewijzen voor de natuurlijke onscheidbaarheid van onze individuele, fysische en psychologische tijd en ruimte, voor de ondeelbaarheid van onze maatschappelijke maar ook van onze algehele biologische existentie. Het enige discours dat opponeert tegen de symbiose van het particuliere, selectieve en het verenigende, globale denken, kan daartegenover het eenstemmige politieke gebrom zijn van lege retoriek en demagogie, het virus van de nieuwe populistische integratie die de horizons van de moderne wereldpolitiek zo bedrieglijk vult. Daar moet men zich fel en vastbesloten tegen verzetten, met ernstige gezichten, zonder postmodernistische ironie en verwende gezapigheid, apocalyptisch cynisme en posthistorisch geklets, door talrijke nieuwe fascinerende en onaanvechtbare argumenten aan te voeren. Bijvoorbeeld, men moet de mens die zich tussen twee schermen bevindt, dat van de tv en dat van de computer, in eenvoudige bewoordingen uitleggen dat hij kijkt naar een dimensie via welke hij spoedig, langs de weg van het licht, in staat zal zijn zich te verplaatsen naar ieder willekeurig deel van de planeet, en misschien zelfs van het heelal! Alleen zo kan de fascinatie van de mens geleidelijk worden veranderd in een wereldwijde hersocialisatie en herintegratie, en angst en gebrek aan kennis in een verleidelijke en verlichte verantwoordelijkheid.

En ten slotte, de gedachte van Hável verder volgend, moet de vraag worden gesteld van de persoonlijke tegenover de collectieve verantwoordelijkheid. Een van de meest overtuigende voorbeelden van cynisch buitenspel zetten van de persoonlijke verantwoordelijkheid is te ontdekken in het vroegere Joegoslavië en vooral in Bosnië-Herzegovina. Hier kunnen we minstens twee essentiële en onscheidbare vragen stellen. De eerste heeft betrekking op de oorlogsmisdadigers, de militaire en paramilitaire formaties, de politici en het leger van zogenaamde intellectuelen die de ‘etnische zuiveringen’ hebben bedacht en uitgevoerd – genocide in naam van de collectieve nationale harmonie (van Europa en misschien zelfs van de wereld) en de tweede op de persoonlijke verantwoordelijkheid van de afgevaardigden van de internationale organisaties, de onderhandelaars en de talrijke andere gezanten op vredes- en humanitaire missies.

De veronderstelling is, logischerwijs, dat een individu uitvoerder kan zijn van een politiek bedacht door ieder willekeurig officieel erkend collectief lichaam waarvan hij de principes persoonlijk steunt, maar zich achter de politiek van die organisatie niet openlijk kan en mag verbergen. Rollen worden in het maatschappelijk leven niet aan de mens toebedeeld, maar aangeboden of opgelegd, en de rest is een kwestie van persoonlijke keuze. In het vroegere Joegoslavië proberen echter de gezanten van internationale organisaties, dus de vertegenwoordigers van ons allemaal, al meer dan driejaar met ‘vredesbesprekingen’, naar al gauw bleek, de economisch en politiek goedkoopste vrede tot stand te brengen ten bate van de financiers van de gigantische bureaucratische structuren die hun werkgevers zijn. Zij onderhandelen niet alleen onprofessioneel en onsuccesvol (hoewel ze volgens hun eigen woorden – ondanks een paar honderdduizend menselijke slachtoffers en een paar miljoen gevluchte en verdreven, onder het tapijt van de conferentietafels geveegde mensen – iedere keer ‘aanzienlijke vooruitgang’ boeken ‘op weg naar het uiteindelijke sluiten van vrede’), maar dat doen ze met oorlogsmisdadigers (die ze onophoudelijk concessies doen) voor wier criminele daden hun collega’s bewijzen verzamelen, afgevaardigden van diezelfde of verwante internationale ‘vredes’ organisaties. Daarmee geven de ‘onderhandelaars’ de oorlogsmisdadigers het legitieme recht om hun genocidepolitiek voor ‘vredes’ doeleinden te bepleiten, wat men gerust, waarschijnlijk ook wettelijk, kan behandelen als bescherming van misdadigers en medeplichtigheid aan de politiek van compromisloos moorden en verdrijven. (Het is beslist gemakkelijker een inbreker in een kiosk of een lokale vandaal te vervolgen dan een massamoordenaar van wie het aantal slachtoffers de grens van het concreet voorstelbare overschrijdt. Daarom benadert men die massamoordenaar, in ons geval en in vergelijkbare voorbeelden, met bewondering en eerbied. En zo veranderen negatieve helden, dankzij de ‘vertegenwoordigers van de wet’ en hun massamedia-assistenten, snel en gemakkelijk in politieke genieën en helden.) Het is geen cynisme meer, maar bitter hyperrealisme als men zegt dat de politiek van de nieuwe wereldorde, met de formules van zijn eigen demonologie, nu volmaakte modellen creëert voor het verhullen en rechtvaardigen van de fatale symbiose van de liberaal-democratische en de neofascistische politiek.

Men moet iedereen zijn immuniteit ontnemen, maar de goden in de eerste plaats.

 

Het begon te regenen en de opening in het vliesje op de gracht was inmiddels weer dichtgevroren. Terwijl ik keek naar Magris, wiens ogen onrustig zochten naar de verloren scheur, herinnerde ik mij de slotwoorden van de hoofdpersoon, van beroep redder van drenkelingen, uit een van zijn verhalen: ‘…water ziet er overal hetzelfde uit en ook deze stortregen zou net zo goed ergens anders kunnen vallen dan hier en het bevalt me wel dat de dingen steeds meer eender worden, alles is goed wat goed eindigt, of alles is goed wat eindigt.’