Ayala

Het is zomer, in drommen tegelijk zijn de nomaden uit verre streken gekomen

ze houden je staande op straat: Bitte, restaurant! omringen je in de metro

marcheren heen en weer door de tentoonstellingszalen, wachtend op identificatie, op een teken

voor toegangspoorten en op trappen zitten ze ineengezakt voor zich uit te kijken

onder hen zijn er die al jaren over de wereld dolen

als was het een reusachtige supermarkt waarheen de Onzichtbare

hen met duistere opdrachten gezonden heeft: Spring dan, mijn zonen en dochters!

op hun rug een zak als een huis, in india-blouse en spijkerbroek

met een tijgertand-amulet om de hals en een zegelring om de vinger

op zevenmijlslaarzen en sandalen, met plattegronden in de hand

waarop ze nu dan ook jou kunnen wegkruisen naast de Donau

je liet het toe dat ze je uithoorden over je land, je volk en je opvattingen

je liet het toe, je weet niet eens waarom, het deed je goed, voor één enkele keer

zoals wanneer iemand in zichzelf praat, in het donker, zwevend als een luchtballon

en nu kunnen ze dan verder gaan, van Nieuw-Guinea, Australië en de Kaapkolonie

via India, Tibet, de Váci-straat en de Árpád Tóth-promenade, langs een vervallen

en naar afval stinkend trappenhuis in Budapest, via Bartók en Balatonfüred

op weg naar wie weet wat voor strassen, gassen, boulevards, rues en roads

op weg naar het regenachtige jaargetijde, wanneer ook de grote steden langzaam tot rust komen

en de veroveraars hun huid weer afleggen, de vakantie is voorbij

ze laten de badkuip vollopen, zetten de wasmachine aan

heel Europa is één gigantische zucht eind oktober; en vanuit een ver hoekje

van de aardbol krijg je nog een brief: Het is fijn te weten

dat je bestaat en dat we op één en dezelfde planeet leven, jij en ik, maar

dat kan ik werkelijk alleen op mijn gitaar spelen, Ayala.

 

En langzaam kreeg iedere vorm een nieuwe vorm

Er gebeurde van alles ja, dat valt niet te ontkennen

terwijl ik in de schoolbank zat, de schoolbank versleet

eerst die met vaste leuning, en later de chique

waar een aparte stoel op aparte ijzeren pootjes bij hoorde –

ik zat met de bank te schuiven, èn met de stoel.

 

De inktpot werd afgeschaft, het kuiltje ervoor werd afgeschaft

opgevolgd door de goddelijke ballpoint

en de transistorradio kwam, en de bandrecorder:

Calypso, Illés, Metró en de Beatles

de zwemtas had niet langer een cilindervorm

en langzaam kreeg iedere vorm een nieuwe vorm.

 

En met hen ook ik; maar wie lette daar op?

wie had er tijd voor toen, daar, voor zoiets?

na een wiskundeproefwerk van twee uur

voor een natuurkundebeurt van een zes

tijdens de allereerste feestjes

en de werkkampen van de kisz

toen Op Weg Kerouac opdoemde

en de dood hem zo te zien niet op de hielen zat

 

toen de klok in de bioscoop Twintig Uur wees

en vanuit een ver verleden Koude Dagen

toen Mobutu Kasavubu aan de kant zette

toen het mooiste meisje van Dunakeszi een knikje gaf

en het grassprietje in haar mond een knikje gaf

waar ze zo onweerstaanbaar op zat te kauwen

en dat ze daarna ergens heeft uitgespuwd…

 

Als een tijdloos reuzenbeest

als een sint-bernardshond tussen stoelen en tafels

ligt de rivier tussen huismuren en gebouwen uitgestrekt.

Ik kijk naar de Donau

in haar deinende spiegel kijk ik naar de Stad

naar het evenbeeld van mijn gezicht, de gezichten die ik heb:

zo verdraagzaam en zo bevattelijk

zo weldoorvoed en zo troosteloos

zo teer en zo zonder liefde

en zo verlangend om te leven, te leven, te leven, te leven!

en zo verlangend om rond te razen, om rond te razen!

Ik kijk naar de Donau, ik kijk naar de duizenden eeuwen oude rivier.

 

Terwijl het nationale dameshandbalteam van Hongarije in de Budapest-hal een overwinning boekte op de ploeg van Zuid-Korea

Norman Mayer, niemand is achter je gaan staan

toen jij je vrachtwagen voor het Washington Monument reed

en eiste dat de kernwapens verboden werden

anders liet je de obelisk de lucht in vliegen

het doet er niet toe wat je voor ogen had, ouwe; zoiets is hetzelfde als

discussiëren over de vraag of de engeltjes vleugels of een staart hebben

misschien wou je alleen maar iets vertellen, misschien ook wel een mooie dood

dat soort dingen zijn belangrijk voor een zesenzestig jaar oude bejaarde uit Florida

maar alle mensen met gezond verstand haastten zich om gauw te verklaren

alle vredesminnaars, in het volle besef van hun verantwoordelijkheid

dat ze zich distantiëren van deze dwaasheid

voorop de organisaties die strijden voor nucleaire ontwapening

de republikeinen net zo goed als de democraten

de protestanten net zo goed als de katholieken

en de feministen en de cocaïne-snuivers en de Ku-Klux-Klan

en de boeddhisten en de jehova’s getuigen en de atheïsten

 

en de mormonen en de niet-mormonen, eenstemmig

stonden de complete States, alle fatsoenlijke mensen op hun achterste benen

dat jij het Washington Monument zou hebben opgeblazen

je hebt het mooi gezegd, wat iedere organisatie zo mooi zegt

dat je geen kernoorlog wil, ook jij niet, Norman Mayer

en daarna wilde jij je met je vrachtwagen terugtrekken, naar huis, naar Florida

een douche nemen, eens goed eten, bijkomen van alle spanningen

maar tegen die tijd hadden honderden agenten het al op jou gemunt

en scherpschutters doorzeefden je gammele brik, met jou erbij

geen gram dynamiet had je bij je, ouwe, dat had je even mooi voor elkaar!

en hoewel het er niet toe doet of de engeltjes vleugels of een staart hebben

zoiets is hetzelfde als discussiëren over de totale ontwapening

verklaar ik in naam van mijzelf toch

dat ik achter je sta, Norman Mayer.

 

12 december 1982